Canvas zond woensdagnacht de klassieke sciencefiction- en horrorfilm The thing from another world uit. Zestig jaar na dato, na échte sciencefiction horror als Alien (1979) gezien te hebben, is het moeilijk voor te stellen dat deze film ooit als griezelfilm gepresenteerd werd. De filmposter en cover van de pulproman Who goes there? van John W. Campbell Jr. waarop de film gebaseerd is, zijn misleidend want erg griezelig is The Thing niet. Maar de spanningsopbouw is knap, de dialogen zijn zeer onderhoudend en de muziek van Dmitri Tjomkin is zoals we van hem gewend zijn lekker bombastisch. Het orkest speelt donker en dreigend in de geest van Nacht op de kale berg van Modest Moessorgski.
Maandelijks archief: november 2012
l’état, c’est moi !
Tijdens het Congres van Wenen in 1814-15 werd in heel Europa de klok teruggedraaid en deed men alsof er nooit een Franse Revolutie was geweest. De monarchisten kwamen weer stevig in het zadel te zitten. En met hen de koning. Die mocht weer Zonnekoning spelen. En portretschilders waren weer zijn lakeien. “Doet u mij maar op de manier van Rigaud!” Iedere hofschilder kende het portret dat Hyacinthe Rigaud in 1701 van de Zonnekoning had geschilderd. Het was het icoon van het absolutisme. Tijdens de Restauratie (1815-1848) keerde het als anachronisme weer terug.

Lodewijk XVIII (1755-1824) was van 1814 tot 1824 koning van Frankrijk en Navarra. Hij regeerde vanaf 1814 tot zijn dood in 1824, met een kleine onderbreking in 1815, toen tijdens de Honderd Dagen keizer Napoleon I tijdelijk weer even aan de macht was.

Charles X of Charles Philippe (1757-1836) regeerde eerst als de Graaf van Artesië, daarna als Koning van Frankrijk en Navarra van 16 september 1824 tot 2 augustus 1830. Hij was een jongere broer van de voormalige koningen Lodewijk XVI en Lodewijk XVIII. In ballingschap steunde hij Lodewijk XVIII en uiteindelijk volgde hij hem op. Aan zijn bijna zes jaar durende heerschappij kwam in 1830 door de Julirevolutie een einde.

Ludwig I werd na de dood van zijn vader op 13 oktober 1825 koning van Beieren. Hij voerde aanvankelijk een vooruitstrevende politiek maar werd onder invloed van de Julirevolutie (1830) en het Hambacher Fest (1832) meer reactionair. Hij was een groot liefhebber van de Griekse cultuur en steunde de Griekse vrijheidsstrijd met enthousiasme. In 1832 werd zijn tweede zoon Otto zelfs de eerste koning van Griekenland.

De keizer lijkt even moe geworden in zijn valse kuiten…
Frans Jozef Karel van Habsburg-Lotharingen (1768-1835), zoon van Leopold II, was als Frans II de laatste keizer van het Heilige Roomse Rijk en als Frans I de eerste keizer van Oostenrijk. Hij verhief in 1804 de gebieden van de Habsburgse Monarchie tot keizerrijk en nam zelf als Frans I de titel van keizer aan. Na de door Napoleon afgedwongen ontbinding van het Heilige Roomse Rijk in 1806 legde hij deze titel neer, waarna hem slechts de titel van keizer van Oostenrijk resteerde. Hij stierf op 2 maart 1835 in Wenen en werd opgevolgd door zijn zoon Ferdinand I.
Was het na de Restauratie nu helemaal voorbij? Ja en nee. Ieder staatshoofd met een gezond verstand, liet na 1848 op een officieel portret de pauwenveren achterwege. Op een uitzondering na, de geesteszieke koning Ludwig II van Beieren. In de jaren tachtig van de negentiende eeuw verscheen hij nogmaals als de Zonnekoning op een schilderij.

In de tweede helft van de negentiende eeuw was de Zonnekoning “carnavalsshopfähig” geworden. Maar in de twintigste eeuw waren sommigen zo door megalomanie verblind dat ze niet meer zagen hoe onsterfelijk belachelijk zij zichzelf maakten. Onder hen keizer Wilhelm II van het Tweede Duitse Keizerrijk en keizer Bokassa I van de Centraal-Afrikaanse Republiek.


