Categorie archief: 19e eeuw

De Salon van 1879 [ 1 ]

gelezen in Écrits sur l’art van Joris-Karl Huysmans
L’Art moderne (1883), Certains (1889) en Trois Primitifs (1905)

Een van de aangename aspecten van de verleden tijd is voor mij de overzichtelijkheid. Het verleden lijkt tot stilstand gekomen en blijft onbeweeglijk voor mij liggen zodat ik het kan onderzoeken. Het ordenen en archiveren hebben anderen al voor mij gedaan. Daarbij is bijna alles onder de oppervlakte verdwenen en “vergeten”. Slechts een deel van de ontelbare namen uit het verleden is boven komen drijven, de rest is weggezakt in vergetelheid. De tijd heeft de bekende namen van de naamlozen geschift.

Toen ik in de jaren tachtig op de kunstacademie zat, gebruikten we bij kunstgeschiedenis A History of Art uit 1962 van H.W.Janson als naslagwerk. Dit boek presenteert een canon, een selectie van kunst en kunstenaars uit het verleden die in 1962 relevant of representatief werden gevonden voor historische periodes. De reikwijdte van mijn historische kennis en mijn visie op schilderkunst zijn in die jaren sterk door de canon van Janson bepaald. Toen Janson in 1962 zijn overzicht publiceerde, heerste er nog een utopisch modernisme dat werd gezien als het eindpunt van een lineaire historische ontwikkeling. Een specifieke groep schilders uit de negentiende eeuw werd door Janson vooral gezien als wegbereider van de moderne kunst. Doordat hij door de bril van het modernisme naar het verleden keek, werden de kunstenaars uit de negentiende eeuw vooral beoordeeld op hun vernieuwende kwaliteiten.

Janson 1962
mijn Nederlandstalige uitgave van A History of Art van H.W. Janson kocht ik in 1986
Toen Janson in 1962 zijn overzicht publiceerde, heerste er nog een utopisch modernisme dat werd gezien als het eindpunt van een lineaire historische ontwikkeling.

Zo kwam er een scheiding tussen salonkunst en moderne kunst, waarbij de salonkunst gezien werd als de gevestigde orde die door een avant garde omvergeworpen moest worden. De impressionisten waren (en zijn nog altijd) helden vanuit de opvatting dat moderne schilderkunst nieuwe visies moet openbaren. Van het impressionisme werd het spoor tot in de eerste helft van de negentiende eeuw terug gevolgd. Turner, Corot en Jongkind zouden wegbereiders zijn geweest van een revolutie in de schilderkunst. En vanuit dat impressionisme werden lijnen doorgetrokken tot in de eerste decennia van de twintigste eeuw. Het expressionisme en tenslotte ook de abstracte schilderkunst zouden uit het impressionisme zijn voortgekomen.

Het internet heeft de laatste twintig jaar mijn uitzicht (en daarmee inzicht) op de historische schilderkunst enorm vergroot. Ik ontdekte tientallen schilders die in de canon van Janson ontbreken. En ik ontdekte hoe het werkt: laat een gezaghebbend instituut een selectie van namen maken, zodat dit merknamen worden en laat deze vervolgens door de industrie eindeloos rouleren: in kunstboeken, op reproducties, boekenleggers, placemats, kussenslopen, koffiemokken, enz… Het vermarkten van kunst is al zo oud als de kunst zelf, maar wat nieuw is in de moderne tijd, is de technische reproduceerbaarheid van het kunstwerk. In onze massacultuur is het kunstwerk een onderdeel van de massacultuur geworden.

Dan is het aardig om eens terug te gaan naar de jaren waarin het impressionisme, het zaadje van de moderne kunst, ontkiemde: de jaren zeventig van de negentiende eeuw. De gevestigde kunst hield vanaf 1834 (behalve 1858 en 1871) jaarlijks zijn feestje: de Salon de Paris. Wilde je als kunstenaar carrière maken, dan was de Salon de Paris dé plek waar je moest exposeren. Aanvankelijk was de selectie streng maar na de revolutie van 1848 was er een liberaler beleid en werden er minder kunstenaars geweigerd. Geweigerde kunstwerken werden gemerkt met een stempel met de letter R (van refusé). Wanneer een werk geweigerd was, was het voor een kunstenaar bijna onmogelijk om nog elders te exposeren. Om aan deze kunstenaars tegemoet te komen, werd in 1863 de Salon des Refusées in het leven geroepen. Daar vierden de impressionisten vanaf 1874 hun eigen feestje en werden ze wegbereiders van de moderne schilderkunst.

