Categorie archief: geschiedenis

het conservatisme van Hume

Gelezen: De geboorte van het conservatisme – David Hume
in De Verlichting als kraamkamer (2013) door Jabik Veenbaas

De Verlichting als kraamkamerNatuurlijk komt de Schotse filosoof David Hume (1711-1776) ook aan bod in de bundel De Verlichting als kraamkamer (2013) van Jabik Veenbaas. Hume is de filosoof geweest die met zijn A Treatise of Human Nature (1739-40) de sceptische noodtoestand had uitgeroepen. Daarin had hij het substantiebegrip, de causaliteit, het ik en de ziel op losse schroeven gezet. Toch liet Hume zich niet verlammen en deprimeren door zijn diepe twijfels. Hij vond stabiliteit in een pragmatische waardering voor de gewoonte en de traditie. Zo werd Hume, nog vóór Edmund Burke de vader van het conservatisme. Daarom heeft Veenbaas het hoofdstuk over Hume De geboorte van het conservatisme genoemd. Dat scepsis tot conservatisme kan leiden, werd mij op 25 juni j.l. haarfijn uitgelegd door Dirk Jan Snel op de Filosofie Scheurkalender:

De scepticus zal altijd geneigd zijn het bestaande te behouden zolang niet overduidelijk is dat de nieuwigheden die worden voorgesteld inderdaad beter zijn.

Ernst Heinrich Kossmann
in: Politieke theorie en geschiedenis (1987)

De scepticus twijfelt aan alles. Eigenlijk is het ook helemaal niet moeilijk om als scepticus te poseren, want je kunt nu eenmaal bij alles vragen stellen. Je ziet dan ook nog eens dat lieden die net de filosofie ontdekt hebben, scepsis als een soort trucje gebruiken; alles wat een ander zegt, voorzien ze van vraagtekens. Aldus denken ze dat ze het aureool van een zekere diepzinnigheid kunnen verwerven.
 
Maar de ware scepticus vraagt natuurlijk ook af of zijn scepsis wel gerechtvaardigd is. En vooral waar die toe leidt. Op het eerste gezicht lijkt radicale twijfel immers nogal destructief. Wat blijft er nog overeind, als je werkelijk alles betwijfelt? Maar als je dat eenmaal inziet, kan de redenering ook de andere kant opvallen: als alles in gelijke mate op losse schroeven komt te staan, is er ook geen reden om bepaalde zaken onder kritiek te stellen. (…) “De scepticus zal altijd geneigd zijn het bestaande te behouden zolang niet overduidelijk is dat de nieuwigheden die worden voorgesteld inderdaad beter zijn.”, betoogt Ernst Heinrich Kossmann in Politieke theorie en geschiedenis (1987) met de Schotse filosoof David Hume in gedachten.
 
Dirk Jan Snel op de Filosofie Scheurkalender

De scepticus zal altijd geneigd zijn het bestaande te behouden zolang niet overduidelijk is dat de nieuwigheden die worden voorgesteld inderdaad beter zijn. De scepticus wordt gemakkelijk conservatief. De dogmaticus echter wil verandering, naar links of naar rechts, naar voren of naar achteren, als progressief of als reactionair. Hij vindt geen rust in zijn wereld en, beheerst door zijn ongeduld, door zijn heimwee naar vroeger of zijn verlangen naar de toekomst, zoekt hij steeds verbeteringen en meent hij die op grond van zijn samenhangende inzichten te kunnen formuleren en doorvoeren.
 
uit: Politieke theorie en geschiedenis (p. 29) van Ernst Heinrich Kossmann.

Valmy, 20 september 1792

vandaag 224 jaar geleden: de kanonnade van Valmy

In augustus 1792 was Pruisen onder de militaire leiding van de hertog van Brunswijk begonnen aan een veldtocht vanuit Mainz richting Parijs. Het doel was om zo snel mogelijk korte metten te maken met het revolutionaire Frankrijk. Precies een jaar eerder hadden de Pruisen en de Oostenrijkers de Verklaring van Pillnitz ondertekend. Het was een intentieverklaring om militair in te grijpen als Lodewijk XVI, de koning van Frankrijk, zou worden bedreigd. Keizer Leopold II had een heel persoonlijke reden om deze verklaring te ondertekenen. Marie-Antoinette, de afgezette koningin van Frankrijk, was zijn zusje. Bovendien was de Franse Revolutie bedreigend voor hemzelf. De Girondijnen probeerden de revolutie namelijk te exporteren naar de buurlanden. In de winter van 1789/1790 waren in de Oostenrijkse Nederlanden (het huidige België) de Verenigde Nederlandse Staten uitgeroepen. Eind 1790 maakten de Oostenrijkers hier weer een einde aan, maar hadden nu aan den lijve ondervonden dat de revolutie kon overslaan.

