Wim Brands in gesprek met Bert Keizer
Bert Keizer gelooft niet in bewustzijn zonder hersenen zoals Pim van Lommel. “Hersenen zonder bewustzijn kan wel, maar bewustzijn zonder hersenen is onzin”, vindt hij. Zijn boek onverklaarbaar bewoond biedt niet de troost van een eindeloos bewustzijn maar zoekt juist naar een dieper inzicht in de relatie tussen onze hersenen en onszelf.
Een mens zit op een andere manier vast aan zijn hersenen dan aan bijvoorbeeld zijn benen of zijn galblaas. Wie zijn galblaas kwijtraakt, blijft als mens geheel aan dek. Maar wie een deel van zijn hersenen moet prijsgeven vanwege een ongeluk, een tumor of een bloeding, kan eindigen met een ernstig verdraaide versie van zichzelf. Een beschadigd brein betekent een beschadigde ziel. Op zoek naar een dieper inzicht in de relatie tussen onze hersenen en onszelf, volgde arts en filosoof Bert Keizer gedurende enkele maanden een aantal hersenchirurgen en hun patiënten van zeer dichtbij. Patiënten beziet hij niet alleen als medische gevallen, maar in de eerste plaats als mensen, die te maken krijgen met onthutsende veranderingen. Hij schetst een levendig en uitermate realistisch beeld van hun lotgevallen, vol dialogen en filosofische terzijdes. Zijn collega’s bewondert hij om hun durf en vaardigheid, maar hij stelt ze ook kritische vragen over de gevolgen van hun ingrepen.Onverklaarbaar bewoond is een even belangwekkend als onthutsend relaas in de kenmerkende Keizerstijl: nuchter en scherp, maar ook soepel, en met onnadrukkelijk mededogen.
Bron: boeken.vpro.nl
Bert Keizer fascineerde zich al langer voor de samenhang tussen hersenen en ziel, die even onlosmakelijk als onverklaarbaar met elkaar verbonden zijn: “Iemand zei eens dat het bewustzijn in ons lichaam zit zoals de stemming in een feest. Later hoorde ik iets vergelijkbaars over de benen van Sven Kramer, waar over gezegd werd dat daar een gouden medaille inzit. Dat geldt ook voor onze ziel: anatomisch is die in ons lichaam niet aanwezig. Maar hij zit er, onmiskenbaar.“
In 1813 was Schopenhauer 25 en had hij zijn grote ontdekking nog niet gedaan. Toch sprak hij al van ‘het betere bewustzijn’. Dat was een soort werktitel van wat in 1819 zijn hoofdwerk zou worden
Na het verschijnen van Kant‘s kritieken in de jaren tachtig van de achttiende eeuw dook men vooral in Duitsland in het gat waarvan Kant met chirurgische precisie de contouren had vastgesteld. Fichte was de eerste en introduceerde het primaat van het ik, dat vóór alle kennis en al het gekende aanwezig is. Schelling noemde dit natuur en bij Hegel heette het Absolute Geest. Maar Schopenhauer ging nog verder. Als je steeds dieper in de materie doordringt en de wereld van het subatomaire binnentreedt, dan blijkt de klassieke mechanica van Newton niet meer te gelden. Zo dringt Schopenhauer ook door in de diepste diepte en bereikt zo een bewustzijn aan gene zijde van ruimte en tijd, waar de klassieke subject-object dualiteit zijn geldigheid heeft verloren. Voor hem is dát de wereld zoals deze ís, de wereld als wil. De kenbare wereld is voor hem de wereld als voorstelling. Dus bundelt hij zijn denkwerk onder de titel: de wereld als wil en voorstelling.