Huysmans - Écrits sur l'artDe Franse schrijver Joris-Karl Huysmans (1848-1907) was begin dertig toen hij zijn kritieken schreef over de Salons van 1879, 1880 en 1881. Deze werden in 1883 gebundeld onder de naam l’art moderne. Ook zijn verslaggeving van de Exposition des Indépendants van 1880 en 1881 (vanaf 1884 de Salon des Indépendants) is in Écrits sur l’art opgenomen. Zijn kritieken verschenen tussen 1879 en 1881 in le Voltaire, la Réforme en la Revue littéraire et artistique.

Voor de Salon van 1879 werden 5.895 kunstwerken ingezonden. De Salon was ook ‘s avonds geopend, dankzij de elektrische verlichting (voor de eerste maal). Huysmans doet in tien paragrafen verslag van deze tentoonstelling. Hij kwam zelf uit een familie van kunstschilders en was daardoor geïnteresseerd in schilderkunst. Als schrijver zou hij in 1884 doorbreken met zijn roman A Rebours dat een belangrijke betekenis zou krijgen voor de symbolisten en het l’art pour l’art aan het einde van de negentiende eeuw.

Huysmans a publié trois ouvrages de critique d’art : L’Art moderne (1883), Certains (1889) et Trois Primitifs (1905), composés à partir d’articles parus dans la presse. Après s’être essayé, dans L’Art moderne, au compte rendu de la visite des salons officiels et des expositions impressionnistes, il propose, dans Certains, l’inventaire de ses goûts personnels, en s’attachant à l’étude de peintres – Pierre Puvis de Chavannes, Gustave Moreau, Odilon Redon, Félicien Rops… – et de thèmes particuliers : ‘ Le fer ‘, ‘ Le monstre ‘, etc. Dans Trois Primitifs, enfin, il s’attarde sur des artistes jusque-là négligés : constitué d’une monographie de Mathias Grünewald et du récit de la visite de l’Institut Staedel de Francfort, ce texte apparaît comme un retour sur l’origine même de son intérêt pour les arts plastiques. Souvent ironiques et pleins de verve – ‘ Il peint à la bile, comme d’autres à la gouache, à l’encaustique ou au pastel ‘, écrivait Charles Maurras -, ces écrits présentent un double intérêt : outre qu’on y découvre les peintres de prédilection de Huysmans, de Degas à Caillebotte, en passant par Renoir, Monet et Hokusai, ils éclairent aussi, par ricochet, les romans de l’auteur et la fonction singulière qu’y assument les œuvres d’art.

In de volgende afleveringen wil ik samen met Huysmans gaan kijken naar een aantal schilderijen die op de salon van 1879 te zien waren. Een paar namen (Manet, Renoir, Puvis de Chavannes) zijn gecanoniseerd, de anderen zijn (tamelijk) onbekend.

de Salon van 1879

humanitair drama

opnieuw gezien: As linhas de Torres (2012)
The lines of Wellington van Valeria Sarmiento

Lines of WellingtonEen paar jaar geleden zag ik deze Frans-Portugese film voor het eerst en was erg onder de indruk. De grote Chileense cineast Raúl Ruiz (1941-2011) overleed helaas tijdens de productie en zijn weduwe, de Chileense regisseur Valeria Sarmiento regisseerde de film in de geest van haar overleden echtgenoot. De stijl van Ruiz is herkenbaar door telkens terugkerende trage takes met een poëtische lading. In dialogen worden afwisselende close ups meestal vermeden en blijft de camera op afstand registreren binnen het half totaal. Net als in films van Tarkovsky lopen de werkelijke en de filmische tijd vaak gelijk. Door traagheid als verhaalelement te gebruiken, zal As linhas de Wellington het grote publiek waarschijnlijk vervelen. Dat zit te wachten op een veldslag en niet op de kont van een paard die te lang in beeld is. Maar juist dat soort filmische keuzes maken The lines of Wellington voor mij de moeite waard.

official trailer

The lines of Wellington is een oorlogsfilm zonder veldslagen die vooral gaat over de ontreddering die oorlog met zich meebrengt. De wanhoop en de gelatenheid in de eindeloze vluchtelingenstroom die door het Portugese landschap trekt, komt sterk naar voren. Honderdduizenden Portugezen moeten hals over kop hun huis verlaten en zich samen met de Engelsen terugtrekken achter de Linies van Torres Vedras die Lissabon tegen de Franse invasie moet beschermen. Onder de vluchtelingen bevinden zich de meest uiteenlopende types. De meesten zijn boer, maar ook aristocraten zijn op de vlucht. Iedereen is van het een op het andere moment vluchteling geworden.

