Categorie archief: geschiedenis

terug naar het oerverhaal [ 1 ]

25 jaar terug in mijn geschiedenis:
Mircea Eliade, Carl Gustav Jung en Anselm Kiefer

Mircea EliadeMet het lezen van het heilige en het profane uit 1957 van de bekende godsdienstwetenschapper Mircea Eliade (1907-1986 ) reis ik voor mijn gevoel weer 25 jaar terug in de tijd. Ik was begin twintig en voelde mij geestelijk ontworteld, een onderhuidse wanhoop die met religieuze honger beantwoord werd. Tijdens mijn studie aan de kunstacademie voelde ik mij vrij om aan de hand van geesten als Carl Gustav Jung en Mircea Eliade een spirituele reis te maken langs allerlei geestelijke tradities. Ik beschouwde hen als mijn gidsen op deze spirituele ontdekkingstocht.

Begin jaren tachtig was in de schilderkunst de figuratie terug van weggeweest en waren ‘jonge Duitsers’ en ‘jonge Italianen’ in de mode. De heftige en expressionistische schilderijen van deze jonge wilden waren meestal rauw geschilderd en daarmee verwant aan de subculturen van punk, grunge en graffiti. De enige nieuwe wilden die mij interesseerden waren Anselm Kiefer en Francisco Clemente. Naar mijn gevoel gingen zij inhoudelijk dieper dan de rest, juist omdat ze citeerden uit het verleden, bij voorkeur uit mythische verhalen. In het aanboren van Germaanse en Hindoeistische tradities brachten zij de tijdloze sapstroom weer omhoog. In diezelfde tijd las ik voor het eerst Man and his symbols van Carl Gustav Jung en gebruikte ik de universele beeldtaal van de archetypen ook bewust in mijn eigen tekeningen en schilderijen. Ik was ervan overtuigd dat een kunstenaar zijn eigen mythe schept. Religie moest opnieuw worden uitgevonden om waarachtig te kunnen zijn. Geïnstitutionaliseerde religie, met ons eigen Christendom voorop, vond ik niet authentiek. De toekomst was aan de esoterische, mystieke en mythische tradities die ik in mijn adolescente maakbaarheidswaanzin dacht te kunnen samensmeden tot een hoogst persoonlijke re-ligio, een blauwdruk van mijn ziel.

priester kunstenaar, 1916
laatste deel van het gedicht priester kunstenaar van Theo van Doesburg

Ik vond overigens wel dat dit met de nodige zelfspot moest gebeuren. Een hoogdravend ‘God in het diepst van mijn gedachten’ kon immers tot gevaarlijke zelfverheffing leiden. Een gedicht als priester-kunstenaar dat Theo van Doesburg in 1916 voor de Utrechtse schilder-mysticus Janus de Winter had geschreven, vond ik aantrekkelijk en afstotend tegelijk. Van Doesburg was overigens niet de enige die zo bralde in die tijd, onder kunstenaars zwangerde het van de Nieuwe Mensch die in het heldere licht van het modernisme geestelijk herboren moest worden. Uiteraard bedoelde men daar in de eerste plaats zichzelf mee. Dat de mythe van ‘de nieuwe Mensch’ een vruchtbare voedingsbodem voor foute ideologieën kon zijn, werd pas achteraf goed duidelijk. Zowel fascisme als communisme misbruikten de mythe van de nieuwe mens en van de moderniteit. Waarschijnlijk was Dada, een beweging die bewust anti-kunst nastreefde, een van de weinige bewegingen uit die tijd, die niet gevoelig was voor dergelijke aanlokkelijke gedachten. Als nuloptie had het dadaïsme geen idealen en ambities en dus ook niets te verliezen.

Ernst werd door de dadaïsten doeltreffend afgebrand met spot. ‘Nihil, nihil, driewerf nihil!’. De traditionele opvatting dat kunst het goede, het ware en het schone in zich verenigt, werd belachelijk gemaakt. De pop-art en later ook de punkbeweging hebben de anti-kunst van de dadaïsten in de twintigste eeuw voortgezet. Ideologie, grote verhalen en niet in de laatste plaats waarheid, kwamen na de 1945 onder sterke verdenking te staan. De klassieker The Open Society and its Enemies van Karl Popper uit 1945 zou een enorme invloed krijgen op het geestelijk klimaat na de Tweede Wereldoorlog. Op de weerlegging van theorieën zou een grotere nadruk komen te liggen dan op de bevestiging van theorieën. Betwijfelen van waarheid werd positiever dan het onderstrepen van waarheid. Het geestelijk klimaat werd na de oercatastrofe van de twintigste eeuw (1914-1945) steeds anti-dogmatischer en keerde zich daarmee van ‘de grote Waarheid’ af. Waarheid werd iets relatiefs en net zoiets individueels als de eigen mening.