150 jaar moderne schilderkunst [2]
Volgend jaar is het precies 150 jaar geleden dat in Parijs de eerste Salon des Refusés werd gehouden. De salon van 1863 is vooral bekend geworden door het schandaal dat het schilderij Le Déjeuner sur l„herbe van Eduard Manet veroorzaakte. Je zou deze gebeurtenis als “de aftrap van de moderne schilderkunst” kunnen zien.
Het schandaal dat Manet veroorzaakte, kwam niet zomaar uit de lucht vallen. We moeten terug naar de eerste helft van de negentiende eeuw om te begrijpen waar het vernieuwende realisme van Manet vandaan kwam. Het realisme van Manet kwam voort uit de Franse Revolutie. Verwonderlijk is dat niet omdat de negentiende eeuw geboren werd uit de Franse Revolutie. Die begon in 1789. Maar het hield ook weer op. Totdat in 1830 in Parijs opnieuw de Revolutie uitbrak en achttien jaar later nog een keer. De Revolutie kwam in de eerste helft van de negentiende eeuw dus in verschillende golven.

La liberté guidant le peuple
In de schilderkunst hebben we een icoon van de Revolutie. La liberté guidant le peuple is in 1830 geschilderd door de Franse schilder Eugène Delacroix. Het is overbekend en meestal kijken we er niet goed meer naar. Dit schilderij visualiseert in een allegorisch én realistisch beeld de geest van de Revolutie die in 1789 uit de fles ontsnapt was en daarna niet meer te bedwingen was.
Men had het wel geprobeerd. De Oostenrijkse diplomaat Metternich haatte de Revolutie uit de grond van zijn hart en als “koetsier van Europa” slaagde hij erin tijdens het Congres in Wenen de klok naar 1789 terug te draaien. Je zou ook kunnen zeggen dat de tijd werd stilgezet.
De monarchisten kwamen door de gezamenlijke inspanning van het anti-revolutionaire Oostenrijk, Engeland, Rusland en Pruissen weer stevig in het zadel te zitten. Vooral in het Duitse taalgebied probeerde men tijdens de Vormärz (1815-1848) alles bij het oude te houden. Midden-Europa werd een politiestaat met strenge censuur.
Het dagelijks leven leek voor de Biedermeier schijnbaar rimpelloos te verlopen. Maar de idealen van de Franse Revolutie smeulden als een veenbrand verder. Terwijl de staat alles bij het oude wilde houden, waren er stormachtige ontwikkelingen in techniek, industrie en infrastructuur die de maatschappij ingrijpend veranderden.

La liberté guidant le peuple (detail)
Nadat in 1815 in Frankrijk de macht van de Bourbons hersteld was, werd het Franse volk dat aan de vrijheid geroken had, opnieuw aan de ketenen van de monarchie gelegd. Eerst regeerde Louis XVIII (1815-1824) en na zijn dood in 1824 volgde Charles X (1824-1830) hem op. Deze werd gesteund door ultramonarchisten die het absolutisme van de 18e eeuw wilden herstellen. Maar in de 19e eeuw was dat een anachronisme geworden. Charles X was geen man van zijn tijd en tijdens de Julirevolutie van 1830 werd hij door zijn volk afgezet.
Louis Philippe I kwam in zijn plaats. Hij werd le Roi Citoyen (de Burgerkoning) genoemd. Aanvankelijk kon onder zijn bewind de liberale burgerij haar vleugels uitslaan. Er volgden jaren van economische voorspoed en de industrie in Frankrijk ontwikkelde zich. Hierdoor groeide ook de arbeidersklasse die een Vierde Stand vormde. Zij deelde niet in de welvaart en in de jaren veertig verslechterde de levensomstandigheden van de arbeidersklasse. Na de Derde Stand begon ook de Vierde Stand aanspraak te maken op de universele rechten van de mens. Vrijheid, gelijkheid en broederschap voor iedereen. De klassenmaatschappij moest omvergeworpen worden! In 1848 brak voor de derde maal in Parijs de Revolutie uit.
La liberté guidant le peuple is geschilderd in 1830, kort na de Julirevolutie. Maar het is een icoon van dé Revolutie. De Revolutie was de politieke interpretatie van de Verlichting: Vrijheid, gelijkheid en broederschap voor alle mensen. Het ging om iets universeels en beperkte zich niet tot één land. Het schitterende ideaal botste in 1789 voor het eerst met de weerbarstige werkelijkheid. Vergelijk het met het opengooien van de gevangenispoort. De bevrijding van het onderdrukte volk gaat gepaard met een ontlading van volkswoede. Het Congres van Wenen had geprobeerd in 1815 de geest van de Revolutie terug in de fles te krijgen en de oude orde te herstellen. Met de kurk van de repressie en de censuur zou Midden-Europa tot 1848 afgesloten worden van revolutionaire ideeën. Maar in Frankrijk kreeg de Revolutie in 1830 een tweede kans. In dat jaar schildert Delacroix La liberté guidant le peuple.

