vanavond aflevering 1: Land in zicht
Wordt de nieuwe dertiendelige tv-serie over de Gouden Eeuw die de VPRO/NTR vanaf vanavond gaat uitzenden een nationale geschiedenisles of een verkapte inburgeringscursus? De programmamakers willen in deze serie de vaderlandse geschiedenis van de zeventiende eeuw als een spiegel voor het huidige Nederland houden. De kans is dus groot dat er in verleden en heden gespeurd gaat worden naar onze identiteit.
Had Maxima gelijk? En als hij/zij dan toch blijkt te bestaan, waar mag de Nederlander dan trots op zijn en waar moet hij/zij zich voor schamen? Staan de Hollandse tolerantie en de VOC-mentaliteit zwart-wit tegenover elkaar of zijn ze juist met elkaar vervlochten? En waar is eigenlijk de Hollandse domineesgeest gebleven in het post-christelijke Nederland?
Ze weten zich daarbij gesteund door het Wilhelmus, dat over een „vaderland„ spreekt en de troepen aanvuurt. Als auteur van het lied wordt Philips van Marnix van Sint Aldegonde genoemd, de rechterhand van opperbevelhebber Willem van Oranje. Dezelfde Marnix is in 1585 burgemeester van de hoofdstad van het opstandige gebied, Antwerpen, als die moet capituleren voor de Spanjaarden. Antwerpen verloren, Willem van Oranje kort daarvoor vermoord – de Opstand staat er beroerd voor. Wie kan vermoeden dat de noordelijke Nederlanden voor een Gouden Eeuw staan?
Bron: goudeneeuw.ntr.nl

Begin jaren zeventig verzamelde ik als achtjarige naast plaatjes van voetballers ook plaatjes van astronauten. Dat waren mannen met een brede glimlach en glimmend van trots in een onberispelijk ruimtepak, met de helm onder de arm of op de knie. Er stond meestal een vignet bij van hun missie: de maan en dan iets symbolisch, bijvoorbeeld een Amerikaanse visarend (11 en 16), de Griekse god Apollo (17) of een vliegende klipper (12). 

Sinds de negentiende eeuw zien we de schilderkunst van de achttiende eeuw in het algemeen als een verval van de schilderkunst van de zeventiende eeuw. In de tweede helft van de zeventiende eeuw gaat de onnatuurlijke gepolijste Franse stijl het realisme al verdringen. De schilderkunst tussen 1675 en 1775 is vooral een hofkunst, met name in Frankrijk onder het absolutisme. Tussen de smaak van de aristocratie en de smaak van de burgerij zit een wereld van verschil. Hier ligt ook een belangrijk deel van het antwoord waarom de Franse kunst van de achttiende eeuw meestal verder van ons afstaat dan de Hollandse kunst van de zeventiende eeuw. Het is de smaak van de burgerij tegenover de smaak van de aristocratie. Sinds de Franse Revolutie voelen we ons veel meer verwant met de burgers uit de Hollandse Republiek dan met de adel uit het ancien régime.
Een van deze getalenteerde lakeien was de rococoschilder François Boucher. Hij is bekend van zijn poezelige en zoete plaatjes van badende nimfen, naakte godinnen en spelende cupido’s. Voorstellingen die tegenwoordig zijn voorbehouden aan het poesiealbum of Daphne’s Diary. Het is met een grote souplesse geschilderd. Maar zijn talent blijft op de achtergrond wanneer we ons teveel storen aan zijn gekunsteldheid of zijn collaboratie met de rijken. Zo schreef de Griekse schilder en kunstcriticus Vassily Photiades (1900-1975) in 1963 over Boucher:














