Op 5 oktober a.s. is het driehonderd jaar geleden dat de Franse Verlichtingsfilosoof en encyclopédist Denis Diderot geboren werd. Hij was ook een van de eerste kunstcritici en bezocht negen maal de tweejaarlijkse salon in Parijs, om precies te zijn die van 1759, 1761, 1763, 1765, 1767, 1769, 1771, 1779 en 1781. Als man van het volk bekritiseerde hij de behaagzieke schilderkunst van François Boucher (1703-1770) en propageerde hij de moraliserende genretaferelen van Jean-Baptiste Greuze (1725-1805). Hij was met verschillende schilders bevriend waaronder Greuze en Fragonard die beiden een portret van hem schilderden.

Louis-Michel Vanloo schilderde Diderot in een blauwe banyan en uiteraard zonder pruik. Voor de Verlichtingsfilosofen was de pruik het symbool van het gehate ancien régime.
Diderot’s Salons: Art Criticism of Greuze, Chardin, Boucher and Fragonard

De periode tussen 1767 en 1785, dus grofweg tussen het einde van de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) en het begin van de Franse Revolutie (1889-1899) wordt in de Duitse literatuurgeschiedenis wel eens aangeduid als de Genietijd. Na 1820 kennen we deze periode vooral onder de benaming Sturm und Drang, naar het gelijknamige toneelstuk van Max Klinger uit 1776. Een van de mooiste ingangen tot de Sturm und Drang vind ik niet in de literatuur maar in de muziek. Het eerste deel Allegro con brio uit 