Verwerping van ideologie en waarheid leek een veiliger optie dan bevestiging daarvan. En naarmate de meerderheid zich bij deze opvatting ging aansluiten, werd het een alsmaar veiliger optie. Spot bleek bovendien een doeltreffend middel om stellige opvattingen genadeloos af te branden. De geest van Dada bleef jonge mensen inspireren tot het cultiveren van een strategische nuloptie. Elke verheffende gedachte moest blijvend worden afgebrand met een methodisch en categorisch nihilisme. In de tweede helft van de jaren zeventig werden flower power en oosterse wijsheden door de punk afgekrabd of met spuitbussen overgespoten. No future! In dat klimaat kwam ik met een van de eerste lichtingen uit de Generatie X in 1983 naar de kunstacademie, terwijl er een schrijnende en vooral deprimerende jeugdwerkloosheid heerste.

De Duitse schilder Anselm Kiefer (1945) stond op dat moment erg in de belangstelling. In zijn werk verwees hij bijna altijd naar de Duitse geschiedenis en met een reflectie op de mythische dimensie van de Duitse identiteit, liet hij zien dat na Dada en pop-art de oude verhalen nog springlevend waren. In navolging van zijn ‘goeroe’ Joseph Beuys keerde hij zich af van het kosmopolitische modernisme dat na 1945 vooral uit New York kwam. De naoorlogse abstracte schilderkunst en ook de popart hadden zich in hun ogen teveel los gemaakt van plaats en tijd. In de drang naar universele geldigheid die het modernisme eigen is, had de moderne kunst zichzelf steeds verder uitgehold en, om met Simon Schama te spreken, was de kunst in de jaren zestig ontaard in “eindeloze pirouettes rond het heiligste der heiligen: de voorstellingstheorie.”

Net als Joseph Beuys legde Anselm Kiefer juist de nadruk op de innerlijke gelaagdheid en de interpretatie van het kunstwerk. Die gelaagdheid was vaak heel concreet. Bij Beuys en Kiefer zien we geen gladde en gelikte oppervlakten, zoals bij heel veel kunst uit de jaren zestig, maar juist rauwe en natuurlijke structuren, vaak half weggekrabd om de structuren daaronder bloot te leggen. Terwijl Beuys in zijn werk vaak verwees naar sjamanistische tradities, zocht Kiefer het eigen door de nazi’s besmette Duitse verleden op en onderzocht hij in zijn werk Germaanse en nationalistische mythen.

Anselm Kiefer
Anselm Kiefer markischer Sand, 1980

Een Duitse schilder die zo schaamteloos weer de aandacht vestigde op de mythe zoals die van Blut en Boden, werd met argusogen bekeken.Vooral de Boden werd er in zijn werk soms dik bovenop gelegd, zelfs letterlijk, want Kiefer verwerkte modder en stro in de rauwe verflaag. Op de kunstacademie noemde ik dergelijke kunst die toen erg in was spottend ‘zureregenkunst’. (‘Zure regen’ was tussen de Club van Rome en de Kyoto Conferentie een veel gebezigde term in de milieuproblematiek) Het woord paste precies bij het deprimerende klimaat van de eerste helft van de jaren tachtig. Maar dit als een persoonlijke herinnering even terzijde.

Wat bezielde Kiefer om in de linkse jaren van de Baader-Meinhoff Gruppe de ‘dark room’ van Duitse mythen op te te zoeken? Kiefer geloofde dat het gevaarlijk was de mythe compleet te negeren. Na 1945 was de Duitse geschiedenis die taboe geworden. Vanaf 1949 moest er met de Bundesrepublik een nieuw Duitsland komen, gezuiverd van mythen. Hij wilde met zijn werk aantonen dat deze zuivering ook risico’s met zich meedroeg. De Britse historicus Simon Schama ziet het zo:

Het was duidelijk dat Kiefer het niet eens was met de opvatting die opgang deed bij de empirische historici in de jaren zestig, dat het Dritte Reich een historische abberatie was die weinig of niets te maken had met de lange traditie van het Duitse militaristische autoritisme. Het zou natuurlijk goed uitkomen als de geweldadige mythen van Blut und Boden veilig geklasseerd konden worden als specifiek nazistisch, en het daarbij te laten. Maar Kiefer is een te consciëntieuze cultuurhistoricus om dat soort keurige klasseringen te dulden. Democratie, lijkt hij te zeggen, wendt haar gezicht af van deze mythen, en dat is gevaarlijk. Wie hun betovering wil verbreken, moet tot op zekere hoogte hun kracht van dichtbij begrijpen, misschien wel binnen besmettingsafstand.
 
