Categorie archief: filosofie

volg de meester [ 16 ]

Denker und Dichter interpretaties van filosofenportretten rond 1800
Dichter und Denker
Matthias Claudius
en Friedrich Heinrich Jacobi
Friedrich Heinrich Jacobi war ein bedeutender Vertreter der Gefühlsphilosophie und dementsprechend ein herausragender Kritiker jeder Form von Rationalismus. Er zählte zu den frühesten Kritikern der französischen Revolution und hielt sie für das politische Gegenstück zu dem „Nihilismus“ rationalistischer Philosophen. Seine Schriften sind kaum systematisch, sondern Gelegenheitsarbeiten, meist in Brief-, Gesprächs-, auch Romanform verfasst. Für ihn gab es kein ernstzunehmendes Philosophieren, wenn es nicht eine bestimmte Person anspricht. In diesem Sinne war er nicht nur Kritiker, sondern immer ein kämpferischer Diskussionspartner. Seine Streitigkeiten mit Hamann, Goethe, Johann Gottlieb Fichte oder Friedrich Wilhelm Joseph Schelling sind berühmt.
 
Bron: de.wikipedia.org
Dichter und Denker
Georg Wilhelm Friedrich Hegel
en Friedrich Wilhelm Joseph Schelling
Während jedoch Fichte das Ich nur als menschliches sah (was Friedrich Wilhelm Joseph Schelling bestritt), fasste es Schelling vom Anbeginn an als allgemeines oder absolutes auf, dessen bewusstlos (in der Naturform) schöpferische Produktion die reale Natur-, dessen bewusst (in der Geistesform) schöpferische Produktion die ideale Geisteswelt, beide (das Ideale wie das Reale) aber als „Seiten“ desselben (absoluten) Ich in ihrer Wurzel identisch seien. Die Deduktion des gesamten Naturseins (natura naturata) aus dem Absoluten als (unbewusst) schaffendem Realprinzip (natura naturans) ist Gegenstand der Naturphilosophie (1797/99), derjenigen Gestalt seiner Philosophie, durch welche er, wie er noch in seiner Berliner Antrittsrede sich rühmte, „ein neues Blatt in der Geschichte der Philosophie aufgeschlagen haben“ will.
Bron: de.wikipedia.org

Matthias Claudius (1740-1815), Friedrich Heinrich Jacobi (1743-1819), Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831), Friedrich Wilhelm Joseph Schelling (1775-1854) | volg de meester [ 1-16 ] | van oude meesters en dingen die niet voorbijgaan [ PDF ]

aan mijn zoon Johannes

An meinen Sohn Johannes (1799) van Matthias Claudius
Matthias en Arthur
Matthias Claudius en Arthur Schopenhauer
Arthur Schopenhauer las in zijn pubertijd na de dood van zijn vader An meinen Sohn Johannes als een vaderlijk testament en bleef deze tekst zijn leven lang koesteren.
Lieber Johannes!
Die Zeit kommt allgemach heran, daß ich den Weg gehen muß, den man nicht wiederkommt. Ich kann Dich nicht mitnehmen und lasse Dich in einer Welt zurück, wo guter Rat nicht überflüssig ist.

An meinen Sohn Johannes, 1799

Allengs breekt de tijd aan dat ik de weg van al het aardse ga. Ik kan je niet meenemen en ik laat je achter in een wereld waar goede raad niet overbodig is… (…) De mens is hier niet thuis. Wanneer men zich een vreemde in de wereld voelt, is dat niet omdat er een innerlijke rijkdom bestaat waarop men zich zou kunnen laten voorstaan. Het innerlijk dat zich tegen het uiterlijk verzet, is arrogant. We zijn allemaal zondaars en een dergelijk dualisme is een zonde van ijdelheid. Vreemd zijn wij in deze wereld en tot iets hogers geroepen. Dat is echter niet onze verdienste maar een genade gave die het gevoel ontvangt.
 
Matthias Claudius in “An meinen Sohn Johannes” (1799)

An meinen Sohn Johannes [ christoph-moder.de ]

stuurloos?

heeft het postmodernisme nog een richting of draait het om zichzelf?

In het modernisme betekende ‘nieuw’ altijd ‘beter’. De moderne mens was de nieuwe mens die een nieuwe en dus betere wereld nastreefde. Weg van het oude! Maar het postmodernisme gelooft hier niet meer in. De dwingende richting van het modernisme is in het postmodernisme verdwenen. Hoe gaat het postmodernisme met dit vacuüm om? Is er geen richting meer en draait het postmodernisme louter om zichzelf? Of heeft het postmodernisme toch een eigen program, een verborgen agenda misschien?

In het postmodernisme lijkt alles te kunnen. Het oude mag gerust terugkeren, want oud en nieuw zijn relatieve begrippen. Elke richting en elke stijl lijkt binnen het postmodernisme geoorloofd. Let wel, binnen het postmodernisme, want het postmodernisme hecht aan eigen richtinggevende waarden, zoals ‘niet-vastleggen’ en ‘niet-oordelen’. Postmodernisme staat sterk voor relativisme en pluriformiteit. Dat betekent dat er voor het postmodernisme niet één waarheid of één schoonheid bestaat. Iedere tijd, ieder volk, ieder individu heeft zijn eigen waarheid en schoonheid. Maar deze pluriformiteit, brengt tegelijkertijd het postmodernisme met zichzelf in tegenspraak, of brengt op zijn minst zijn blinde vlek in beeld.

De uiterste consequentie van de postmoderne pluriformiteit is dat mooi en lelijk, goed en slecht, waar en onwaar niet alleen relatief maar ook inwisselbaar zijn. Daarmee houden ze feitelijk op te bestaan, zodat er een oordeelloos, oosters “Tat Tvam Asi” overblijft. Letterlijk betekent dit: “Dat zijt Gij”, maar hier is een onpersoonlijke en zakelijke vertaling (“het is wat het is”) meer op zijn plaats. Het postmodernisme bereikt deze verheven staat van bewustzijn, waarin ‘alles ok’ is, zelf niet. Postmodernisme verzet zich namelijk tegen alles dat zich vastlegt en oordeelt, behalve tegen zijn eigen oordeel en fixatie.

Wanneer woorden als ‘waarheid’ en ‘schoonheid’ vallen, schiet het postmodernisme in een reflex om deze woorden vlug een kopje kleiner maken. Schoonheid en waarheid mogen van het postmodernisme hoogstens bestaan als relatieve begrippen, individuele waarden, eigen opvattingen. Ze blijven intussen wel een achterdeurtje openhouden naar de aanspraak op algemene geldigheid die ze in het verleden hadden. Het zijn de lakeien van het Ancien Régime van de metafysica , van vóór ‘de dood van God’. Na de Revolutie van het modernisme, wil het post-modernisme beslist geen Restauratie. Daarom is het postmodernisme alert als er een Groot Woord valt, want voor je het weet staat er weer een Groot Verhaal!

Desalniettemin is humor de kracht en het wapen van het postmodernisme. Universele, metafysische en absolute waarden worden niet meer erkend. Het enige wat werkelijk telt, is de hoogstpersoonlijke ervaring, die zo klein en zo breekbaar is, dat humor, maar ook ontroering, er wel het hart van moeten vormen. Het graniet van Waarheid en Schoonheid heeft in ‘het heilige hart van de persoonlijke ervaring’ niets te zoeken. Humor geeft de bedenkelijke macht om zélf te ontkrachten en onderuit te halen, om zélf de onmachtige baas te zijn over de onverbiddelijke relativiteit en vergankelijkheid van het bestaan.