Categorie archief: 18e eeuw

vergeten radicalen [ 1 ]

gelezen: de proloog van Het verdorven genootschap
De vergeten radicalen van de Verlichting
van Philipp Blom

Het verdorven genootschapVrijdag kocht ik de Nederlandse vertaling van A wicked company van de Duits-Engelse historicus Philipp Blom. Al in de proloog wordt duidelijk dat hier niet alleen een historicus aan het woord is maar ook een man met een missie. Blom is geen vriend van het christendom en zijn affiniteit met de Verlichtingsfilosofen Paul Henri Thiry baron d’Holbach (1723-1789) en Denis Diderot (1713-1784) is daarom geen verrassing.

De titel Het verdorven genootschap is uiteraard ironisch en verwijst naar de veroordeling uit de achttiende eeuw: de materialistische filosofie die in de salon van Baron d’Holbach gepraktiseerd werd, was in de ogen van tijdgenoot gevaarlijk en verdorven. Met de ondertitel De vergeten radicalen van de Verlichting geeft Philipp Blom aan dat zijn bewonderde filosofen nog steeds niet de plaats hebben gekregen die ze verdienen. Ze worden nog altijd overschaduwd door Voltaire en Rousseau en daar moet deze historicus niets van hebben. Vooral van Rousseau heeft hij een afkeer: “Rousseau is als denker een stuk origineler en belangrijker (dan Voltaire, W&V), maar ook veel kwaadaardiger, egoïstischer en zelfdestructiever, en verder is hij een dwangmatig leugenaar.”

Met Het verdorven genootschap wil Blom de lezer terugbrengen naar de zuivere Verlichting, voordat deze vertroebeld werd door het romantische en religieuze verlangen van Rousseau.

In de proloog treedt Philipp Blom naar voren als een pleitbezorger van het materialistische en atheïstische denken van d’Holbach en Diderot in de eenentwintigste eeuw, een denken dat volgens hem nog steeds springlevend en aantrekkelijk is en voor onze tijd hoogst actueel. Hij sluit zijn proloog af met wat je een atheïstisch credo zou kunnen noemen: de overtuiging dat een mensheid die zich baseert op menselijkheid en wetenschap, een betere wereld zal voortbrengen dan een mensheid die zich baseert op religie. Met Het verdorven genootschap wil Philipp Blom de lezer terugbrengen naar de zuivere Verlichting, voordat deze vertroebeld werd door het romantische en religieuze verlangen van Rousseau.

Rue des moulins
De salon van baron d’Holbach werd gehouden op nummer 10 in de Rue des Moulins.

HolbachIedere donderdag en zondag hield baron d’Holbach open huis. Bij deze diners schoven vele beroemdheden en vrienden aan, zoals d’Alembert, J-J. Rousseau, Helvetius, en buitenlanders zoals Friedrich Melchior Grimm, Adam Smith, David Hume, Laurence Sterne, Ferdinando Galiani, Cesare Beccaria, Joseph Priestley, Horace Walpole, Edward Gibbon, en David Garrick. Tijdens deze ontvangsten werden de artikelen van de Encyclopédie geredigeerd. D’Holbach redigeerde er zelf zo’n 376. De woning was in de toenmalige Rue Royale Saint Roch, die thans Rue des Moulins heet. Hij is begraven in een anoniem graf in de nabijgelegen Église Saint-Roch.
 
Bron: nl.wikipedia.org

il faut cultiver notre jardin

gelezen: De Verlichting als kraamkamer door Jabik Veenbaas

De Verlichting als kraamkamerIn het laatste hoofdstuk van De Verlichting als kraamkamer lost Jabik Veenbaas de belofte in, zoals deze wordt uitgesproken in het tweede deel van de ondertitel: over het tijdperk en zijn betekenis voor het heden.

Hij begint met Dialektik der Aufklärung uit 1944 van Max Horkheimer en Theodor Adorno. Dit invloedrijke neomarxistische geschrift klaagt de Verlichting aan als de generator van meedogenloos totalitarisme. De totalitaire ideologieën die in de eerste helft van de twintigste eeuw zo vernietigend waren voor onze beschaving, zouden hun oorsprong vinden in het dogmatisme van late Verlichtingsdenkers als Kant, Turgot en Condorcet. Zij stelden een religieus vertrouwen in de Rede als fundament van de Deugd. De Verlichting werkte zich in het laatste decennium van de achttiende eeuw in Frankrijk uit tot een politieke religie met vreselijke gevolgen.