Delacroix wordt gerekend tot de Romantiek. Hij staat daarmee recht tegenover het classicisme van David en Ingres. In Frankrijk laaide er in het begin van de negentiende eeuw aan de kunstacademies een oude discussie uit de zeventiende eeuw op waarbij het ging om de vraag of je Rubens of Poussin moest navolgen. Bij de eerste lag de nadruk op kleur en emotie en bij de tweede op de tekening en het verstand. Tijdens het classicisme dat door Napoleon tot staatskunst was verheven, volgden de schilders Poussin. Het ging om edele eenvoud en stille grootsheid. De Romantiek ging daar tegen in. Delacroix is het schoolvoorbeeld van de Romantiek in Frankrijk. Vergelijk La Mort de Sardanapale uit 1827 met een vergelijkbaar thema Les Sabines uit 1799 van David en je ziet het verschil.
Vergeleken bij de gepolijste manier van schilderen van het classicisme is Delacroix boers in zijn verfbehandeling. Net als Rubens zet hij kleuren in een scherp contrast naast elkaar. De penseelstreek blijft meestal gewoon zichtbaar. Daarnaast keert er iets anders terug in de kunst: het realisme. Tijdens het classicisme werden tijdgenoten geportretteerd als klassieke beelden. Denk bijvoorbeeld aan het portret van Madame Récamier van David.
Schilders werkten met klassieke schema’s waarmee de werkelijkheid gemanipuleerd werd. De Romantiek manipuleert ook, maar anders. Waar het classicisme de nadruk legt op het redelijke, het beheersbare, de eenvoud en het strenge, daar legt de Romantiek de nadruk op het emotionele, het onstuimige, de complexiteit en het spontane. Het classicisme is meer de uitdrukking van de Revolutie in theorie en het realisme is de uitdrukking van de Revolutie in praktijk.

La liberté guidant le peuple (detail)
van de Revolutie in theorie
en het realisme is de uitdrukking
van de Revolutie in praktijk.
In Parijs waren tijdens de Julirevolutie zesduizend barricaden opgeworpen. Deze chaos laat La liberté guidant le peuple duidelijk zien. Het Parijs van 1830 was een heel ander Parijs dan het Parijs van de grote boulevards. Deze ontstonden pas tijdens het Tweede Franse Keizerrijk (1852-1870). Keizer Napoleon III liet de krochten van het oude Parijs opruimen. Er kwamen overzichtelijke boulevards voor in de plaats waar het volk beter onder de duim te houden was. Na drie revoluties in de Franse hoofdstad had hij er duidelijk genoeg van.

Op het schilderij van Delacroix zien we een realistisch beeld van de barricaden. Toch is het geen realistisch schilderij. Het is een allegorie. De naakte vrouw met de rode Jacobijnenmuts die het volk aanvoert, is een zinnebeeld van de vrijheid. Haar ontblootte borsten symboliseren haar kwetsbaarheid. Het jongetje met de twee pistolen is een personificatie van de jeugd. Van de man met de hoge hoed die vertwijfeld in de verte kijkt, wordt wel eens gezegd dat het Delacroix zélf moet voorstellen. Het is een realistisch geschilderde allegorie. Toch zijn het niet allemaal volkse koppen zoals bij Caravaggio of Jan Steen.

Het profiel van La Liberté is een klassiek profiel dat mij sterk aan een kop van Michelangelo doet denken. Hier toont Delacroix zich idealiserend. Het gaat voor hem om een universele idee: La Liberté. Bovendien bepaalden Marianne en de tricolore sinds 1792 de republikeinse iconografie. Delacroix doet dus hetzelfde als de classicistische schilders, maar maakt het beeld alledaags. Het profiel van Marianne volgt nog een klassiek schema, maar het volk is nu van vlees en bloed. Hier loopt Delacroix vooruit op het realisme van Manet en daarmee is hij een van de wegbereiders van de moderne schilderkunst.














