Het beeld van devotie en maagdelijkheid kunnen we tegenwoordig moeilijk nog zonder ironie bekijken. Maar bijna honderd jaar geleden werden vrouwelijke filmsterren vaak nog afgebeeld met een zalvende blik alsof ze voor een negentiende eeuws bidprentje model moesten staan. Dergelijke poses komen nu Middeleeuws of vals over. Hier trappen we dus niet meer in. Alleen vanuit een kinderlijke onschuld zouden onderstaande prenten nog zonder spot en ongeloof verteerd kunnen worden.

Plaatjes van filmsterren tot 1920 lijken soms op bidprentjes. Mary Pickford, de eerste filmster van Amerika was wereldberoemd door haar imago van het schattige meisje, ofschoon ze een jonge vrouw was. In een van haar ontelbare fotoshoots werd ze geportretteerd met witte leliën der onschuld, met een kuis gesloten mondje en een devote blik omhooggericht. Britney Spears zou lang na de seksuele revolutie nog maagdelijkheid veinzen, als publiciteitsstunt en als anachronisme. Het beeld van de mooie jonge maagd lijkt zijn geloofwaardigheid voorgoed verloren te hebben. Maar in het tijdperk van de stomme film werd er nog in geloofd, of deed men zijn best om er nog in te geloven. Zoals de foto’s van de zogenaamde ‘silent innocents‘ op 
Vorige week kocht ik een eerste druk van Geschichte der Philosophie van Karl Vorländer. Het eerste overzicht van de filosofiegeschiedenis, Kleine Weltgeschichte der Philosophie van Hans Joachim Störig uit 1950 (Nederlandse vertaling 1962), kocht ik tijdens mijn studie 25 jaar geleden. Störig moet het overzicht van Vorländer als uitgangspunt hebben genomen. Mijn eerste kennismaking met het overzicht van Vorländer is de inhoudsopgave en een vergelijking met de mij vertrouwde indeling van Störig dringt zich vanzelf op. Het eerste dat opvalt, is dat de geschiedenis van de filosofie aan geschiedenis onderhevig is.
Het verschil tussen beide indelingen zit vooral in de secundaire stromingen tussen 1840 en 1900. Johann Friedrich Herbart (1776-1841) wordt door Störig heel even genoemd, terwijl Vorländer nog twee paragrafen (13 bladzijden) aan zijn filosofie wijdt. (Ter vergelijking: Nietzsche krijgt slechts vijf bladzijden toebedeeld.) Friedrich Eduard Beneke (1798-1854) krijgt bij Störig drie regels, Vorländer gaf hem nog drie bladzijden. Eén ding is duidelijk: Herbart en Beneke waren in 1950 passé. En zo is het gebleven. Het neo-kantianisme waar Vorländer zelf een vertegenwoordiger van was, komt in zijn eigen overzicht uiteraard ruim aan bod (47 bladzijden). Störig wijdt krap acht bladzijden aan de neo-kantianen en schakelt daarna over op de filosofie van de twintigste eeuw en noemt bekende namen die bij Vorländer in 1908 uiteraard ontbreken: Edmund Husserl (1859-1938), Max Scheler (1874-1928), Arnold Gehlen (1904-1976), Karl Jaspers (1883-1969), Jean-Paul Sartre (1905-1980), Martin Heidegger (1889-1976), Bertrand Russell (1872-1970), Ludwig Wittgenstein (1889-1951) en Karl Popper (1902-1994).
Karl Vorländer over Immanuel Kant