De Franse invasie van het Iberisch schiereiland was een catastrofe. Maar in plaats van veldslagen, zien we het humanitaire drama achter de gevechtslinies. Dat wordt griezelig concreet gemaakt: rondzwervende bendes deserteurs die alleen nog voor eigen lijfbehoud vechten en gewetenloze bandieten zijn geworden. Portugezen die ‘handballen’ met afgehakte hoofden van Franse soldaten. Lijkenrovers die de laarzen van gesneuvelde soldaten verkopen. Een aristocraat die op de vlucht is en die op een kar twee kasten vol boeken heeft meegenomen zodat hij kan wegvluchten in een boek. Een jongen met een verstandelijke handicap die niemand heeft maar meeloopt met de rest. Door in te zoomen op het individuele leed krijgt de vluchtelingenstroom verschillende gezichten, die diepe indruk maken. Veel meer dan de zoveelste sensationele veldslag in een oorlogsfilm.

By choosing an old-school directing style, Valeria Sarmiento reinforces the solemn dimension of a film that not only aims to be a homage to her late husband (with guest appearances by Catherine Deneuve, Isabelle Huppert, Mathieu Amalric, Michel Piccoli, and Chiara Mastroianni among others), but also a historical record from a grassroots perspective. Indeed, the film focuses very little on the battle’s great figures played by John Malkovich and Melvil Poupaud, and lingers no longer on great explosive battle scenes, even for the film’s ending.
 
Bron: cineuropa.org

linhas de Wellington [ imdb.com ]

born to be brave

de brave kunst van Moritz von Schwind (1804-1871)

Von SchwindIn juli 2010 maakte ik voor het eerst kennis met het werk van de Oostenrijkse illustrator en schilder Moritz von Schwind. In het kasteel Hohenschwangau, niet te verwarren met Schloss Neuschwannstein, zagen we fresco’s naar ontwerpen van Von Schwind. Een maand later kocht ik een dikke oeuvrecatalogus uit 1906. Waarschijnlijk het eerste en laatste volledige overzicht van zijn werk, want daarna raakte Von Schwind in de vergetelheid. Zijn geromantiseerde taferelen verdragen zich niet goed met de moderniteit en vinden waarschijnlijk alleen nog waardering bij liefhebbers van Victoriaanse koektrommelplaatjes.

Schwind
Der Handschuh der Heiligen Elisabeth (1856)

Er zijn zeker nog wel meer redenen om het werk van Moritz von Schwind te waarderen. In de eerste plaats zijn vakmanschap. In de tweede plaats zijn ijver. En in de derde plaats zijn braafheid. Want ook dat laatste is een kwaliteit. Von Schwind werd in 1804 in Wenen geboren. Zijn ouders hebben tweemaal een vernederende vrede met Napoleon meegemaakt, de Vrede van Pressburg in 1805 en de Vrede van Schönbrunn in 1809. Moritz was nog te klein om zich dat later te herinneren.

Maar het Congres van Wenen (1814-1815) waarbij de rollen omgedraaid werden, zal hij als elfjarig jongetje bewust hebben meegemaakt. Deze gebeurtenis bepaalde het politieke en artistieke klimaat in Europa tot 1848 en werkte ook daarna nog een poosje door. Wenen was het centrum van de Restauratie en gold als oerconservatief. Het grootste deel van zijn leven (Von Schwind overleed in 1871) werd bepaald door de conservatieve geest van de Restauratie. Hij was “born to be brave“.

Als brave ambachtsman volgde hij het Renaissancistische schoonheidsideaal waarbij Rafael het summum is. Alles is ten dienste gesteld aan de onderlinge harmonie. Compositie, vorm en kleur zijn helder. Er is geen picturaal vuurwerk. De verf is getemd door de tekening en zit keurig binnen de lijntjes. Dat is goed te zien in een detail van Sabina von Steinbach uit 1844. Von Schwind omhelst, net als zijn tijdgenoot Peter von Cornelius (1783-1867) en de Nazarener de reactionaire kunst.

