van François-René de Chateaubriand vertaald door Frans van Woerden (2000)
Geschiedenis is voor mij steeds meer de periode 1750-1850. In deze tijd vond een omwenteling plaats waarvan de impact twee eeuwen later nog steeds niet ten volle kan worden begrepen. De omwenteling was totaal en had zijn uitwerking op elk gebied: politiek, sociaal, economisch, religieus, artistiek, filosofisch, wetenschappelijk en technologisch. De motor van deze omwenteling of Revolutie was de Verlichting die zelf weer een uitvloeisel was van de Renaissance. Het christelijke wereldbeeld uit de Middeleeuwen had concurrentie gekregen van het antieke wereldbeeld en zou tenslotte door het wetenschappelijke wereldbeeld verdrongen worden.
In het laatste kwart van de achttiende eeuw kwam het in een stroomversnelling. De industriële revolutie was letterlijk al op stoom gekomen. En de emancipatoire krachten van de Verlichting kregen hun uitwerking in de politiek. Zo waren de Amerikaanse en Franse Revolutie de maatschappelijke concretisering van het nieuwe, soevereine mensbeeld. De onderdaan werd burger. De koning die regeert bij de gratie Gods was verleden tijd, al zou de Restauratie na 1815 nog alles op alles zetten om de Revolutie ongedaan te maken.
Om de tijd van de Verlichting, Revolutie en Restauratie van heel dichtbij te leren kennen, ben ik romans aan het lezen die zich in deze periode afspelen. Een roman is toch heel iets anders dan een geschiedenisboek. Het beschrijft de tijd van binnenuit. Maar er is nog een literaire vorm die het verleden heel dichtbij kan halen: de (auto)biografie. Omdat ik lovende kritieken heb gelezen over Les Mémoires d’outre-tombe van François-René de Chateaubriand (1768-1848), besloot ik deze autobiografie, die voor het eerst na zijn dood in 1848 gepubliceerd werd, te gaan lezen. Ik kocht de Nederlandse vertaling (Memoires van over het graf) van Frans van Woerden die in 2000 verscheen bij uitgeverij Meulenhoff.
In het voorwoord schrijft Frans van Woerden wat deze autobiografie zo bijzonder maakt: “Chateaubriand brengt zijn eigen bewogen tijdperk (vooral mutatie ervan) in beeld, maar geeft het tegelijkertijd een plaats in de ‘lange duur’ van de geschiedenis. Dit temporele aspect is een dermate allesdoordringend gegeven dat de Memoires in wezen ook te lezen zijn als één lange beschouwing over het verschijnsel tijd, over de wijze waarop tijdsverloop wordt ervaren, over hoe de menselijke herinnering (collectief, individueel) werkt (er zijn tal van pre-Proustiaanse passages in de Memoires), over wat eigenlijk het begrip ‘geschiedenis’ inhoudt.”

Vorige week kreeg ik van Michaela de 

“Zeventienhonderd negenennegentig. De eeuw waarin de Grote Revolutie begon, is ten einde. Tien jaar geleden hebben de eerste stormklokken over Frankrijk geluid, schaarde al wat jong, dapper en idealistisch was zich in de strijd om de rechten van de mens, en van overal, van oost en west, van noord en zuid kwam een weerklank. Nu staat een ring van vijanden om Frankrijk heen, met Engeland en Oostenrijk, met Rusland is het in oorlog, het heeft het koningshuis uitgemoord en duizenden zijner beste burgers naar het schavot gezonden. Het schrijft Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap in zijn vaandel, maar de guillotine verricht nog altijd haar luguber werk, zij kopt nu jakobijnen terwijl ze vroeger aristocraten kopte.” Zo begint De Getrouwen, het laatste deel van de Tavelinck Trilogie. Jo van Ammers-Küller sprak liever van de trilogie “Heren, Knechten en Vrouwen“. In het naschrift spreekt ze van “een gefantaseerd verhaal dat tegen een achtergrond van historische gebeurtenissen is opgebouwd”, en definieert daarmee ook het genre van de historische roman.












