Categorie archief: filosofie

Nietzsche bij Trouw

zaterdag gratis bij Trouw: Nietzsche door Michael Tanner

NietzscheDe zomer is voorbij en de dagbladen zijn weer begonnen met het werven van nieuwe abonnees. Ook Trouw startte haar wervingscampagne. Ik kocht zaterdag een los nummer en kreeg daarbij een boek over Nietzsche cadeau. Het is het eerste deel van de serie De Grote Filosofen in twaalf delen. Je kunt deze voor € 49,50 bestellen, tenzij je abonnee wordt. Dan krijg je de twaalf delen gratis. In de krant van zaterdag publiceerde Trouw twee brieven van trouwe lezers die hun verontwaardiging over deze actie uitten.

De een vond zoveel “papierverspilling” niet passend bij een krant die duurzaamheid zo hoog in haar vaandel heeft staan. Bovendien was het boek ook nog eens in plastic verpakt! Een andere lezer merkte op dat deze actie in het verleden slecht gevallen zou zijn onder de lezers van Trouw. Een boek over Nietzsche bij een christelijke krant!

Maar het zout van het christelijke geloof heeft in Trouw allang haar smaak verloren. De meeste lezers zijn nu helemaal gewend aan de smaak die Trouw heeft sinds het in de jaren negentig de pagina “kerk” heeft omgedoopt in “religie en filosofie”. Sindsdien proef je eerder het zoet van eigentijdse spiritualiteit of het zuur van Nietzsche . Alleen bij het Reformatorisch Dagblad en het Nederlands Dagblad heeft het zout zijn smaak niet verloren.

Trouw profileert zich al jaren als de krant met verdieping waarin veel aandacht voor religies, filosofie, onderwijs en zorg. En jawel, Trouw heeft zich ook in een groen jasje gestoken. Het boek over Nietzsche past bij Trouw. In het voorwoord van Ger Groot blijft de kerk overigens niet ongenoemd. “Wat zijn de kerken eigenlijk nog”, zo schreef Nietzsche 130 jaar geleden “als ze niet de graven en grafmonumenten van God zijn?” En zo heeft de tijdgeest die Nietzsche voorspelde de krant genoodzaakt haar uitgesproken christelijke identiteit op te geven om op de post-christelijke markt te kunnen overleven. Het uitroepteken is een vraagteken geworden, het zout zoetzuur.

Trouw Filosofie Collectie [ trouw.nl ]

wahnsinnszettel

Friedrich Nietzsche (1844-1900) aan Jacob Burckhardt (1818-1897)

Nadat Friedrich Nietzsche in januari 1889 in Turijn op straat in elkaar was gezakt, ontving de kunsthistoricus Jacob Burckhardt in Bazel een vreemd briefje dat begon met de woorden: “Beste professor, veel liever was ik hoogleraar in Bazel dan God…“ De geschrokken professor bracht onmiddellijk zijn collega Franz Overbeck op de hoogte van het vreemde briefje van hun gemeenschappelijke vriend. Toen Overbeck kort daarop zelf ook een verwarde brief van Nietzsche kreeg, reisde hij onmiddellijk naar Turijn. Daar aangekomen bleek dat Nietzsche in de waanzin was beland. De briefjes aan zijn Bazelse vrienden zijn als wahnsinnszettel de geschiedenis ingegaan.

Nietzsche an Burckhardt, 5. Januar 1889
Nietzsche aan Burckhardt, 5 januari 1889
Lieber Herr Professor, zuletzt wäre ich sehr viel lieber Basler Professor als Gott, aber ich habe es nicht gewagt, meinen Privat-Egoismus so weit zu treiben, um seinetwillen die Schaffung der Welt zu unterlassen. Sie sehen, man muß Opfer bringen, wie und wo man lebt (…)

Jacob BurckhardtBurckhardt en Nietzsche waren jarenlang met elkaar bevriend geweest. Toen de 24-jarige Nietzsche in 1869 als hoogleraar een leerstoel in Bazel kreeg, leerde hij de 26 jaar oudere Burckhardt en de 7 jaar oudere Overbeck kennen. Burckhardt doceerde in Bazel geschiedenis en kunstgeschiedenis en was al een beroemdheid door Die Kultur der Renaissance in Italien (1860), zijn uitgebreide studie over de Italiaanse Renaissance. Overbeck doceerde er theologie. Met Burckhardt deelde Nietzsche in het begin van de jaren zeventig zijn kritiek op de materialistische kleinburgerlijke cultuur. In 1849 had Burckhardt al geschreven dat hij materialistische kleinburgers verachtte, maar dat zij een minder groot gevaar vormden dan “misplaatste genialiteit.“

Burckhardt strong emphasises the role of competition in the Ancient Greek world. The Greek states were united in the Olympic games, and there were many other forms of competition. The great Athenian tragedies were written for competitions. There were all kinds of contests in gymnastics, poetry, and music throughout the Greek world. Communities took enormous pride in the achievements of locals in the Olympic games and other contests. The pride in winning and the efforts made to win were extreme. This can be seen in the wounds suffered by wrestling and the great interest of tyrants in backing winning teams. This should remind us of two early essays by Nietzsche on „The Greek State and Homer on Competition. It also provides a perspective for understanding „master morality„ in Nietzsche.
 
Burckhardt regards the interest in competition as part of the Aristocratic culture. It also existed in democratic Athens, and was the source of its great achievements. The attitude of the great democratic leader Pericles to Athens power in Greece itself shows this. However, the democratic world undermined competition. Excellence and the competition for excellence became the kind of jealousy and urge to denunciation, which led to the trial and death of Socrates. Athens after the Peloponnesian War weakened under the influence of this kind of spirit in which demogogary, perjury, and parasitic law cases became dominant. Here we see why Plato preferred Crete and Sparta. However, Sparta itself lost its old civic virtues at this, according to Burckhardt, becasue its very somination of Greece made it weaken under the influence of the other parts of Greece.
 