Onder de Jakobijnse dictatuur werden omgedoopt in tempels van de Rede. In juni 1794 werd in Parijs zelfs de Cultus van het Opperwezen gevierd met Robespierre als hogepriester. Twee dagen na deze viering werd de beruchte Wet van de 22ste Prairial aangenomen, die in principe iedere burger tot een potentieel staatsgevaarlijke persoon maakte die zonder proces onder het nationale scheermes terecht kon komen. De grande terreur was begonnen.

Dialektik der AufklärungHet is niet moeilijk om een lijn te trekken van het dogmatisch rationalisme van de Verlichting naar het schrikbewind van Robespierre en dan verder naar Stalin, Hitler en Mao. Maar een dergelijke j’acuse doet de Verlichting natuurlijk onrecht. Dat is ook het bezwaar van Veenbaas tegen de tunnelvisie van Horkheimer en Adorno. Met Dialektik der Aufklärung hadden ze enorm veel invloed op de naoorlogse generaties, met name die van 1968, en bepaalden ze voor decennia ons negatieve beeld van De Verlichting: als de kraamkamer van een duivelskind.

Maar de Verlichting is ook de kraamkamer van de mensenrechten, van de burgerlijke rechtsstaat en de moderne democratie, van de medische vooruitgang en van vrouwenrechten. Het afwijzen van de Verlichting betekent daarom ook het afwijzen van al die zaken die voor de samenleving, en dus voor ons leven, de afgelopen 250 jaar een enorme verbetering zijn geweest. Het is even dwaas om de tunnelvisie van Robespierre te volgen als die van Horkheimer en Adorno.

Waar Veenbaas de lezer bij terug wil brengen, is het besef dat we als onafhankelijk denkende individuen allemaal zijn voortgebracht door de kraamkamer van de achttiende eeuw. De moordende twijfel van David Hume is onze twijfel geworden en in het romantische verlangen van Rousseau herkennen we direct onszelf. Ook het optimisme van Immanuel Kant kunnen we nog altijd delen: Onder de onmetelijke sterrenhemel voelen we onszelf weliswaar nietig maar in ons hart vinden we ook nog altijd de menselijke waardigheid waarmee we boven de vergankelijke materie uitstijgen.

Als de Verlichting een licht werpt in de duisternis, dan opent het ook afgronden. In hoofdstuk 2 (crisiservaringen) laat Veenbaas het voorspel van de Verlichting beginnen met de methodische twijfel van Descartes. Maar bij de rationalist Descartes is er tenslotte de Rede die iedere twijfel uit de weg ruimt. Honderd jaar later, bij David Hume, duikt de twijfel opnieuw op. Maar ditmaal valt ze de Rede in het hart aan en de fundamenten van het rationalisme houden geen stand meer. Bij Hume leidde dit tot een diepe persoonlijke crisis. Met het onderuithalen van het substantiebegrip en de causaliteit bleek er geen ankerplaats meer te bestaan. Hume had met zijn Treatise of Human Nature (1739-40) de sceptische noodtoestand uitgeroepen.

Veenbaas lijkt een positie in te nemen ergens tussen de scepsis van Hume en de hybris van Condorcet, tussen een praktisch naturalisme en een gematigd vooruitgangsoptimisme. Wat ethiek betreft lijkt hij te neigen naar het waarderelativisme van De Lamettrie. In het hoofdstuk over zijn Discours sur le bonheur (1748) uit hij duidelijk zijn bewondering voor De Lamettrie, zonder daarbij te vermelden wat de verschrikkelijke gevolgen kunnen zijn van het op losse schroeven zetten van de moraal. Vanuit het materialistische mensbeeld van De Lamettrie kunnen goed en kwaad niet meer gefundeerd worden in religie, maar ook niet meer in de Rede. Kannibalisme wordt dan een kwestie van smaak. Gelukkig maakt hij in het laatste hoofdstuk wél duidelijk dat we ons met de ethiek van De Lamettrie op glad ijs begeven. Wanneer we goed en kwaad koppelen aan lust en onlust, dan ligt het sadisme van Markies de Sade (die hij behandelt in hoofdstuk XVI) direct om de hoek.

