Afgelopen maandag werd de Canon van Nederland gepresenteerd, die bestaat uit vijftig vensters waardoor de Nederlander zijn nationaal zelfbewustzijn bij elkaar kan gluren. Door het vijfde venster kijken we naar het ontstaan van de Nederlandse Taal

Deze regels werden omstreeks het jaar 1100 als pennenproef neergeschreven door een Vlaamse monnik die in een Engels klooster verbleef. Zijn dagelijks leven was grotendeels gevuld met het overschrijven van Latijnse en Oudengelse teksten. Af en toe moest hij de ganzenveer waarmee hij schreef aanscherpen. Op de laatste bladzijde van het boek dat hij aan het maken was, probeerde hij uit of zijn pen weer goed schreef, alvorens verder te werken. In zo’n geval schrijf je vaak het eerste dat je te binnen schiet. Bij onze monnik was dat een liefdesversje dat hij nog uit zijn jeugd in Vlaanderen kende: Hebban olla vogala. En daarmee verschafte hij de Nederlandse literatuurgeschiedenis een romantisch begin.
Bron: literatuurgeschiedenis.nl
De canon verwijst naar de prachtige site over Middeleeuwse literatuur met een mooie interactieve kaart van de Lage Landen omstreeks 1300 en een uitgebreide tijdbalk van de periode 1000-1500.
Contrary to Barlaam, Gregory asserted that the prophets in fact had greater knowledge of God, because they had actually seen or heard God himself. Addressing the question of how it is possible for humans to have knowledge of a transcendent and unknowable God, he drew a distinction between knowing God in his essence (in Greek, ουσια) and knowing God in his energies (in Greek, ενεργειαι). He maintained the Orthodox doctrine that it remains impossible to know God in his essence (God in himself), but possible to know God in his energies (to know what God does, and who he is in relation to the creation and to man), as God reveals himself to humanity. In doing so, he made reference to the Cappadocian Fathers and other early Christian writers.
Het oudste geschrift dat in de Philokalia is opgenomen, staat op naam van een zekere 












