Afgelopen maandag werd de Canon van Nederland gepresenteerd, die bestaat uit vijftig vensters waardoor de Nederlander zijn nationaal zelfbewustzijn bij elkaar kan gluren. Door het vijfde venster kijken we naar het ontstaan van de Nederlandse Taal

Deze regels werden omstreeks het jaar 1100 als pennenproef neergeschreven door een Vlaamse monnik die in een Engels klooster verbleef. Zijn dagelijks leven was grotendeels gevuld met het overschrijven van Latijnse en Oudengelse teksten. Af en toe moest hij de ganzenveer waarmee hij schreef aanscherpen. Op de laatste bladzijde van het boek dat hij aan het maken was, probeerde hij uit of zijn pen weer goed schreef, alvorens verder te werken. In zo’n geval schrijf je vaak het eerste dat je te binnen schiet. Bij onze monnik was dat een liefdesversje dat hij nog uit zijn jeugd in Vlaanderen kende: Hebban olla vogala. En daarmee verschafte hij de Nederlandse literatuurgeschiedenis een romantisch begin.
Bron: literatuurgeschiedenis.nl
De canon verwijst naar de prachtige site over Middeleeuwse literatuur met een mooie interactieve kaart van de Lage Landen omstreeks 1300 en een uitgebreide tijdbalk van de periode 1000-1500.
Geboren in 742, volgde Karel in 768 Pippijn de Korte op als koning van de Franken. De eerste drie jaar deelde hij het bewind met zijn oudere broer Karloman, maar door diens vroegtijdige overlijden werd Karel alleenheerser. Allereerst richtte Karel zijn blik op de Longobarden. Daar was in het begin geen vuiltje aan de lucht – Karel was zelfs gehuwd met de dochter van hun koning Desiderius. Maar toen deze in 773 dreigde de Kerkelijke staat binnen te vallen, verstootte Karel zijn vrouw en trok met een leger naar Italië. Hij versloeg er de Longobarden in een blitzkrieg, kroonde zich te Pavia tot hun koning en annexeerde hun gebied. Enkele latere opstanden dwongen hem er in 781 evenwel toe om het te erkennen als autonoom koninkrijk, zij het onder het bewind van zijn zoon Pippijn. De Kerkelijke staat werd gehandhaafd, maar stond voortaan onder Frankisch protectoraat.
Na zijn benoeming als archivaris in Nijmegen groeide bij Albert Delahaye de overtuiging, dat er iets mis was met het Karolingische karakter van de zogenaamde keizer Karelstad. De eerste twijfel werd opgeroepen door de plaats van het zogenaamde Karolingisch paleis en het daaraan verbonden Valkhof, dat buiten de stad lag. Dat was geen Karolingische stad met het paleis in het centrum, maar een Duitse stad, waarbij het paleis, zoals in Nijmegen, buiten de stad lag. Al snel kwam de verwarring met Noyon (ook Noviomagus geheten) boven tafel. Bovendien vertoonde de archeologie een totaal gemis aan Karolingische vondsten, terwijl er volop Romeins is gevonden. En dat terwijl de Karolingische periode er langer geduurd zou hebben dan de Romeinse aanwezigheid.