Schwind
detail van Sabina von Steinbach (1844)

Moritz von Schwind [ de.wikipedia.org ]

oppervlakkige cultuur

gezien: Les Misérables (2012)
aan het lezen in: Les Misérables (1862) van Victor Hugo

In Beschaving na de cultural turn (2011) doet Joris van Eijnatten de volgende uitspraak: “lage cultuur ontstaat daar waar mensen niet reflecteren.” De musicalfilm Les Misérables is voor mij de jongste bevestiging van deze uitspraak. Alessandro Baricco stelde in zijn essaybundel De Barbaren (2010) dat massacultuur het onderscheid tussen hoge en lage cultuur doet vervagen. Dat is niet erg, meent hij, want we leven in een tijd van transformatie waarbij een onderscheid aan het verdwijnen is dat toch altijd al arbitrair was. Zo gold aan het begin van de twintigste eeuw het medium film voor het elitaire theaterpubliek als plat volksvermaak, nu wordt het algemeen als een kunstvorm beschouwd. En ooit beschouwden we de roman eerbiedig als het ultieme kunstwerk van de literator. Maar als BN’ers romans gaan schrijven, komt er onherroepelijk inflatie. Wat lage cultuur was, werd hoge cultuur en omgekeerd. Voor de markt bestaat er tenslotte geen hoge of lage cultuur. Daar gelden alleen kijk- en verkoopcijfers. U vraagt, wij draaien.

De ellendigenVan Eijnatten schrijft: “Lage cultuur ontstaat wanneer aanzien en gezag worden misbruikt en populaire sentimenten boven het bezonnen oordeel wordt geplaatst.” En Baricco noemt “de tirannie van ratings en top tien lijstjes” die de collectieve smaak gaan aanvoeren. Marketing heeft niet alleen de massacultuur maar ook de hoge cultuur in zijn greep. En zo werd er in 1980 een musical gemaakt van Les Misérables. Overigens was deze roman (mede door een uitgekiende reclamecampagne) in 1862 een enorm verkoopsucces, terwijl de literaire kritiek niet erg positief was. Maar De ellendigen wordt nu algemeen wel als een van de grote Franse romans uit de negentiende eeuw beschouwd. Dit literaire werk werd dus het slachtoffer van de musicalindustrie. Er zat een liefdesverhaal in, de innerlijke strijd van een bekeerde boef, spektakel en een personificatie van het maatschappelijk gezag. Genoeg ingrediënten voor een avondje uit met het hele gezin.

Lage cultuur ontstaat wanneer aanzien en gezag worden misbruikt en populaire sentimenten boven het bezonnen oordeel wordt geplaatst.

Joris van Eijnatten

Les Misérables DVDDe musicalfilm uit 2012 en het boek uit 1862 zijn producten van de populaire cultuur. Er ligt 150 jaar tussen. Wat is er veranderd in die anderhalve eeuw? In de eerste plaats de factor tijd: die lijkt schaarser geworden. Maar waarschijnlijk komt dat omdat wijzelf ongeduldiger zijn geworden. Oorspronkelijk telde Les Misérables 1200 bladzijden. De versie die ik nu aan het lezen ben, is een ingekorte versie (ruim 400 bladzijden) die rond 1962 in pocket verscheen. In 1862 waren 1200 bladzijden voor het toenmalige publiek geen bezwaar. Honderd jaar later werd de roman teruggebracht naar eenderde van de oorspronkelijke lengte om het grote publiek nog te kunnen bereiken. En in 1980 verscheen de musical die de roman tenslotte terugbracht naar een avondje uit. Het inkorten of verfilmen van een roman vraagt altijd offers. Meestal gaat dat ten koste van de diepte en complexiteit.

C’est de la physionomie des années que se compose la figure des siècles

Les Misérables Tome I – En l’année 1817

Doordat de tijd wordt ingekort, wordt dus ook de diepte aan betekenis minder. Hoe meer de blik gericht wordt op de spectaculaire oppervlakte, hoe minder deze onder de oppervlakte kan kijken. Om terug te komen bij de uitspraak van Van Eijnatten: “lage cultuur ontstaat daar waar mensen niet reflecteren.” De arbeiders die in 1862 twintig stuivers inlegden om samen een exemplaar van Les Misérables te kunnen kopen, kregen dus wél wat de kosmopolieten die voor veel geld de musical zien, niet krijgen: reflectie.

