The Thief of Bagdad moet in 1940 in de bioscoop dezelfde sensatie teweeg hebben gebracht als Avatar zeventig jaar later. De film verscheen in destijds betoverend Technicolor en dompelde je onder in een andere wereld. Met adembenemende speciale effecten en kamerbrede filmmuziek. Bombastisch inderdaad, maar goed voor een knock out.
Ik moet de film voor het eerst gezien hebben op oudejaarsdag 1973 (of 1974?) op een Duitse zender. The Thief of Bagdad was toen al meer dan dertig jaar oud, maar het was nog steeds een verpletterende avonturenfilm. Ik kon me als tienjarige uitstekend identificeren met het boefje Abu in de hoofdrol, gespeeld door de 16-jarige Sabu. Met zijn chocoladebruine bovenlijf is hij een exotische versie van Ciske de Rat.
Wanneer Abu zich tijdens een achtervolgingsscène in de medina van Bagdad in een grote vaas heeft verstopt, mis je het geblaf van Bobby, het hondje van Kuifje. De hele toverdoos van het oriëntalisme wordt uitgepakt en op de stoep gezet: slangenbezweerders, waterpijpen, tapijten, gesluierde vrouwen, mannen met tulbanden. Het oriëntalisme beperkt zich overigens niet tot de islamitische wereld. Ook het Indische werelddeel, vertegenwoordigd door een gigantisch hindoeïstisch afgodsbeeld, doet mee.
The Thief of Bagdad heeft een standaard gezet voor avonturenfilms. “Gigantic! The wonder picture of all time.” staat er op de affiche bij een afbeelding van de reusachtige Djinn die op het strand uit de fles ontsnapt. In 1940 was de geest inderdaad uit de fles. Geen Djinn, maar het spook van de oorlog, die net als El Coloso van Goya zijn ketenen verbreekt.
De film werd in Engeland begonnen, maar vanwege het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd deze in 1940 in de Verenigde Staten afgemaakt. Zo werd het typisch een product uit de droomfabriek Hollywood. Miklós Rósza (1907-1995) componeerde de score en kreeg zijn eerste nominatie voor een Academy Award. (voor de suite “The Love of the Princess”.) Rósza’s rijk georkestreerde programmamuziek beweegt zich tussen de zoete betovering van Rimsky-Korsakov’s Sheherazade en de gezwollen pathetiek van Tsjaikovsky’s Zesde Symfonie.
The Thief of Bagdad etaleert een schaamteloos oriëntalisme. De (midden-)oosterlingen zijn figuranten uit Hollywood met schoensmeer en opgeplakte baarden en djellaba’s aan. Veel clichés uit Duizend-en-één-Nacht komen voorbij. Deze oriëntalistische visie is even volwassen als een jongetje van tien dat met rode oortjes Kuifje leest.
Jan Morrow is een succesvolle interieurontwerpster, die leeft voor haar werk. Ze heeft geen vriend, maar als haar alcoholische huishoudster hiernaar informeert, zegt ze best tevreden te zijn zonder een man. Toch is haar leven niet zonder problemen. Noodgedwongen deelt ze een telefoonlijn met de componist en playboy Brad Allen. Brad en Jan hebben elkaar nooit ontmoet, maar hebben een intense hekel aan elkaar. Elke keer als Jan wil bellen, houdt Brad de lijn bezet door met zijn vele vriendinnetjes te kletsen. Hij speelt ze ook steeds hetzelfde liefdesliedje voor, met als gevolg dat Jan het liedje uit haar hoofd kent. Een andere zorg van Jan is een klant van haar, de miljonair Jonathan Forbes. Hij aanbidt Jan, maar zij wil niets van hem weten. Wat Jan overigens niet weet is dat Forbes een kennis is van Brad en de financier van diens Broadwaycarrière…

Al eerder 













