Jabik Veenbaas (foto rechtsonder), een van de vertalers van Immanuel Kant’s Kritik der praktischen Vernunft, schrijft dit weekend in Trouw
Kants filosofie toont ons een uitweg uit dat wereldbeeld. De mens is niet alleen een radartje, opgenomen in een causaal gedetermineerd geheel, hij is dat zelfs niet in de eerste plaats, hij is voor alles een wezen dat moreel handelt en zich als zodanig tot het hele universum moet en kan verhouden. Zo kan hij zich staande houden in dat immense, door wetmatigheden beheerste heelal. Daarin bestaat zijn waardigheid. Dat is uiteindelijk de betekenis van Kants veel geciteerde uitspraak aan het slot van de Kritiek van de praktische rede:
Boeken van Immanuel Kant bij Uitgeverij Boom
De drie kritieken
Kritiek van de zuivere rede (vert. Jabik Veenbaas en Willem Visser)
De religie binnen de grenzen van de rede
Naar de eeuwige vrede
Kritiek van de praktische rede (vert. Jabik Veenbaas en Willem Visser)
Prolegomena (vert. Jabik Veenbaas en Willem Visser)
Fundering voor de metafysica van de zeden
Bron: immanuelkant.nl (doorlink naar boomsun.nl)integrale grondtekst van de drie kritieken in het Duits:
Kritik der reinen Vernunft, 1787 (Wat kan in weten?)
Kritik der praktischen Vernunft, 1788 (Wat moet ik doen en mag ik hopen?)
Kritik der Urteilskraft, 1790
In de Kritiek van de zuivere rede had Kant de mogelijkheidonderzocht van de menselijke kennis. Hij kwam tot de slotsom dat die beperkt blijft tot het domein van de zintuiglijke ervaring, en dat we niets kunnen weten over zaken die die ervaring te boven gaan: over de ziel, de wereld als geheel en God. In de Kritiek van de praktische rede stelt Kant echter dat we als praktische, moreel handelende wezens onafhankelijk zijn van de zintuiglijke wereld en deel krijgen aan de wereld van de bovenzin-tuiglijke dingen. Omdat alle belang uiteindelijk moreel is, heeft de praktische rede voor Kant het primaat boven de zuivere rede. Kants tweede Kritiek is de „sluitsteen„ van zijn filosofische systematiek en het kloppende hart van zijn filosofisch oeuvre.Bron: boomsun.nl
Veel minder bekend dan Huizinga’s Herfsttij der Middeleeuwen, maar wat mij betreft ook een klassieker is Duecento van Hélène Nolthenius. Het is een gepopulariseerde versie van het onderzoek waar ze in 1948 op promoveerde en het werd Nolthenius’ eerste grote publiekssucces. Duecento. Zwerftocht door Italië’s late middeleeuwen verscheen in 1951 als pocket bij Het Spectrum en ik heb daarvan een derde druk (zie afbeelding rechts) in mijn bezit. Wat mij zowel bij Huizinga als bij Nolthenius onmiddellijk opvalt, is het rijke beeldende taalgebruik.
Hélène Nolthenius werd grootgebracht met muziek – piano en zang – en met verhalen uit de Griekse mythologie. Haar vader was cellist in het Concertgebouworkest. Religie speelde thuis geen rol, al las de moeder haar enige kind wel eens voor uit de kinderbijbel. Hélènes ontvankelijkheid voor religiositeit werd gevoed door onder meer de lezing, op dertienjarige leeftijd, van De Heilige Franciscus van Assisi, een vertaling van de romantische biografie van de katholiek geworden Deen Johannes Jørgensen uit 1907. [ Bron:
Zelfportret als minstreel
Friedrich von Hardenberg (1772-1801) werd opgeleid tot mijnbouwkundige. Als dichter gebruikte hij het pseudoniem Novalis, Latijn voor Ontginner – hij is dan ook de origineelste figuur uit de Duitse Romantiek. Dat blijkt uit zijn aforismen, die hijzelf van de titel Blütenstaub (Stuifmeel) voorzag, het blijkt misschien nog wel meer uit zijn enige, door zijn vroege dood onvoltooid gebleven roman, Heinrich von Ofterdingen. Dat boek is autobiografisch: we lezen er over een jeugd tussen de Harz en het Ertsgebergte, we lezen over de mijnbouw, we lezen vooral veel over de ontdekking van het grootste wereldwonder, de dichtkunst; en ook de vervoering van de verliefdheid en de rouw om de jonggestorven geliefde zijn duidelijk naar de natuur beschreven. Tegelijkertijd is het een historisch werk: de hoofdpersoon is een dertiende-eeuwse minstreel, die is weggelopen uit het vanwege zijn fraaie illustraties befaamde Manessische handschrift. Die minstreel groeit op in Eisenach, leert het volle leven kennen in de grote stad Augsburg, en was de Alpen overgetrokken om aan het hof van Keizer Frederik II terecht te komen – wanneer Novalis daaraan toegekomen was.












