Categorie archief: filosofie

weltschmerz

In het tweede hoofdstuk van Hoeveel waarheid heeft de mens nodig? schrijft Rüdiger Safranski hoe Heinrich von Kleist, in navolging van Rousseau, zich radicaal wil terugtrekken uit de buitenwereld:

( … ) Zich terugtrekken in Zwitserland was als een radicale kuur bedoeld. Hij wilde leren om ‘weinig voor te stellen’. Maar die leeropdracht is te zwaar. Tijdens zijn poging om zich van de maatschappelijke buitenwereld los te rukken, merkt hij hoe diep die in hem zit. De ambitie om daar in de buitenwereld iemand te zijn, laat hem niet los. Daardoor blijft hij ook op die afgelegen plek verstrikt in de maatschappij met haar concurrentie en geldingsdrang.
Hij verdraagt het niet dat de familie hem als een mislukkeling beschouwt. Hij heeft zich voor de vaak afkeurende blikken van anderen willen verbergen; maar hij wil niet in het verborgene blijven. Er moet een moment komen waarop hij stralend te voorschijn komt: als triomfator, als overwinnaar. ( … )
Kleist
Heinrich von Kleist (1777 – 1811) Op 20 november 1811 pleegt Kleist samen met Henriette Vogel zelfmoord aan de oever van de kleine Wannsee bij Potsdam.

Biographie Heinrich von Kleist

vrijheid blijheid

Nog steeds door griep aan bed gekluisterd, maar gelukkig kan ik nu weer wat lezen. Op mijn nachtkastje ligt nog steeds Hoeveel waarheid heeft de mens nodig? van Rüdiger Safranski en daarin staat in het hoofdstukje over Jean-Jacques Rousseau het volgende over de vrijheid:

De(ze) onmiddellijkheid van het gevoel wordt uitgedaagd door de totaal andere onmiddellijkheid van de vrijheid. Vrijheid is spontaniteit, wil. Rousseau laat zien welke geheimen en onafzienbare werelden ook in die dimensie van ons innerlijk schuilgaan. Inderdaad, “schuilgaan”; want evenals voor het gevoel geldt ook voor de vrijheid dat je haar eerst weer in jezelf moet ontdekken, de weg erheen moet terugvinden. Vrijheid is het vermogen om elk ogenblik opnieuw te kunnen beginnen. Ook al kan ik achteraf een uiterlijke oorzakelijkheid verantwoordelijk stellen voor wat ik nu doe, dat verandert niets aan het feit dat de situatie nu open is en ik in vrijheid een besluit kan en moet nemen. Het moge zo zijn dat er met elke vrije handeling een nieuwe causale reeks van oorzaken en gevolgen begint, maar het is ook zeker dat met elke handeling uit vrijheid een causale reeks wordt afgebroken.
Jean-Jacques Rousseau
Vrijheid, blijheid; het straalt van dit feelgood portret af. Maar de tragiek van Rousseau is dat hij steeds meer in zichzelf keerde en tenslotte stierf als een ziekelijk achterdochtige en eenzame man.

Vanuit deze innerlijke vrijheid heeft een ziekbed geen beperkingen meer, maar krijgt het plotseling onafzienbare mogelijkheden. Het alledaagse vrijheidsbegrip versmalt zich meestal tot de opvatting “kunnen doen waar je zin in hebt”. Maar misschien ligt het ook wel aan de Nederlandse taal. Het Russisch kent bijvoorbeeld twee woorden voor vrijheid, om oppervlakkige en diepgevoelde vrijheid van elkaar te kunnen onderscheiden.

Wie was Jean-Jacques Rousseau?

identiteit

Gisteren was het 230 jaar geleden dat Friedrich Wilhelm Schelling geboren werd (1775) en 191 jaar geleden dat Johann-Gottlieb Fichte stierf (1814). Maar 27 januari is ook de dag dat de bevrijding van Auschwitz herdacht wordt en elke andere herdenking hoort daarbij in de schaduw te staan. Zeker als het gaat om de geboorte- en sterfdag van twee belangrijke vertegenwoordigers van de Duitse identiteitsfilosofie. Meer dan welke ander filosofie heeft het Duitse idealisme, dat tweehonderd jaar geleden aan zijn opmars begon, bijgedragen tot het ontstaan van het nationalisme in Duitsland ( maar ook elders in Europa ).

En toch, juist in deze tijd waarin de multiculturele samenleving opnieuw gestalte moet krijgen en de eigen identiteit (van de autochtoon) niet meer taboe is, zou het goed zijn om te onderzoeken wat de identiteitsfilosofie ons te zeggen heeft.

Friedrich Wilhelm Schelling ( 1775 – 1854 )

Van Schelling heb ik de vertaling Filosofie van de kunst (Boom, 1996) en de grondtekst van Ueber das Wesen der menschlichen Freiheit (Reclam Verlag) in mijn boekenkast staan. De inleiding van Filosofie van de kunst telt ruim 30 pagina’s en is geschreven door Jos de Mul. Gedeeltelijk is deze inleiding terug te vinden in zijn essay Kunst als organon over de romantische esthetica van Schelling, waaruit het onderstaande citaat:

( … ) Op de jonge Schelling maken deze denkbeelden (van Fichte) een verpletterende indruk en in zijn eerste geschriften verkondigt hij onomwonden Fichtes standpunt dat het absolute Ik principe van alle weten is. Toch geeft Schelling van meet af aan een eigen wending aan Fichtes filosofie. Volgens Schelling kan het oneindige Ik zich slechts van zichzelf bewust worden door zich te objectiveren, dat wil zeggen door eindig te worden. In de Abhandlungen van 1796/7 drukt Schelling het als volgt uit:
“De geest is slechts inzoverre geest als hij zichzelf tot object maakt, dat wil zeggen, eindig wordt. Daarom kan hij niet oneindig zijn zonder eindig te worden, noch kan hij (voor zichzelf) eindig worden zonder oneindig te zijn. Hij is daarom geen van beide, noch oneindig noch eindig alleen, maar in hem is de oorspronkelijkste vereniging van oneindigheid en eindigheid”.
Schelling gaat hier dus uit van een oorspronkelijke toestand, waarin de oneindige geest en de eindige natuur op een onbepaalde wijze identiek zijn. We zullen zien dat dit idee van een absolute identiteit in Schellings latere filosofie steeds meer op de voorgrond zal treden.
Johann Gotlieb Fichte ( 1762 – 1814 )

schelling.org
Links in het Internet over de klassieke Duitse filosofie
Kant und der Deutsche Idealismus
The Society for German Idealism
German Idealism [The Internet Encyclopedia of Philosophy]