Categorie archief: geschiedenis

het lichaam als machine

Myologie Complette en Couleur et Grandeur Naturelle (1746)
anatomische prenten van Jacques Fabien Gautier d’Agoty

In 1746 verscheen in Parijs het boekwerk Myologie Complette en Couleur et Grandeur Naturelle met mezzotints van Jacques Fabien Gautier d’Agoty. Lichaamsdelen staan uitgestald als auto-onderdelen. Het komt overeen met de visie van de Franse arts en filosoof Julien Offray de La Mettrie die twee jaar later beroemd zou worden met zijn boek L’homme machine (1748) waarin gesteld wordt dat het menselijk lichaam een machine is.

Gautier d'Agoty
mezzotint uit Myologie Complette en Couleur et Grandeur Naturelle (1746)
D’Agoty was born in Marseille, and became a pupil of the painter and engraver Jacob Christoph Le Blon, with whom he became a rival for title of the invention of a method of an color-printing method based on etching and mezzotint engraving. He later exploited this process with his four sons: it is significant that he published a journal that included color printed images.
 
Gautier d’Agoty was elected a member of the Académie des Sciences, Arts et Belles-Lettres de Dijon, he teamed with the physician and anatomist Guichard Joseph Duverney to produce anatomical albums. Together with his son, Jean-Baptiste André Gautier-Dagoty, they produced a French Gallery and universal gallery of portraits of famous men and women, which only appeared in the first deliveries in 1770 and 1772. D’Agoty died in Paris.
 
Bron: en.wikipedia.org
Gautier d'Agoty
mezzotint uit Myologie Complette en Couleur et Grandeur Naturelle (1746)

Jacques Fabien Gautier d’Agoty (1716–1785) was de vader van de schilder Jean-Baptiste André Gautier-Dagoty (1740-1786) die vooral bekend werd door zijn portret van Marie-Antoinette uit 1775.

architectuur met een draai

Wat hebben Ben van Berkel (1959) en Francesco Borromini (1599-1667)
met elkaar gemeen?

stationshal ArnhemHet nieuwe Centraal Station van Arnhem is een fraai voorbeeld van sculpturale architectuur. Rechte lijnen hebben plaatsgemaakt voor gebogen lijnen en het geheel ziet eruit als een gestolde golf. Sculpturale architectuur is peperduur en wordt meestal toegepast in prestigeobjecten. Paviljoens op wereldtentoonstellingen vallen daar uiteraard ook onder.

Als je ervan uitgaat dat alle bouwkunst ooit begonnen is in een prehistorische grot, dan is sculpturale architectuur de oudste architectuur ter wereld. Maar als je in enger verband naar de oorsprong van sculpturale architectuur gaat kijken, dan kom je volgens mij uit in de zeventiende eeuw. De afwisseling van convex (bol) en concaaf (hol) vinden we niet in de bouwkunst van de Oudheid en Renaissance. Het is echt een uitvinding van de barok en deze uitvinding is op naam van één architect te schrijven: Francesco Borromini. Hij was de eerste die de klassieke bouwkunst vloeibaar maakte.

Francesco Borromini was de eerste architect die de klassieke bouwkunst vloeibaar maakte.
San Carlo
San Carlo voorgevel

Zijn meesterwerk is de San Carlo alle Quattro Fontane (1634 en 1677). Dit kleine kerkje in Rome zou een enorme invloed hebben op de bouwkunst van de late barok en het rococo. Pas na 1775 als er weer een strak lineair neo-classicisme in de mode komt, zouden de vloeibare vormelementen weer uit de bouwkunst verdwijnen. Ook voor de niet plastische kunsten had Borromini betekenis. In veel rococo prenten ziet de architectuur eruit als het beroemde horloge van Dali. Door de verbeeldingskracht worden de vaste vormen rond geslepen, net als in een rivier.

rocaille
Gravure omstreeks 1740 …net als een rivier slijpt de verbeeldingskracht de vaste vormen rond…
Van 1634 tot 1637 werkt Borromini aan zijn eerste zelfstandige opdracht, de reconstructie van de kerk van San Carlo alle Quattro Fontane (ook wel bekend als de San Carlino). De voorgevel zou veel later volgen, aan het einde van zijn carrière. Deze wordt door de San Carlino mooi begonnen en beëindigd. De kerk is gewijd aan San Carlo Borromeo, en dit kan mogelijk ertoe hebben geleid dat hij zijn naam in Borromini veranderde. De kleine kerk wordt beschouwd als een exemplarisch meesterwerk uit de Romeinse Barok.
 