Bron: Simon Schama, Landscape and Memory (1995), Ned. vertaling 2007, blz. 147
Innenraum, Anselm Kiefer
Anselm Kiefer Innenraum, 1980

Voor Kiefer was het veiliger om het gevaar op te zoeken ook al was er het risico om zelf besmet te raken. Gelukkig zag men in de kunstwereld dat dit wel meeviel. Het Stedelijk Museum kocht al heel snel zijn schilderij Innenraum aan, dat een desolate aanblik bood op het uitgemergelde interieur van die Neue Reichskanzlei in Berlijn. Toch was niet iedereen enthousiast over Kiefer’s thematiek. Je bezighouden met mythen, bleef voor hen spelen met vuur. Sommige kunstcritici zagen in hem zelfs een ‘pyromaan’.

Het hoeft geen betoog dat Kiefers onbetamelijke bereidheid met vuur te spelen hem de beschuldiging heeft opgeleverd dat hij de gretige pyromaan was. In Duitsland wordt hij nog steeds met onaangename argwaan bekeken, en een reizende tentoonstelling door de Verenigde Staten in 1988-89 werd niet met onverdeeld enthousiasme ontvangen. Arthur Danto verweet hem zelfs achterbaks te zijn, zich te wentelen in een soort zonderlinge Wagneriaanse cult, en reclame te maken voor de mystiek van Blut und Boden die hij juist beweerde af te keuren.
 
Ik ben ervan overtuigd dat Anselm Kiefer geen verkapte fascist is (of wat voor fascist dan ook). Maar ondanks alle prijzen die hij heeft gekregen in Jeruzalem en Tel Aviv, is het makkelijk te begrijpen waar de argwaan uit voortkomt. Want die heeft zich gehecht aan talloze kunstenaars en antropologen die op afstand hebben genomen van de scepsis van de Verlichting over de culturele kracht van mythe en magie, en die in de ingewikkelde symbolische detaillering meer hebben gezien dan een misleiding van de naïeven door de gewetenlozen. Het staat vast dat mythen verleidelijk zijn. Een angstaanjagend aantal mensen die hun leven hebben besteed aan het coderen, vertellen en uitleggen ervan, is zelf aangetast door hun betovering. De moderne carrieres van Mircea Eliade en Joseph Campbell zijn alarmerende waarschuwingen. Campbell, dankzij de televisie de bekendste mythograaf in Amerika, was, blijkt nu, niet alleen een kenner, maar ook een aanhanger van heroïsche archetypen, en had beslist weinig geduld met de dagelijkse pietluttigheden van de democratie. Eliade, ongetwijfeld de voornaamste interpretator van de mythe, blijkt bezwarend betrokken te zijn geweest bij de wrede autoritaire politiek in zijn geboorteland Roemenië. En achter hen strekt zich natuurlijk een lange rij aanhangers van archetypen uit, van Carl Gustav Jung tot Friedrich Nietzsche (…), die door hun betrokkenheid bij de mythe aangezet werden tot vijandigheid jegens het individualisme van de natuurlijke rechten, en de democratische politiek die dat beschermt.
 
Bron: Simon Schama, Landscape and Memory (1995), Ned. vertaling 2007, blz. 148
Het staat vast dat mythen verleidelijk zijn. Een angstaanjagend aantal mensen die hun leven hebben besteed aan het coderen, vertellen en uitleggen ervan, is zelf aangetast door hun betovering. De moderne carrieres van Mircea Eliade en Joseph Campbell zijn alarmerende waarschuwingen.