Het einde van de musicalfilm lijkt mij een verkrachting van de boodschap van Les misérables. Vanaf de barricaden bezingt men de nieuwe wereld, een soort loflied op de socialistische heilstaat. Maar de boodschap die de bisschop van Digne op de hoofdpersoon (Jean Valjean) overbrengt, gaat helemaal niet over maakbaarheid van een betere wereld, maar over medelijden met de behoeftigen en verdrukten: de ellendigen.

Hij (de bisschop van Digne) wendde zich tot wat leed en boette. Het heelal kwam hem voor als één grote ziekte; overal speurde hij de koorts en tastte hij lijden en zonder te trachten het raadsel op te lossen, zocht hij de wond te verbinden. De schrikwekkende aanblik van het geschapene wekte vertedering in hem: steeds was hij erop uit de beste manier van deernis en verlichting te vinden en deze aan anderen te leren. Het bestaande was voor deze milde en uitzonderlijke priester het voorwerp van blijvende droefenis, die vertroost wilde worden. Er zijn mannen die goud delven: wat hij dolf was barmhartigheid. De ellende in al zijn vormen was zijn mijn. Hebt elkander lief, dat was zijn volledige leer.
 
uit: De Ellendigen, eerste hoofdstuk

Als Alessandro Baricco gelijk heeft wanneer hij schrijft dat we in een overgangstijd leven waarin het verschil tussen hoge en lage cultuur aan het verdwijnen is, dan is dat maar zo. Als het verschil tussen oppervlakkigheid en diepgang maar gezien blijft worden. Want als cultuur alleen nog maar over de toppen van de golven scheert, raakt ze los van haar oorsprong.

Histoire des Girondins

gelezen in: kopstukken van de Franse Revolutie
11 literaire portretten door Alphonse de Lamartine

LamartineVorige week kocht ik de Nederlandse vertaling van Histoire des Girondins (1847) van Alphonse de Lamartine (1790-1869). dat verscheen onder de titel Kopstukken van de Franse Revolutie bij Uitgeverij Boekwerk in Groningen, 1989. Het is een tweetalige uitgave met daarin elf portretten van Franse revolutionairen: Mirabeau, la Fayette, Vergniaud, Madame Roland, Rouget de Lisle, Théroigne de Méricourt, Marat, Le Bon, Danton, Saint Just en Robespierre. De schrijver heeft hen nooit ontmoet, want hij was pas vier jaar toen de meesten al dood (Mirabeau), vermoord (Marat), geëxecuteerd (Madame Roland, Danton, Saint Just, Robespierre, Le Bon) of krankzinnig waren geworden (de Méricourt). Alleen Rouget de Lisle en La Fayette haalden de negentiende eeuw en Lamartine zou hen als volwassen man ontmoet kunnen hebben.

Histoire des Girondins
Titelblad van Histoire des Girondins (1847)
En le perdant, la Montagne perdait son sommet. (Toen de Berg hem verloor, verloor ze haar top.)

Lamartine over Danton (1847)

Afgelopen maand citeerde ik op deze blog twee beschrijvingen van Georges Danton die ik las in de romans De Sans-culotten van Jo van Ammers-Küller en in 1793 van Victor Hugo. Ook Lamartine geeft een beschrijving van Danton waarvan hieronder een fragment:

C’était un de ces hommes qui semblent naître du bouillonnement des révolutions, et qui flottent sur le tumulte jusqu’à ce qu’il les engloutisse. Tout en lui était athlétique, rude et vulgaire comme les masses. Il devait leur plaire, parce qu’il leur ressemblait. Sou éloquence imitait l’explosion des foules. Sa voix sonore tenait du rugissement de l’émeute. Ses phrases, courtes et décisives, avaient la concision martiale du commandement. Sort geste irrésistible imprimait l’impulsion aux rassemblements. L’ambition était alors toute sa politique. Sans principes arrêtés, il n’aimait de la Démocratie que son trouble. Elle lui avait fait son élément.
 