For Burckhardt, democracy means an individualism based on the cult of excellence and the growth of resentment. The decline of the aristocracy which vreated the values used by democracy allows great culture to flourish, but only for a limited period. These aspects of Burckhardt are close to Nietzsche’s thoughts on politics and culture throughout his life, and should be taken into account.
 
Bron: stockerb.wordpress.com
Pro Juventute 1947
In 1947 gaf de Zwitserse post een zegel uit ter gelegenheid van de 50e sterfdag van Jacob Burckhardt

een onzuivere bron

The History of the Decline and Fall of the Roman Empire (1776-1787)
van Edward Gibbon

AgoraIn de film Agora (2009) van de Spaanse regisseur Alejandro Amenábar komt een scene voor waarin de beroemde bibliotheek van Alexandrië wordt geplunderd door een woeste menigte fundamentalistische christenen. Het is een van de meest geslaagde scenes uit de film. Terwijl de boekrollen met teksten van Plato en Aristoteles als confetti door de lucht worden gesmeten maakt de camera een draai van 180 graden waardoor alles op zijn kop komt te staan. De boodschap is overduidelijk: het christelijk geloof heeft de kennis van de antieke beschaving vernietigd en de hele wereld eeuwen terug gesmeten in de tijd. Maar deze boodschap is zeker niet juist. In het jaar 392 na Christus plunderden fanatieke christenen inderdaad de stad, maar de beroemde bibliotheek was in de tijd van Hypatia nog maar een schaduw van wat het ooit geweest was. In het jaar 48 voor Christus hadden de troepen van Julius Ceasar de grootste schat aan oude Griekse manuscripten al in brand gestoken.

Edward GibbonTussen 1776 en 1887 schreef Edward Gibbon de beroemde studie The History of the Decline and Fall of the Roman Empire over de ondergang van het Romeinse Rijk. Gibbon was een man van de Verlichting en hij keek met een wetenschappelijke bril op naar de geschiedenis. Tegenwoordig is dat de normaalste zaak van de wereld, maar in zijn tijd bestond geschiedenis nog niet als wetenschap. Omdat Gibbon het Christendom niet als heilsgeschiedenis zag en de Kerk ook niet als het Lichaam van Christus, kwam hij op zeer gespannen voet met de Angelicaanse Kerk te staan. Vooral op de hoofdstukken XV en XVI waarin hij de plaats en de opkomst van het Christendom in het Romeinse Rijk beschrijft, heeft hij veel kritiek gekregen. In sommige landen werd The History of the Decline and Fall of the Roman Empire zelfs een verboden boek. Gibbon gebruikte voor zijn levenswerk zesduizend bronnen in vele talen. Maar hij was niet overal nauwkeurig. Na later historisch onderzoek blijkt dat hij ons met de beschrijvingen van de geschiedenis van de bibliotheek van Alexandrië en het leven van de vrouwelijke filosoof Hypatia een ingekleurd beeld heeft gegeven.

Gibbon
uit hoofdstuk XLVII van The History of the Decline and Fall of the Roman Empire

Edward Gibbon heeft er absoluut toe bijgedragen dat Hypatia het symbool is geworden van de wetenschapper die alles in vrijheid wil onderzoeken en zich niet onderwerpt aan bijgeloof en fanatisme. Net als Giordano Bruno is ze een martelaar geworden van filosofie en wetenschap.

Gibbon
uit hoofdstuk XLVII van The History of the Decline and Fall of the Roman Empire

Gibbon‘s ingekleurde voorstelling blijkt hardnekkig. De serie Cosmos uit 1980 volgt hem en ook Alejandro Amenábar baseerde zich voor het scenario van Agora op de informatie die Gibbon verspreid heeft. De christenen worden afgeschilderd als grote cultuurbarbaren die vijandig staan tegenover de wetenschap. Maar in werkelijkheid bestudeerden kerkvaders in Alexandriëook de wetenschap. De strenge scheiding tussen wetenschap en geloof komt uit de koker van de Verlichting en Gibbon‘s klassieker in het bijzonder.

uit de tv-serie Cosmos (1980)
The last scientist who worked in the Library was a mathematician, astronomer, physicist and the head of the Neoplatonic school of philosophy — an extraordinary range of accomplishments for any individual in any age. Her name was Hypatia. She was born in Alexandria in 370. At a time when women had few options and were treated as property, Hypatia moved freely and unselfconsciously through traditional male domains. By all accounts she was a great beauty. She had many suitors but rejected all offers of marriage. The Alexandria of Hypatia‘s time — by then long under Roman rule — was a city under grave strain. Slavery had sapped classical civilization of its vitality. The growing Christian Church was consolidating its power and attempting to eradicate pagan influence and culture.
 
Carl Sagan in Cosmos (1980)Hypatia stood at the epicenter of these mighty social forces. Cyril, the Archbishop of Alexandria, despised her because of her close friendship with the Roman governor, and because she was a symbol of learning and science, which were largely identified by the early Church with paganism In great personal danger, she continued to teach and publish, until, in the year 415, on her way to work she was set upon by a fanatical mob of Cyril’s parishioners. They dragged her from her chariot, tore off her clothes, and armed with abalone shells, flayed her flesh from her bones. Her remains were burned, her works obliterated, her name forgotten. Cyril was made a saint.
 
Bron: physics.weber.edu

The fuss about Hypatia and Bibliotheca Alexandrina [ orthodoxchristianity.net ]