Bron: stripelmagazine.be




Utopisten in de negentiende eeuw waren idealisten die meenden dat de volmaakte maatschappij bestond. Hun ideeën hoefden “alleen maar“ in praktijk gebracht te worden! Twijfel aan zichzelf leken ze niet te kennen. Bescheidenheid evenmin. De nieuwe mens, de nieuwe religie en de nieuwe wereld begon voor utopisten in hun eigen hoofd. Verblind door een naïef geloof in de vooruitgang en de goedheid van de mens, zagen ze aan de horizon hun schitterende visioen. En alles wat hun utopie in de weg stond, werd gezien als kwaad. Dat kwaad projecteerden ze buiten zichzelf in de oude maatschappij, die tot een nieuwe wereld omgevormd moest worden. Utopisten werden zo de wegbereiders van de totalitaire ideologieën uit de twintigste eeuw.
Utopisten geloven dat een harmonieuze wereld mogelijk is. Eén les uit de geschiedenis lijken ze niet te willen trekken, namelijk de les dat de menselijke wil tot macht altijd weer tot chaos, strijd, waanzin en vernietiging leidt. Charles Fourier die in 1772 geboren werd, groeide op in de jaren voor en na de Franse Revolutie. Als jongeman maakte hij al genoeg mee om voor de rest van zijn leven ontgoocheld te zijn over de goede bedoelingen van de mens. Zo moest hij van zijn baas uit commerciële overwegingen eens een grote voorraad rijst vernietigen, terwijl er in het land honger werd geleden. Hij zou er een levenslange afkeer van handel aan over houden. Maar de onrechtvaardigheid en chaos in de wereld ontmoedigden hem niet, maar wakkerden zijn idealisme juist aan.
Charles Fourier werkte een ideale samenleving uit op basis van de menselijke hartstochten. Hij onderscheidde twaalf verschillende hartstochten en leidde daar 810 verschillende karaktertypen uit af. De ideale maatschappij was voor hem georganiseerd in gemeenschappen die hij phalanstères noemde. Dit waren grote gebouwen met meerdere verdiepingen waar in het ideale geval 2000 mensen woonden. Het waren geen communes of pseudo-kloosters waarin iedereen gelijk was, want Fourier geloofde in meritocratie. Niet de ongelijkheid, maar de armoede was voor hem de oorzaak van alle ellende in de wereld.

In de phalanstères zou er nog steeds verschil zijn in positie en inkomen, maar degenen die niet konden werken, zouden een basisinkomen krijgen zodat er geen armoede meer was. De rijken zouden in de bovenste luxe verdiepingen wonen en de minder rijken op de begane grond. Joden werden echter uitgesloten en moesten op aparte boerderijen buiten de phalanstères wonen. Maar Fourier discrimineerde geen vrouwen en homoseksuelen. Hij zag hen als volwaardige individuen, wat voor zijn tijd heel opmerkelijk was. Er is nog nooit één phalanstère echt gerealiseerd. Toch werd er na zijn dood in 1837 wel geëxperimenteerd met zijn gedachtegoed, met name in de Verenigde Staten. Het bekendste project dat gebaseerd was op het utopisme van Fourier, was de Familistère van de Franse industrieel Jean-Baptiste André Godin.

Charles Fourier over zichzelf
Utopisten in de negentiende eeuw waren idealisten die meenden dat de volmaakte maatschappij bestond. Hun ideeën hoefden “alleen maar” in praktijk gebracht te worden! Twijfel aan zichzelf leken ze niet te kennen. Bescheidenheid evenmin. De nieuwe mens, de nieuwe religie en de nieuwe wereld begon voor utopisten in hun eigen hoofd. Verblind door een naïef geloof in de vooruitgang en de goedheid van de mens, zagen ze aan de horizon hun schitterende visioen. En alles wat hun utopie in de weg stond, werd gezien als kwaad. Dat kwaad projecteerden ze buiten zichzelf in de oude maatschappij, die tot een nieuwe wereld omgevormd moest worden. Utopisten werden zo de wegbereiders van de totalitaire ideologieën uit de twintigste eeuw.
“Als jullie nu allemaal even naar mij luisteren en doen wat ik zeg, dan zal alle ellende uit de wereld verdwijnen!” Dit is waarschijnlijk de kortste samenvatting van het evangelie van de utopist. Voorzien van een blinde vlek voor het kwaad in zichzelf kan de utopist compleet overtuigd zijn van de oorspronkelijke goedheid van de mens. De wereldverbeteraar is een idealist, geen realist. Vaak heeft hij daarom iets met wiskunde, het terrein van het ideële bij uitstek. En met organisatie en planning. Zo ook Auguste Comte (1798-1857). Tussen zijn 19e en 26e (1817-1824) was hij de secretaris van Claude Henri de Saint-Simon (1760-1825) en werd hij gevormd door het utopische socialisme van zijn leermeester. Elke tekst die Comte schreef, moest hij ondertekenen met de naam van zijn meester. In 1824 sloeg hij zijn vleugels uit en brak hij met Saint-Simon. Vanaf dat moment noemde hij zijn leermeester “een ontaarde charlatan”.
Evenals Saint-Simon zou zijn leerling eindigen met het stichten van een pseudo-religie. Tussen 1851 en 1854 publiceerde hij een vierdelig sociologisch werk waarmee hij de basis legde voor zijn Religie van de Mensheid. Volgens Comte vormde deze een derde weg tussen christelijke theologie en abstract rationalisme. De betekenis van Auguste Comte ligt vooral in zijn rol als grondlegger van het positivisme en als munter van het begrip “sociologie”. Het motto van zijn positivisme L’amour pour principe et l’ordre pour base; le progrès pour but” (“Liefde als principe en orde als basis; vooruitgang als doel”) leeft voort in de vlag van Brazilië met het opschrift Ordem e Progresso.

In de voetsporen van Heidegger
Voetnoten bij de 19e eeuw
Amerikaanse Burgeroorlog
Napoleon en zijn schilders
Landschapsschilders uit de Goethezeit
Schilders in Italië
De schilder en zijn broodheer
De waakzaamheid van het hart
Ovidius’ Metamorphosen
Dantes Divina Commedia
Wolkenkrabbers
Op zoek naar de atoomstijl
Een avontuur van luitenant Blueberry
My favourite things