Categorie archief: geschiedenis

the look of love

een rage uit de late achttiende en vroege negentiende eeuw in Engeland

Er zijn gelukkig nog steeds liefhebbers die hun blog helemaal wijden aan de achttiende eeuw. Ook in Nederland. Een daarvan is weyerman.nl met een dagelijks (!) stukje gerelateerd aan Jacob Campo Weyerman (1677-1747) en de achttiende eeuw. In februari las ik in een oogje op iemand hebben iets over een rage uit de achttiende eeuw. De Prince of Wales en latere koning George IV was in 1884 tot over zijn oren verliefd geworden op Maria Fitzherbert. In het geheim stuurde hij haar in 1885 een miniatuur van zijn oog op een broche.

ca 1830
Lover’s Eye ca. 1830

De symboliek was duidelijk: hij had zijn koninklijke oog op haar laten vallen. Blijkbaar had er toch iemand “gelekt”, want kort daarop begonnen in Engeland verliefde mannen in navolging van de koning hun Lover’s Eye weg te schenken in de vorm van een medaillon, broche, ring of snuifdoosje. Het paste helemaal in het sentimentalisme van die tijd. Dit voorjaar organiseerde het Birmingham Museum of Art de tentoonstelling The Look of Love over deze achttiende eeuwse rage uit Engeland.

ca 1790
Lover’s Eye ca. 1790
The genesis of lover’s eyes is a story of forbidden love. In 1784, the 21-year-old Prince of Wales became smitten with Mrs. Maria Fitzherbert, a Catholic widow. Under the Royal Marriage Act, the Prince could not marry without his father’s consent until the age of 25, and it was highly unlikely that King George III would agree to the heir to the throne marrying a Catholic widow. Mrs. Fitzherbert initially rebuffed the Prince’s advances, but after he staged a suicide attempt to demonstrate his despair, she gave in and accepted his proposal. The following day, she came to her senses and fled to the Continent, remaining there for more than a year. She hoped that her absence would quell the Prince’s feelings, but true to the old adage, it only made his heart grow fonder.
 
On November 3, 1785, the Prince wrote to Mrs. Fitzherbert with a second proposal of marriage. Instead of sending an engagement ring, he sent her a picture of his own eye, painted by the miniaturist Richard Cosway, writing, P.S. I send you a Parcel and I send you at the same time an Eye, if you have not totally forgotten the whole countenance. I think the likeness will strike you.“ Shortly thereafter, Mrs. Fitzherbert returned to England and married the Prince in a secret ceremony on December 15, 1785. Not long after their clandestine nuptials, Mrs. Fitzherbert (as she preferred to remain) commissioned Cosway to paint a miniature of her own eye for the Prince. The Prince of Wales„ token of affection inspired an aristocratic trend for exchanging eye portraits mounted in a wide variety of settings lasting the next few decades.
 
Bron: artsbma.org

Eye Miniatures [ imageevent.com ] | The Look of Love

het schuim van de droom

rococo, rocaille en de prenten van Jean Mondon le Fils uit 1736

De achttiende eeuw staat bekend als de Eeuw van de Rede. Het is de tijd waarin het absolutisme het uiteindelijk moet afleggen tegen de ideeën van de Verlichting die tenslotte in de Franse Revolutie hun politieke uitwerking krijgen. Tijdens het koningschap van Lodewijk XV raakt het (1715-1774) ancien régime vermolmd en wanneer in 1774 Lodewijk XVI aantreedt, is de Verlichting al tot in de donkerste hoeken van het absolutisme doorgedrongen.

rocaille
de 18e eeuw is niet alleen de Eeuw van de Rede maar ook de Eeuw van de Droom

In de achttiende eeuw ontwikkelt zich uit de zeventiende eeuwse barok een nieuwe stijl. Het is een soort lichte variant, een baroque light. Onder de naam rococo heeft deze stijl in de kunstgeschiedenis een plekje gekregen tussen de barok en het classicisme in het tweede en derde kwart van de achttiende eeuw. Rococo dankt zijn naam aan het rocaille, een schelpmotief. In de ornamentiek van de 16e en 17e eeuw zien we al voorlopers van het rocaille met name in cartouches in de heraldiek.

Prof. dr. J.H. van den Berg heeft er in Metabletica van God op gewezen dat het kwabmotief verwijst naar de vulva. In het rocaille is het in allerlei variaties aanwezig. Rococo was voor de rijken, die zich in een droomwereld uit de grauwe werkelijkheid hadden teruggetrokken. In de paleizen leefde de aristocratie zich uit in een fantasiewereld, die vaak erotisch getint was. De kleuren waren meestal zacht en vrij licht, met een voorkeur voor roze en zacht turquoise.

fresco in St. Nikolaus, GrossaitingenHet is verleidelijk om het kwabornament van het rocaille Freudiaans te interpreteren. Zelf zie ik het rocaille als “het schuim van de droom.” Iedereen die wel eens een kerkje met rococo-interieur in Oostenrijk of het zuiden van Duitsland heeft bezocht, herinnert zich de plafondschilderingen met “medaillons” waarin voorstellingen van heiligen geschilderd zijn. Deze Bild-inslen zijn omzoomd door wit rocaille. Omdat rocaille meestal asymmetrisch is en net als een fractaal breed uitgesponnen is, doet het denken aan opspattend schuim. Een van de mooiste stucwerken uit het rococo vind ik de weißer Saal van Antonio Bossi in de Würzburger Residenz.