Borromini voorkwam lineair classicisme en vermeed een eenvoudige ronde vorm, maar werkte liever met bijvoorbeeld rimpelende ovalen, octagonen (achthoeken) die vervagen naarmate men dichter bij de lantaren komt, de enige bron van licht in het donkere interieur. De kerk is klein van stuk; hij “ontwierp naar binnen en buiten golvende muren die er uit zagen alsof ze niet van steen gevormd waren maar van een soepele stof die in beweging was gezet door een energetische ruimte, met daarin de uitgehouwen entablaturen, kroonlijsten, met zich meedragend de uitgehouwen gedenktekens, de friezen en pedimenten
 
Bron: nl.wikipedia.org

Barok met een twist [ dekluizenaar.mimesis.nl ]

De lieveling van de dictator

naar aanleiding van Henk van Os over Ilya Repin
in de catalogus Repin – het geheim van Rusland (Groninger Museum)

In onze achterkamer hangt een reproductie van Die Toteninsel van Arnold Böcklin. Er zijn vijf versies van. Een van die versies werd in 1936 gekocht door Hitler. Hij hing het eerst op in de Berghof in Berchtesgaden en nam het in 1940 mee naar Berlijn waar hij het een plek gaf op zijn werkkamer in de Neue Reichskanzlei. Daar ging het tijdens de Slag om Berlijn in april 1945 verloren. Die Toteninsel is besmet geraakt. Het Wagneriaanse sprak de Führer aan. Moeten wij Die Toteninsel met Wagner en al die andere nazi-troep erbij dus maar niet in de vuilverbrander van de geschiedenis gooien?

Die Toteninsel
Die Toteninsel van Arnold Böcklin
Alte Nationalgalerie Berlin

Dictators lijden door megalomanie vaak aan een slechte smaak. Hitler en Stalin hielden bijvoorbeeld allebei van pompeuze gebouwen, en Stalin wilde daar het liefst nog een toefje slagroom bovenop. Net als in het Derde Rijk, keerde de officiële staatskunst van de Sovjet-Unie zich in de jaren twintig al af van de avant garde, die in de vrije westerse wereld juist als uiterst chique en smaakvol ervaren werd. Stalin hield de Russische kunstenaar voor dat hij een voorbeeld moest nemen aan de Drie Groten: Rembrandt, Rubens en Repin. Voor het kunstonderwijs in de Sovjet Unie werden deze schilders het equivalent van Rust, Reinheid en Regelmaat, de 3 R’en uit de didactiek. De Russische Revolutie bracht uiteindelijk dus geen revolutionaire kunst maar reactionaire kunst voort.

Natuurlijk is het onzin om een kunstenaar of een bepaalde kunst af te wijzen, omdat het ooit de lieveling van een dictator was. Wat mij betreft had Stalin het goed gezien dat Rembrandt, Rubens en Repin drie groten zijn en het is vergeeflijk dat hij Repin als de grootste van het drietal zag. Ook Hitler wist het Wagneriaanse Toteninsel van Böcklin op waarde te schatten. Ik kijk er zelf graag naar en zelfs naar Rubens, omdat er onder zijn baroksaus zoveel moois ligt.

Moeten wij Die Toteninsel met Wagner en al die andere nazi-troep erbij dus maar niet in de vuilverbrander van de geschiedenis gooien?

Toch werd de agenda van alle westerse kunst na 1945 vooral bepaald door de afkeer van het modernisme onder Hitler en Stalin. Realistische kunst was besmet geraakt en abstracte kunst kreeg de schijn mee onbezoedeld te zijn. Als Hitler en Stalin van abstractie hadden gehouden, was de kunst na 1945 waarschijnlijk een heel andere weg ingeslagen.