Maandelijks archief: oktober 2009

wereldbeeld & geschiedenis [ 4 ]

de vijftiende eeuw – de verzoening tussen nabijheid en verte (1)

In de geschiedenis van de landschapsschilderkunst zien we de ruimte door de tijd heen tevoorschijn komen. In de vijftiende eeuw gaan schilders hun werk signeren, ontstaan de eerste portretten met individuele kenmerken en ook de eerste landschappen. Dat alles komt voort uit een nieuw zelfbewustzijn waarbij de mens niet langer zoals bij de Middeleeuwse mens in tijd en ruimte geworpen is, maar gaat nu als een zelfbewust wezen zélf zijn positie kiezen. De wetenschappelijke cartografie is een expliciete daad om zichzelf bewust tegenover de ruimte te plaatsen. Het is alsof de Middeleeuwse mens wakker wordt en zich tegenover de wereld plaatst zoals we dat allemaal doen wanneer we ‘s morgens wakker worden. In de ontwikkeling van het landschap in de schilderkunst kunnen we zien hoe de mens naar de ruimte kijkt die hem aan alle kanten omgeeft. In de schilderkunst van de Middeleeuwen was nog helemaal geen sprake van een ruimte op het platte vlak. Vaak was de achtergrond verguld of was er een ondiepe ruimte waarin de verte ontbrak. Wanneer er al een landschappelijke achtergrond geschilderd werd, was dat altijd een idee van een landschap, zoals we op iconen aantreffen.

de ontwikkeling van het landschap 1300-1450
de ontwikkeling van het landschap tussen 1300 en 1450 in Italiëen Vlaanderen
met de klok mee: Duccio (detail, 1308), Giotto (1305), Gebroeders van Limburg (1410), Jan van Eyck (detail, 1435)

Giotto is de eerste schilder geweest die de platte ruimte openbreekt en zijn figuren vrijstaand in een ondiepe ruimte plaatst. Vergeleken bij de schilderkunst van de Renaissance oogt Giotto nog plat en primitief, maar vergeleken bij de traditionele icoon is het een eerste stap in de richting van de ruimtelijke illusie. Honderd jaar na Giotto, omstreeks 1410 zijn het de gebroeders van Limburg die weer een volgende stap zetten en weer iets later Jan van Eyck en de Vlaamse Primitieven. Van Jan van Eyck zijn het landschap in de Aanbidding van het Lam God’s en het doorkijkje in De Madonna met kanselier Rolin (1435) prachtige voorbeelden van vroege Vlaamse landschapsschilderkunst. Voorgrond en achtergrond hebben dezelfde scherpte alsof Van Eyck door een vergrootglas de wereld bekeken heeft en minitieus heeft naschilderd.

Rogier van der Weyden
Rogier van der Weyden
Maria Magdalena (detail) ca. 1450
Louvre, Parijs

Ton Lemaire schrijft in Filosofie van het Landschap over de verzoening van nabijheid en verte in het vijftiende eeuwse schilderij. Ook bij het schilderij van Maria Magdalena door Rogier van der Weyden zien we hoe de uitersten in hetzelfde vlak verenigd worden. Het atmosferische perspectief (de blauwe verte) dat de dieptewerking versterkt, wordt al aarzelend toegepast.

Dit probleem van de verzoening van nabijheid en verte – dat de Middeleeuwen niet kenden – is specifiek modern. In een wereld die plotseling zich van haar bijziendheid had bevrijd om ontdekkingsreiziger te worden en zelfs met verrekijkers de hemel af te zoeken, was de vertrouwde nabijheid in onzekerheid, in een crisis gebracht die moest worden opgeheven. Een van de meest toegepaste technieken was de verdeling van de afgebeelde ruimte in drie stroken die vaak door verschillende kleuren werden aangegeven: op de meestal bruin weergegeven voorgrond volgde een groene middenstrook, terwijl het verschiet gewoonlijk blauw kreeg als kleur van de oneindigheid. Een andere oplossing was de veduta: een uitzicht op de verte vanuit een venster, waardoor de buitenwereld in verband kon worden gebracht met de beslotenheid van een binnenruimte. Talloos zijn, ook bij de Vlaamse primitieven, de voorbeelden van deze techniek, waardoor de middeleeuwse ruimte als het ware terloops een blik werpt op de grote wereld, maar zich nog niet overgeeft aan de fascinatie van de verte.
 