Simon Schama

Ook eerder genoemde Mircea Eliade en Carl Gustav Jung staan nog altijd onder sterke verdenking bij degenen die de mythe schuwen. Mythen zouden mythografen besmetten met een verlangen naar een sterke leider en een afkeer van pietluttig overleg en democratie. Relativisme is het aangewezen middel om krachtige ideëen, waarvan de mythen een voertuig zijn, af te zwakken. Maar relativisme kan zelf ook weer een absoluut karakter krijgen. De postmoderne waarheid dat dé Waarheid niet bestaat, maar dat ieder heeft zijn/haar eigen waarheid heeft, is mijns inziens een zeer gevaarlijke gedachte. Achter het doodverklaren van het Grote Verhaal zoals dat in het post-modernisme gebeurt, verbergt zich zelf ook weer een Groot Verhaal dat maar moeilijk gezien wil worden. Een volgende keer meer hierover.

wereldoorlog

gisterenavond gekeken naar De Oorlog deel 7 : Nederlands-Indië1942-1946
en vandaag is de Japanse aanval op Pearl Harbour 68 jaar geleden

Tijdens het kijken naar De Oorlog werd ik me er weer van bewust dat de wereldoorlog een nieuw fenomeen is in de geschiedenis. En zo ook de Volkerenbond en de VN (Verenigde Naties) die daaruit is voortgekomen. Lokale conflicten zijn er altijd al geweest, maar mondiale conflicten ontstaan door de globalisering en deze is met het Europese kolonialisme begonnen. Na 1945 kwam er een nieuwe wereldorde met de Verenigde Staten als aanvoerder van de vrije wereld. Kolonialisme is nu officieel voorbij maar wordt in feite voortgezet onder het neo-kolonialisme: het imperialisme van multinationals. De vlaggen van de koloniale mogendheid wapperen tegenwoordig niet meer overzee. Het zijn nu de logo’s van de multinationals.

stills uit De Oorlog afl. 7
stills uit De Oorlog deel 7

De dictaturen onder Hitler, Stalin en het Japanse Keizerrijk moesten vanuit hun ware aard het kapitalisme en de democratieën van Europa en de Verenigde Staten wel haten en werden min of meer in elkaars armen gedreven. Maar Rusland (na 1922 de Sovjet Unie) en Japan waren sinds 1905 bepaald geen vrienden meer. Dus was er eerst toenadering tussen de Sovjet Unie en Duitsland. Op 24 augustus 1939 hadden beide dictators een niet-aanvalsverdrag gesloten. Hitler en Stalin gaven elkaar daarbij in het geheim nog wat ‘cadeautjes’. Een week later ontketende Hitler met de inval in Polen een nieuwe oorlog tussen de Europese mogendheden. Stalin pakte op zijn beurt de gebieden in Oost-Europa die Hitler hem in het Molotov-Ribbentrop pact had toebedeeld.

Toen nazi-Duitsland in het voorjaar van 1941 zijn invloed uitbreidde tot in de Balkan, begon Stalin zich toch benauwd te voelen. In april 1941 sloot hij daarom een verdrag met de oude vijand Japan om zo een wig te drijven in het bondgenootschap tussen Duitsland en Japan. Als tegemoetkoming voor deze ‘vriendschap’ gaf hij het keizerrijk carte blanche in Oost-Azië. Japan profiteerde van het verdrag met de Sovjet-Unie en had nu de vrije hand in Oost-Azië en breidde zijn invloed ook uit over de Pacific. Daardoor zou er onvermijdelijk een conflict komen met de Verenigde Staten. Japan wachtte niet af en op 7 december 1941 ging het tot aanval over. Net als in 1917, toen de Verenigde Staten door de Duitse duikbotenoorlog bij de Grote Europese Oorlog werden betrokken, werden ze nu weer een oorlog ingetrokken. Alleen was het nu niet in de bufferzone van de Atlantische Oceaan maar in die van de Pacific. De Tweede Wereldoorlog was op 7 december 1941 een feit.

scene uit Pearl Harbour (2001)
Pearl Harbour 1941Pearl Harbour 7 december 1941
Om 12:02 werd de eerste aanvalsgolf van Japanse vliegtuigen opgemerkt door een Amerikaans radarstation. Dit waren de vliegtuigen die om 11:00 waren opgestegen vanaf de Japanse vliegdekschepen. Om 12:20 merkte een andere radar opnieuw deze golf vliegtuigen op, nu dichter bij de haven. De dienstdoende officier echter, legde dit angstwekkende beeld naast zich neer en waarschuwde niemand, waarschijnlijk omdat er op die dag een aantal B-17′s uit de VS gepland stond om te arriveren. Pas om 12:25 werd Kimmel bericht over het eerdere voorval met de onderzeeër, maar nog altijd werd er geen actie ondernomen. Alle schepen lagen in de haven voor anker en vormden zo een uitermate kwetsbaar doelwit voor de naderende vliegtuigen.
 