Mondon le Fils 1736
weißer Saal van Antonio Bossi, 1744/45

Rocaille komt niet alleen voor in de plastische kunsten maar ook in de schilder- en tekenkunst. Vorige week ontdekte ik een serie gravures uit het boek Quatrieme Livre De Formes Ornées de Rocailles Cartels Figures Oyseaux et Dragons chinois ontworpen door Jean Mondon le Fils in 1736. Tot nu toe heb ik op internet nog weinig over hem kunnen vinden, behalve een aantal fascinerende prenten. Deze laten zien dat de achttiende eeuw niet alleen de Eeuw van het Verstand was, maar ook de Eeuw van de Droom.

Mondon le Fils 1736
Jean Mondon le Fils 1736
(gravure van Antoine Aveline)
Mondon le Fils 1736
Jean Mondon le Fils 1736
(gravure van Antoine Aveline)
Mondon le Fils 1736
Jean Mondon le Fils 1736
(gravure van Antoine Aveline)

Barok en Rococo in Beieren [ W&V ]

hier ligt Poot, hij is dood

Literatuurgeschiedenis van H.J.F.M.Lodewick
literatuurgeschiedenis.nl

LodewickIn 1979 kreeg ik in de vierde klas van het atheneum voor het eerst literatuuronderwijs. Op onze school gebruikten we de 34e druk van Literatuurgeschiedenis van H.J.F.M. Lodewick uit 1958. De drie delen (inclusief Literaire Kunst uit 1955) heb ik nog altijd bewaard en gebruik ik alweer dertig jaar als naslagwerk. Omdat ik de laatste tijd met de achttiende eeuw bezig ben, sloeg ik het boek weer eens open om de namen door te nemen van de achttiende eeuwse schrijvers en dichters die ik voor de boekenlijst moest leren (en lezen!)

De canon die Lodewick van de achttiende eeuw geeft, begint met “de laatste 17e eeuwer” Hubert Cornelisz. Poot, bij mij alleen nog bekend van het grafschrift van de Schoolmeester: “Hier ligt Poot, hij is dood.” Lodewick sluit de achttiende eeuw af met Willem Bilderdijk. Tussen Poot en Bilderdijk moesten we de volgende namen leren: Pieter Langendijk (1683-1756), Justus van Effen (1684-1735). Betje Wolff (1738-1804) en Aagje Deken (1741-1804), Hieronymus van Alphen (1746-1803) Rhynvis Feith (1753-1824) en Jacobus Bellamy (1757-1786).

Eind jaren zeventig vulden we onze boekenlijst graag helemaal met titels van Jan Wolkers, zoals na 1990 vooral boeken van Ronald Giphart en Herman Brusselmans bij scholieren op het menu staan. Maar we moesten ook stoffige literatuur lezen van vóór 1945. Daar werden uiteraard uitreksels voor gebruikt. Toch kreeg je op die manier nog een flinke scheut Vondel, Wolff en Deken of Hildebrand naar binnen. En dat was precies de bedoeling.

Arnold HoogvlietDe Literatuurgeschiedenis van H.J.F.M.Lodewick wordt al decennia lang niet meer gebruikt. De canon uit 1958 zal inmiddels gewijzigd zijn. Voor mijn generatie was literatuur van vóór 1900 vaak al onleesbaar, hoe zal dat dan wel niet zijn voor de Facebookgeneratie? In ieder geval hebben de jongeren van nu door het internet veel beter toegang tot ons literaire verleden dan wij destijds met Lodewick hadden. Ik nam eens een kijkje op literatuurgeschiedenis.nl en klikte de achttiende eeuw aan. Het rijtje dat ik in 1979 moest leren, is aanzienlijk langer. Voor mij onbekende namen als Arnold Hoogvliet, Hendrik Doedijns, Arend Fokke Simonsz, Jacob Haafner, Pieter Rabus, Cornelius Martinus Spanoghe, Jan Verlooy, Jacob Campo Weyerman, Pieter van Woensel en Jozef de Wolf komen voorbij. De achttiende eeuw krijgt voor mij zo weer wat meer profiel.

literatuurgeschiedenis.nl
literatuurgeschiedenis.nl

De achttiende eeuw in vijftien hoofdstukken [ literatuurgeschiedenis.nl ]