Valmy 1792
Na de kanonnade van Valmy op 20 september 1792 trokken de geallieerden zich terug. Het was de eerste militaire zege van het revolutionaire Frankrijk.

Eind augustus 1792 trokken de Pruisen bij Longwy Frankrijk binnen. Begin september hadden ze de belangrijke vestingstad Verdun veroverd. In Parijs brak er paniek uit. De droom van vrijheid, gelijkheid en broederschap zou nu wel eens heel snel voorbij kunnen zijn. Vanaf dit cruciale moment begon de revolutie haar gruwelijke gezicht te laten zien. Uit angst dat de anti-revolutionairen in de gevangenissen een vijfde colonne zouden kunnen vormen, liet Danton toe dat het volk de gevangenissen bestormde. Tussen 2 en 6 september 1792 werden zeker elfhonderd gevangenen, onder wie 250 priesters en drie bisschoppen, door een volksjustitie op genadeloze wijze afgeslacht. Nog altijd werpen de Septembermoorden een pikzwarte schaduw over de lichte zijde van de Franse Revolutie.

Intussen bleven het Pruisische leger onder aanvoering van de Hertog van Brunswijk optrekken richting Parijs. Maar ten oosten van de stad Châlons-en-Champagne kwam het tot een keerpunt. Goethe was getuige. In zijn verslag Campagne in Frankrijk 1792 beschrijft hij het geluid van de kanonskogels die om zijn oren vliegen: “ruisende boomkruinen, klaterend water en fluitende vogels.” Goethe, kampioen in gevleugelde woorden, kreeg het op 20 september 1792 nadat ‘s avonds de kanonnen bij Valmy tot zwijgen waren gekomen, ook weer voor elkaar: “Hier en nu begint een nieuw tijdperk in de wereldgeschiedenis en jullie allen kunnen zeggen dat jullie getuige zijn geweest van de geboorte ervan.”

Goethe, kampioen in gevleugelde woorden, kreeg het bij Valmy ook weer voor elkaar: “Hier en nu begint een nieuw tijdperk in de wereldgeschiedenis en jullie allen kunnen zeggen dat jullie getuige zijn geweest van de geboorte ervan”.

Het leek alsof God zelf gesproken had, want de volgende dag werd in Parijs de Franse monarchie afgeschaft en de Eerste Franse Republiek uitgeroepen. Een dag later werd in heel Frankrijk een nieuwe kalender ingevoerd. Het was nu 1 vendémiaire van het Jaar I in plaats van 22 september 1792.

De Kanonnade van Valmy uit de film La Révolution française (1989)
De hertog van Brunswijk probeerde zijn troepen een flankerende beweging te laten maken om het leger van de Fransen heen richting Châlons-en-Champagne. François Christophe Kellermann doorzag dit echter, en draaide zijn leger met het Pruisische leger mee, zodat het gepositioneerd stond tussen Sainte-Menehould en Valmy. Door een grote artillerieaanval van de Fransen, gevolgd door een kleine infanterieaanval lukte het Kellermann en Charles-François Dumouriez om de Pruisen van een echte slag af te doen zien. Aan Franse kant vielen 300 doden, bij de Pruisen waren dit er 184. Deze ontmoeting bleek een keerpunt in de militaire campagne en ook een keerpunt in de geschiedenis.
 
Bron: nl.wikipedia.org

de god van Schelling

gelezen: Hoofdstuk IV over Friedrich Wilhelm Joseph Schelling
in Het Kwaad. het drama van de vrijheid (1997) van Rüdiger Safranski

SchellingDe Duitse filsoof Friedrich Wilhelm Joseph Schelling (1775-1854) was net als de Schotse filosoof David Hume een wonderkind die de centrale gedachte van zijn filosofische systeem al vóór zijn twintigste formuleerde. Schelling is een van de grondleggers en belangrijkste vertegenwoordigers van het Duits idealisme. Hij construeerde een identiteitsfilosofie waarin subject en object, denken en zijn, geest en materie slechts in schijn verschillende, maar in wezen identieke verschijningsvormen zijn van één enkele werkelijkheid. Zijn denken komt in de buurt van de oude Indische filosofie en mystiek waarin het Atman (Zelf) en Brahman (Kosmos) identiek zijn.