Om 12:49 ontvingen de Japanse piloten officieel toestemming voor de aanval; hierop viel de eerste Japanse aanvalsgolf om 12:55 Pearl Harbor daadwerkelijk aan vanuit het noordwesten. De tweede golf volgde ruim een uur later om 14:00. Zij vielen de haven aan vanuit het noordoosten.
 
Pearl Harbour 1941Om 14:45 waren er van de 96 schepen in de haven 18 gezonken of zwaar beschadigd. Ook 188 van de 394 vliegtuigen waren vernietigd en 159 andere beschadigd. In totaal vonden 2403 militairen de dood als gevolg van deze aanval. Er vielen 1178 gewonden. Het hoge aantal doden werd voornamelijk veroorzaakt door het zinken van het slagschip de USS Arizona. Bij de ondergang van dit schip vonden namelijk 1177 mensen de dood.
 
Bron: nl.wikipedia.org

Bekijk de uitzending | de aanval op Pearl Harbour [ nl.wikipedia.org ]

Rogier

De tentoonstelling De Passie van de Meester is vandaag afgesloten
vrijdag bezochten we deze in Museum M in Leuven

Rogier van der WeydenBourgondiëwas 550 jaar geleden de machtigste staat van Europa en de schilder Rogier Van der Weyden was een echte superstar. De tentoonstelling De Passie van de Meester die vandaag in Museum M in Leuven is afgesloten en die we vrijdag bezochten, heeft duidelijk laten zien dat Rogier van der Weyden nog steeds levend is en honderdduizenden bezoekers weet te trekken. Ook de geest van het hertogdom Bourgondië blijkt nog volop aanwezig en bevestigt de gemeenschappelijke wortels van de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden. De tentoonstelling over Rogier van der Weyden in het splinternieuwe museum M in het oude centrum van Leuven werd bijvoorbeeld geopend door de prinsessen Mathilde en Maxima. Bourgondiëforever. Waarbij wel de dominantie van de Brabantse en Vlaamse steden genoemd moeten worden, die in het huidige koninkrijk Belgiëliggen. Een van die steden is tegenwoordig hoofdstad van Europa. De stad van meester Rogier is nog altijd het zwaartepunt van Europa.

In het nabijgelegen Leuven schilderde hij een van zijn meesterwerken, de kruisafname in 1435. Helaas is het weggekocht en hangt het alweer honderden jaren in Madrid. Wanneer Karel de Stoute een mannelijke erfgenaam had gehad, dan zou het hertogdom Bourgondië in 1477 niet zijn opgeslurpt door de Habsburgers. Toen Karel de Stoute in 1477 op het slagveld stierf en Maria van Bourgondië later dat jaar trouwde met Maximilliaan van Oostenrijk was het in feite gedaan met het hertogdom. Veel Bourgondische kunst verdween daarna definitief naar het buitenland, waaronder Rogiers kruisafname. Een kleinere kopie bleef wel in Leuven achter en hangt permanent in de Sint Pieterskerk.

De schilderkunst der vijftiende eeuw ligt in de sfeer, waar de uitersten van het mystische en het grof aardsche elkander raken. Het geloof, dat hier spreekt, is zoo onmiddellijk, dat geen aardsche verbeelding er te zinnelijk of te zwaar voor is. Van Eyck kan zijn engelen en goddelijke figuren behangen met de zware praal van stijve gewaden, druipende van goud en steenen; om naar omhoog te wijzen behoeft hij nog niet de fladderende slippen en spartelende beenen der barok. ( Bron: Johan Huizinga, Herfsttij der Middeleeuwen, XII )

Bourgondië
De Bourgondische Nederlanden bij de dood van Filips de Goede in 1467 De Koninkrijken Nederland en Belgiëzijn latere constructies, zoals het hertogdom Bourgondiëook een tijdelijke constructie was