Bron: Filosofie van het Landschap
Jan van Scorel
Jan van Scorel
Maria Magdalena (detail) 1530
Rijksmuseum, Amsterdam

Jan van Scorel schilderde deze Maria Magdalena zo’n tachtig jaar na Rogier van der Weyden. De nabijheid en de verte zijn overtuigender samengebracht en de ruimte(lijke illusie) heeft al meer van zichzelf prijsgegeven.

Landschappen zijn niets
anders dan bedrieglijke beelden
waarbij men de eigen ogen
met eigen toestemming
en hulp als het ware
voor de gek houdt
met een complot dat
men zelf heeft gesmeed

Edward Norgate

Filosofie van het Landschap

wereldbeeld & geschiedenis [ 3 ]

de veertiende eeuw – de ontluiking van een nieuw zelfbewustzijn
van introspectie naar extraspectie

Filosofie van het LandschapVijfentwintig jaar geleden las ik voor het eerst Filosofie van het Landschap (1970) van Ton Lemaire. Het boek was een openbaring voor mij. Toen we in de zomer van 1984 in de Provence waren, moest en zou ik dan ook naar de top van de Mont Ventoux omdat Lemaire daar in zijn boek over geschreven had. Ik las daarin voor het eerst dat de beklimming van deze berg door de humanistische dichter Petrarca in het jaar 1336 algemeen beschouwd wordt als een sleutelmoment in de Westerse geschiedenis. Het is achteraf gekozen als hét moment geworden waarop mens de blik naar buiten keert en de nieuwe mens van de Renaissance geboren wordt.

De beklimming is des te symbolischer omdat Petrarca aangekomen op de top de Belijdenissen van Augustinus openslaat en zich schaamt over zijn toeristische uitstapje. Want, schrijft Augustinus , “buiten de ziel is niets de moeite waard om bewonderd te worden”. De in zichzelf gekeerde mens van de Middeleeuwen is in onze moderne ogen een eenkennig wezen, maar je zou ook kunnen zeggen dat hij een geestelijk wezen is, omdat hij geestelijke kennis volgt en zich afsluit voor de zintuiglijke maar vergankelijke aardse werkelijkheid. In de eeuw na Petrarca zal de wereld openbarsten en zich in al zijn aardse schoonheid in de spiegel van de kunst aan het oog van de mens uitspreiden. Op de top van de Mont Ventoux wordt de moderne mens geboren, die wij sinds de Renaissance allemaal geworden zijn.

Als Petrarca de top van de berg heeft bereikt en het uitzicht over de wereld zich onder zijn voeten opent, wordt hij bijna door angst bevangen en, naar Italiëkijkend, door heimwee naar zijn vaderstad overmand. Hij zoekt troost voor zijn verwarring in de Belijdenissen van Augustinus die hij bij zich had, en zijn oog valt tot zijn schrik op de volgende passage: „En de mensen gaan hoge bergen bewonderen en de wijde zee en machtige stromen en de onmetelijkheid van de oceaan en de loop van de sterren, en zij verliezen daarmee zichzelf.„ Petrarca betreurt dan zijn vermetele beklimming van de berg en verwijt zich zijn verkeerde mentaliteit, want hij had toch, zegt hij bij zichzelf, moeten weten dat nihil praeter animum esse mirabile: dat buiten de ziel niets de moeite waard is om bewonderd te worden.
 
Bron: Filosofie van het Landschap [ www.dbnl.org ]
Mont Ventoux
uitzicht vanaf de Mont Ventoux
nihil praeter animum
esse mirabile

buiten de ziel is niets de moeite waard
om bewonderd te worden (Augustinus)