il faut cultiver notre jardin
il faut cultiver notre jardin

Veenbaas besluit zijn boek met het beroemde devies van Voltaire aan het einde van Candide (1759) “il faut cultiver notre jardin”, Laten we onze tuin bewerken. Hij legt het als volgt uit: “laten we het bescheiden en overzichtelijk houden en laten we ons niet in valse pretenties verliezen. Maar het betekent ook: laten we onze aardse kansen benutten.” Dit zou aan het begin van de eenentwintigste eeuw onze omgang met de Verlichting kunnen zijn. Helemaal in de geest van de postmoderne bescheidenheid noemt Veenbaas het licht dat van de turbulente eeuw der Verlichting uitgaat “het kleine, klare licht”.

radicaal materialisme

gelezen: hoofdstuk VIII provocateur en profeet
in De Verlichting als kraamkamer door Jabik Veenbaas

De Verlichting als kraamkamerJulien Offray De Lamettrie (1709-1751) is vooral bekend geworden door l’homme machine uit 1747 waarin hij de mens, zoals de titel al laat raden, beschouwt als een machine. Volgens het mechanische wereldbeeld van de zeventiende eeuw, was niet alleen de kosmos maar ook het menselijk lichaam een (uiterst complex) mechanisme. Het nieuwe inzicht van De Lamettrie was dat hij niet alleen het menselijk lichaam een machine zag, maar ook de menselijke geest. Hij nam nadrukkelijk afstand van de res cocitans, de denkende substantie van Descartes en de rationalisten. Bij De Lamettrie zien we het begin van een radicaal materialisme dat in de negentiende eeuw verwoord zal worden door Jakob Moleschott (“Ohne Phosphor kein Gedanke”) en in onze tijd door Dick Swaab (“De ziel is een misvatting”)

Maar Jabik Veenbaas behandelt in hoofdstuk VIII provocateur en profeet van De Verlichting als kraamkamer een ander geschrift van De Lamettrie. Discours sur le bonheur verscheen een jaar na l’homme machine en gaat over ethiek. De auteur zag het zelf als zijn belangrijkste bijdrage aan de filosofie. Ook met dit werk maakte hij zich niet geliefd. Veenbaas merkt op dat zelfs Frederik de Grote, die juist bekend stond als de “parmantige beschermheer der vrijdenkers” het boek verbood. Wat was er zo controversieel aan Discours sur le bonheur?

De Lamettrie vraagt zich af wat er van de ethiek over blijft wanneer de natuur het voor het zeggen heeft. Specifieker: hoe moeten we over goed en kwaad denken wanneer we ervan uitgaan dat de mens een machine is? De uiterste consequentie van dit mensbeeld, is dat al onze gedachten en gevoelens, ook de meest verhevene en verfijnde, het eindproduct zijn van een bijzonder complexe chemische fabriek. We kunnen ons dan niet meer beroepen op een ziel of op een hart waarin God tot ons spreekt.

Hoe moeten we over goed en kwaad denken wanneer we ervan uitgaan dat de mens een machine is?

Het onderscheid tussen goed en kwaad is volgens De Lamettrie te herleiden tot de ervaring van lust en onlust. Omdat genot en pijn nooit absoluut zijn, zijn goed en kwaad dat volgens hem ook niet. Zo komt hij tot een ethisch relativisme dat onze postmoderne tijd aanspreekt, maar in de verlichte achttiende eeuw veel weerstand ondervond. Want ook al werd tijdens de Verlichting de godsdienst niet langer als bron van de moraal beschouwd, de nieuwe heilige graal was de Deugd.

de Lamettrie
Julien Offray de Lamettrie

Veenbaas noemt De Lamettrie een profeet omdat hij al vooruitloopt op Darwin en Nietzsche Met l’homme machine wordt het absolute onderscheid tussen mens en dier gradueel en wordt de mens een dier onder de dieren. En in Discours sur le bonheur ondermijnt hij onze verheven ethische beginselen en maakt goed en kwaad relatief. Veenbaas dekt zijn bewondering voor De Lamettrie niet toe en prijst zijn moed: “Vergeleken bij De Lamettrie zijn alle filosofen pantoffelhelden”.

Het is jammer dat Veenbaas niet laat zien wat de uiterste consequenties van het materialistische mensbeeld van De Lamettrie kunnen zijn, omdat dan vanzelf duidelijk wordt waarom zijn visie zoveel verzet oproept. Het radicale materialisme van De Lamettrie maar ook het radicale scepticisme van Hume liggen in onze tijd heel dichtbij. De verwarring en twijfel die hun denken oproept, is onder de onder de huid gekropen. Het geeft ons een ongemakkelijk gevoel, maar tegelijkertijd wordt het gekoesterd als de jeuk die bij het moderne levensgevoel hoort.