Op de terugweg spraken René en ik nog na o.a. over de tronie van Filips de Goede die van 1419 tot 1467 hertog was van Bourgondië. We kennen zijn kop nu door het portret dat meester Rogier van hem schilderde en waarin de loop der tijd talloze kopieën van zijn gemaakt. Hij was de machtigste heerser van zijn tijd. “Wanneer God uit de hemel zou nederdalen, zou men Hem niet meer eer kunnen bewijzen dan aan Filips de Goede”, werd wel eens gezegd. Zijn bibliotheek van 900 geïllustreerde handschriften was even indrukwekkend als zijn banketten. In een Leuvense delicatessenwinkel kocht ik voor Michaela een pastei om de legendarische pastei van Filips de Goede uit 1453 in de herinnering te houden. Alleen was dat pasteitje een stuk groter en speelde er volgens de ene bron een orkest van 14 man in maar volgens een andere bron waren het er 28. Waarschijnlijk had die bron een vaatje Bourgogne te veel op.

Filips de Goede“Eigenlijk ken ik helemaal niemand met zo’n gezicht”, merkte René op. Van Eyck en Van der Weyden behoorden tot de eerste schilders die de nadruk legden op de individuele kenmerken van hun opdrachtgevers. Ze waren trouw aan de werkelijkheid en dus realisten in hun benadering. Tegelijkertijd legt het zelfbeeld van opdrachtgevers ook een gewicht in de schaal, waardoor de balans gemakkelijk doorslaat naar een geïdealiseerd portret. Filips de Goede wilde zo een waardig beeld bij zijn geïdealiseerde naam. Edele trekken dus. Of een rechtschapenheid die ervan afdruipt? De hertog had de integriteit blijkbaar hard nodig. ‘Voor jou geen ander’ beloofde hij Isabella van Portugal bij hun huwelijk, maar intussen zijn er minstens 33 namen van zijn maîtresses bekend en bracht hij zeker 24 onwettige kinderen voort. Zijn bastaardzonen kregen van pa uiteraard een hoge positie. Anton van Bourgondië die ook door meester Rogier geportretteerd is, was een vooraanstaand militair en voerde de titel Grootbastaard van Bourgondië. Voor David, een van zijn andere onwettige zonen, kocht Filips bij de paus voor 4000 gouddukaten de bisschopszetel van Utrecht waarmee ook het bisdom Utrecht onder de Bourgondische invloed kwam. Macht en geld corrumperen, of je nu hertog van Bourgondiëbent of paus van Rome.

Rolin Van Eyck en Van der Weyden
kanselier Nicolas Rolin een van de machtigste mannen van het Bourgondische Rijk in 1435 door Van Eyck en 15 jaar later door Rogier van der Weyden

De portretten van Rogier van der Weyden zijn dus geïdealiseerd ook al lijken ze in eerste instantie realistisch. Jan van Eyck die al in 1441 stierf, was een stuk trouwer aan de werkelijkheid. Dat kun je bijvoorbeeld zien bij twee portretten van kanselier Nicolas Rolin, die door beide schilders vereeuwigd werd. Rogier deed het in 1450 en Van Eyck 15 jaar eerder. Ook Rogiers portret van Anton, de Grootbastaard Bourgondië, kunnen we vergelijken met een ander portret van deze persoon geschilderd door Hans Memling. De laatste was trouwer aan de waarneming. Of hij kreeg gewoon minder betaald voor zijn portret.

Anton van Bourgondië
Anton van Bourgondië geschilderd door
Hans Memling en Rogier van der Weyden
Filips de Goede was al een machtig man toen hij in 1430 zijn neef Filips van Sint Pol opvolgde als hertog van Brabant. Hij bezat toen reeds het hertogdom Bourgondiëen de graafschappen Vlaanderen, Artesiëen Namen. Nadat hij hertog van Brabant was geworden werd hij ook nog hertog van Limburg, graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen en hertog van Luxemburg.
 
Zijn betekenis voor de geschiedenis van de Nederlanden is groot vooral door zijn aanzet tot het instellen van centrale bestuurslichamen. In de eerste plaats de Staten Generaal die in 1464 voor het eerst in Brugge bijeen kwam; in de tweede plaats de Grote Raad die een centrale rechtspraak mogelijk moest maken. Ook voerde hij een centrale belastinginning in. Hoewel hij als hertog veel persoonlijk belang had bij deze instellingen en ze vooral in zijn eigen voordeel gebruikte, zouden ze mettertijd het gevoel van eenheid onder de Nederlandse gewesten versterken.
 
Bron: thuisinbrabant.nl

‘s levens felheid [ woest & vredig ]