uit: Histoire des Girondins – Danton

LamartineLamartine verscheen op het Franse literaire toneel op een moment dat dit bijna volledig leeg was. De schrijvers die onder het Empire gesteund waren, konden niemand echt bekoren, Madame de Staël was overleden en Chateaubriand was nog vrij klassiek ingesteld en had geen grote revolutie teweeggebracht. Lamartine wordt algemeen aanzien als de vader van de Franse Romantiek. Hij zette de eerste stappen tot de volledige bloei van de Romantiek in Frankrijk, gebruik makend van verschillende invloeden die hij in zijn werken verwerkte. Zo combineerde hij de hernieuwde interesse voor het katholicisme van Louis de Bonald en Joseph de Maistre, de aanbidding van de natuur van Rousseau en Bernardin de Saint-Pierre, het sentimentalisme van Madame de Staël, de interesse voor de Middeleeuwen van Chateaubriand en Scott en de mal du siècle van Chateaubriand en Byron. Deze mengeling kwam als zeer vernieuwend over voor zijn tijdgenoten, zo nieuw zelfs dat wordt verteld dat een uitgever zijn eerste bundel Les Méditiations poétiques weigerde omdat deze niet in lijn was met de gevestigde waarden.
(Bron: nl.wikipedia.org)

Alphonse de Lamartine [ nl.wikipedia.org ]

haal ik de eeuwigheid wel …

begonnen aan Memoires van over het graf (1848)
van François-René de Chateaubriand vertaald door Frans van Woerden (2000)

Geschiedenis is voor mij steeds meer de periode 1750-1850. In deze tijd vond een omwenteling plaats waarvan de impact twee eeuwen later nog steeds niet ten volle kan worden begrepen. De omwenteling was totaal en had zijn uitwerking op elk gebied: politiek, sociaal, economisch, religieus, artistiek, filosofisch, wetenschappelijk en technologisch. De motor van deze omwenteling of Revolutie was de Verlichting die zelf weer een uitvloeisel was van de Renaissance. Het christelijke wereldbeeld uit de Middeleeuwen had concurrentie gekregen van het antieke wereldbeeld en zou tenslotte door het wetenschappelijke wereldbeeld verdrongen worden.

In het laatste kwart van de achttiende eeuw kwam het in een stroomversnelling. De industriële revolutie was letterlijk al op stoom gekomen. En de emancipatoire krachten van de Verlichting kregen hun uitwerking in de politiek. Zo waren de Amerikaanse en Franse Revolutie de maatschappelijke concretisering van het nieuwe, soevereine mensbeeld. De onderdaan werd burger. De koning die regeert bij de gratie Gods was verleden tijd, al zou de Restauratie na 1815 nog alles op alles zetten om de Revolutie ongedaan te maken.

ChateaubriandOm de tijd van de Verlichting, Revolutie en Restauratie van heel dichtbij te leren kennen, ben ik romans aan het lezen die zich in deze periode afspelen. Een roman is toch heel iets anders dan een geschiedenisboek. Het beschrijft de tijd van binnenuit. Maar er is nog een literaire vorm die het verleden heel dichtbij kan halen: de (auto)biografie. Omdat ik lovende kritieken heb gelezen over Les Mémoires d’outre-tombe van François-René de Chateaubriand (1768-1848), besloot ik deze autobiografie, die voor het eerst na zijn dood in 1848 gepubliceerd werd, te gaan lezen. Ik kocht de Nederlandse vertaling (Memoires van over het graf) van Frans van Woerden die in 2000 verscheen bij uitgeverij Meulenhoff.

In het voorwoord schrijft Frans van Woerden wat deze autobiografie zo bijzonder maakt: “Chateaubriand brengt zijn eigen bewogen tijdperk (vooral mutatie ervan) in beeld, maar geeft het tegelijkertijd een plaats in de ‘lange duur’ van de geschiedenis. Dit temporele aspect is een dermate allesdoordringend gegeven dat de Memoires in wezen ook te lezen zijn als één lange beschouwing over het verschijnsel tijd, over de wijze waarop tijdsverloop wordt ervaren, over hoe de menselijke herinnering (collectief, individueel) werkt (er zijn tal van pre-Proustiaanse passages in de Memoires), over wat eigenlijk het begrip ‘geschiedenis’ inhoudt.

Chateaubriand
Google is steeds meer het filter van ons collectief geheugen. Chateaubriand schreef in zijn memoires bezorgd: “haal ik de eeuwigheid wel?” Voor Google lijkt alleen het stukje vlees voorlopig de eeuwigheid gehaald te hebben.

François-René de Chateaubriand [ nl.wikipedia.org ]