In Het Kwaad. het drama van de vrijheid behandelt Rüdiger Safranski in het vierde hoofdstuk Schelling‘s identiteitsfilosofie met betrekking tot het kwaad. Schelling zou de ondertitel van Safranski‘s boek helemaal onderschrijven: het kwaad is het drama van de vrijheid. Het is een kosmisch drama. In tegenstelling tot het postmoderne denken dat ons zo vertrouwd is, neigt het denken rond 1800 niet bepaald naar het kleine, maar juist naar het grote. Het Duits idealisme brengt nieuwe Grote Verhalen voort. “Schellings metafysische speculaties zijn vertellingen in begrippen. Het onheuglijke is kennelijk alleen narratief te verwerken.” schrijft Safranski.

Net als Spinoza vertrekt Schelling bij god. God is daarbij niet de persoonlijke God van de Bijbel, maar het alomvattende begrip van het hele zijn. God is dus niet alleen licht, maar ook duisternis. Voor Schelling heeft god een duistere kant. In god is een oorspronkelijke duisternis waaruit hij zich ontplooien moet zodat hij uiteindelijk tevoorschijn kan komen als een god van het licht. Het is een allesbehalve christelijke opvatting van God. In de Eerste Brief van Johannes lezen we namelijk: “Dit is wat wij Hem hebben horen verkondigen en wat we u verkondigen: God is licht, er is in Hem geen spoor van duisternis.”

Parallel aan het Grote Verhaal van de zondeval, ontwerpt Schelling een filosofische variant die hij “het verraad van de transcendentie” noemt.

Maar de jonge Schelling, die gevormd was door de enorme belangstelling voor Spinoza vanaf 1785, had zich bekeerd tot het pantheïsme en god was voor hem zowel licht als duisternis. De duisternis vatte hij daarbij niet op als de afwezigheid van licht, maar als de oergrond waaruit het licht tevoorschijn komt. In de god van Schelling bevindt zich daarom een duistere afgrond. De nog onvoltooide god die uit het duister oprijst en op weg is naar het licht, is voor Schelling de mens. Deze opgang is in vrijheid. De mens heeft de keuze tussen licht en duisternis, tussen goed en kwaad. Het drama van zijn vrijheid is zijn vrijwillige keuze voor het kwaad. Parallel aan het Grote Verhaal van de zondeval, ontwerpt Schelling een filosofische variant die hij “het verraad van de transcendentie” noemt. De mens wordt niet ontrouw aan Zijn Schepper maar aan zijn eigen geestelijke natuur.

Schelling en het verraad van de transcendentie
De mens wordt een verrader van het universele, omdat de angst voor het leven hem uit zijn eigen centrum drijft. Maar het centrum is de geest van de liefde, het verterende vuur waarvan hij de verwarmende nabijheid zoekt en waarvoor hij tegelijk terugdeinst om niet te verbranden. De mens zoekt de periferie van zijn wezen, hij is een excentrisch wezen, Het mijden van het centrum is het verraad aan de geest. Die perversie is bij Schelling de boven het louter morele uitgaande grondstructuur van het kwaad, en hij duidt daarmee op het schandaal dat het christelijke denken “de zonde tegen de Heilige Geest” noemt. Alleen is “de heilige geest” waartegen de mens zondigt zijn eigen geestelijke wezenscentrum. De mens is het metafysische dier, en als hij probeert dat af te leren, verraadt hij zijn eigen geestelijke natuur.
 
uit: Het kwaad. Het drama van de vrijheid (vert. Mark Wildschut)

De mens zoekt de periferie van zijn wezen, hij is een excentrisch wezen, Het mijden van het centrum is het verraad aan de geest.

Safranski over Schelling

De oude Schelling moest na 1840 dat verraad aan de geest, die verdrijving van de geest door de triomf van de materialistische wetenschap, nog zelf meemaken. Het idealisme werd “drooggelegd” en daarvoor kwam materialisme in de plaats. In zijn voordrachten uit 1841/42, die gebundeld werden in Philosophie der Offenbarung, keert hij terug naar de God van de Bijbel, die inbreekt in de geschiedenis. Vanuit zichzelf kan de mens zich niet verlossen en zinkt hij steeds dieper weg in materialisme. Safranski besluit het hoofdstuk over Schelling met: “De Philosophie der Offenbarung geeft het geloof weer het woord. Maar het is geen kinderlijk geloof, het is een geloof na de filosofische zeiltocht om de wereld.”

Kijken in de afgrond [ recensie van Michaël Zeeman uit 1998 in De Volkskrant ]
Het kwaad. Het drama van de vrijheid [ liberales.be ]