Hier, boven op de Mont Ventoux, vindt in feite een dramatische ontmoeting plaats tussen Augustinus en Petrarca, tussen de geest van de Middeleeuwen en die van de moderne tijden, tussen zelfinkeer en expansie. Petrarca’s tocht is de articulatie van twee wereldbeschouwingen: die van het traditionele christendom waarvoor menselijke zelfverwerkelijking gelegen is in zelfinkeer, introspectie, en die bang is zich aan de grote wereldruimte te verliezen; en die van de ontluikende moderne geest die haar heil zoekt in „extraspectie„, expansie en verkenning van het andere, en voor wie de wereldruimte het bereik is waarin ze geestdriftig zichzelf wordt. Aan de ene kant de beslotenheid van de bespiegeling, waarin de ziel zich probeerde te rechtvaardigen voor de eeuwigheid, aan de andere kant de ontsluiting van de wereld en de beginnende existentie van het individu. Deze aarzelende bewondering voor de grootsheid van de wereld betekent een heroriëntering van het Westen, en Petrarca’s vergezicht is als het ware een visioen bij de opening van een nieuw tijdperk: de bestijging van de hoge berg zal het christelijke wereldbeeld verruimen en verruimtelijken, en ten slotte zal ze het doen verdampen.
 
Bron: Filosofie van het Landschap [ www.dbnl.org ]
En de mensen gaan hoge bergen bewonderen en de wijde zee en machtige stromen en de onmetelijkheid van de oceaan en de loop van de sterren, en zij verliezen daarmee zichzelf

Augustinus

Apollo 8 foto
de ultieme extraspectie
Dit beeld is volgens de Duitse schrijver en filosoof Rüdiger Safranski dé icoon van het globalisme. Tijdens de Apollo 8 missie in 1968 werd voor het eerst de planeet aarde in zijn geheel door een mens waargenomen. Net als Petrarca op de Mont Ventoux geeft het een sleutelmoment aan: de mens heeft maximale afstand van de wereld genomen, hij is als het ware op de stoel van God gaan zitten.

Filosofie van het Landschap [ www.dbnl.org ]

wereldbeeld & geschiedenis [ 2 ]

de vijftiende eeuw – de geboorte van de globalisering
van de mythische imago mundi naar de wetenschappelijke cartografie

De verovering van de wereld begon in de vijftiende eeuw en de ontdekking van de Nieuwe Wereld aan het einde daarvan, was het resultaat van een verschuiving van een mythisch naar een wetenschappelijk wereldbeeld. De Middeleeuwse mens had nog een mythisch wereldbeeld. De wereld werd voorgesteld als een platte schijf, de zogenaamde Imago Mundi. Deze moest men niet topografisch maar religieus lezen. Zoals de meeste mythische wereldbeelden had de Imago Mundi een Axis Mundi, het punt waar hemel en aarde bij elkaar komen. Traditioneel was dit de Calvariberg of Golgotha waar Christus gekruisigd is. De stad Jeruzalem was daarmee de navel van de wereld en de drie werelddelen die toen bekend waren (Europa, Africa en Asia) kwamen daar samen. De meest voorkomende Imago Mundi in de Middeleeuwen wordt naar zijn vorm O- T kaart genoemd. De werelddelen liggen binnen een cirkel in een T-vorm gegroepeerd met Europa en Afrika langs de y-as en Azië boven langs de x-as. Op het kruispunt waar je een denkbeeldige z-as kon trekken, lag de stad Jeruzalem die hemel en aarde met elkaar verbond. Bepaald geen wetenschappelijke benadering dus, maar daar had men ook geen behoefte aan.

midden 13e eeuw
een voorbeeld van een Civis Mundi een detail van de zgn. Ebstdorfer Stich midden dertiende eeuw. Kaarten als deze ogen als outsider art, een delrium van informatie maar niet erg bruikbaar

In 1406 werd in Florence door Jacopo d’Angelo een oud geschrift van een zekere Claudios Ptolemaios gevonden, de Geographia Universalis. Het werk dateerde uit de eerste helft van de tweede eeuw na Christus en was toen al bijna dertienhonderd jaar oud! Aan de hand van dit geschrift konden kaarten getekend worden die een compleet ander beeld van de wereld gaven dan de mythische Civis Mundi. De kaarten die op basis van de Geographia Universalis getekend werden, bleken topografisch al behoorlijk te kloppen, vooral waar het ging om Europa, Noord-Afrika en Zuid-Azië.

kaart 1482
wereldkaart gebaseerd op de Geographia Universalis van Johannes de Armsshein (detail) Ulm, 1482

Claudius Ptolemeus leefde tussen 87 en 150 na Chr. in Alexandrië. Hij was een Grieks astronoom, geograaf, wiskundige en muziektheoreticus. Zijn opvattingen over astronomie, bekend als het “Stelsel van Ptolemeus“, hebben tot ver na de middeleeuwen deze wetenschap beheerst, en werden pas door Copernicus weerlegd. Hij is wellicht nog meer bekend geworden door zijn “Cosmographia” of “Geographia“, een gids voor het maken van kaarten met een lijst van de geografische lengte en breedte van ca. 350 plaatsen. Aan de hand van dit werk kon men een serie kaarten tekenen van de gehele aan de auteur bekende wereld. In de Renaissance was veel belangstelling voor deze “Geographia“; vóór 1600 werden er 31 Latijnse of Italiaanse edities van gedrukt. Deze uitgaven vormden de eerste atlassen.
( Bron: web.inter.nl.net )

Toen in 1453 Konstantinopel door de Turken werd ingenomen kwam de Westerse drang om de wereld te verkennen in een stroomversnelling. Men had daar vooral economische motieven voor. Doordat de eeuwenoude landroute naar de Levant via Konstantinopel nu was afgesneden, ging men zoeken naar een zeeroute en men richtte de blik nu naar het Westen. En zo kwamen de Portugezen in beeld. Zij gingen als eersten over zee (lees: om Afrika heen) een route zoeken naar het Oosten. De Portugese kroon zag uiteraard handel en verzamelde alle kaarten die er op dat moment in omloop waren. Aan het hof van Johannes II van Portugal werkte rond 1480 een zekere Martin Behaim uit Bohemen. Het was de tijd waarin Bartolomeus Diaz en Vasco da Gama hun ontdekkingsreizen langs de Afrikaanse westkust ondernamen en tenslotte de zeeweg naar Indiëvonden. Martin Behaim kreeg van de koning de opdracht de navigatie verder te ontwikkelen. Toen hij in 1492 zijn geboortestad Nürnberg bezocht, maakte hij daar iets wat nog niemand voor hem gedaan had: de eerste globe. Hij noemt deze ‘de aardappel’ en deze zal een rol spelen in de ontdekking van de Nieuwe Wereld nog datzelfde jaar. Op de aardappel is er tussen Europa en Cathay (China) slechts één oceaan en is er nog geen vermoeden van een nieuw continent dat de wereld zal gaan veranderen.

globe 1492
Martin Behaim der Erdapfel Nürnberg 1492
De eerste globe heette dus ‘de aardappel’, maar omdat al spoedig een nieuw knolgewas uit de Nieuwe Wereld in Europa geïntroduceerd zou worden, noemen we wereldbollen tegenwoordig geen aardappels meer.
On a visit to his native city in 1492, Martin Behaim constructed his well known terrestrial globe, called the erdapfel a word soon to be replaced by the potato from South America. Until recently it was preserved at the Nuremberg National Museum, on the same floor as Albrecht Dürer’s galleries. (Nuremberg was the heart of the German Renaissance.) The influence of the African Ptolemy, who bequeathed the world latitude and longitude, is apparent, but every attempt is made to incorporate the discoveries of the later Middle Ages (Marco Polo, etc.). The antiquity of this globe and the year of its execution, on the eve of the discovery of Americas, makes it not just the oldest but the most historically valuable globe extant. It has been moved to an undisclosed location, in fact, now that it can be studied at high resolution from all angles through the remarkable Behaim Digital Globe Project in Vienna.
globe 1492
Martin Behaim het westelijk halfrond
de allereerste globe kent gedeeltelijk nog een mytholgische topografie, in de Atlantische Oceaan ligt zo bijvoorbeeld ‘het Eiland van Brandaan’
It corresponds particularly well with Columbus’s notion of the Earth, and makes the notion of a jump across that little Ocean Sea to the Far East irresistible; he and Behaim drew their information from the same sources. Though less navigationally accurate than the beautiful Catalonian portolani charts of the 14th century, as a scientific work it is of enormous importance. It may be the first terrestrial globe every built, is tilted to spin at the correct angle, and is a veritable encyclopedia of the West’s known world in the year 1492. The globe’s survival is nothing short of miraculous. There is no indication that anyone heard of the long-ago subarctic island hopping that placed Icelanders briefly among hostile “Skraelings” American Indians.
 
Bron: en.wikipedia.org
globe 1492
Martin Behaim het oostelijk halfrond

het veranderende wereldbeeld [ sprekendverleden.nl ]