nieuwe rook [ 5 ]

zondag 4 februari gezien in Museum De Fundatie:
Dromos – Neo Rauch – schilderijen 1993-2017

Hoewel ik zijn werk al kende van afbeeldingen, heb ik afgelopen zondag voor het eerst bewust de schilderijen van Neo Rauch goed kunnen bekijken. De vraag of zijn werk goed geschilderd is, is net zo gemakkelijk te beantwoorden als de vraag of Lou Reed goed kan zingen. Het geheel is overtuigend en daar gaat het om. Maar als je klassieke maatstaven hanteert, dan is het erbarmelijk geschilderd.

Iedereen die deze tentoonstelling bezoekt, raad ik aan om op de begane grond de vaste collectie te bekijken. Daar hangt een lang olieverfschilderij uit 1971 van Werner Tübke (1929-2004). Het is een voorstudie voor een wandschildering in de stijl van het sociaal realisme. Als je dit op zijn technische kwaliteiten vergelijkt met het werk van Rauch, is het verschil duidelijk.

Werner Tübke
Werner Tübke detail van een voorstudie voor een muurschildering in de DDR (1971)

Tübke was al zestig toen de muur viel, Rauch nog geen dertig. Na de Wende kon Rauch een volledige draai maken naar de hedendaagse schilderkunst in het vrijde Westen. Maar tijdens zijn studie aan de Hochschule für Grafik und Buchkunst Leipzig in de jaren tachtig kon hij zich al tamelijk vrij ontplooien waarbij hij kon bouwen op het fundament van ambachtelijk schilderonderwijs. Maar Tübke, beslist ook een eigenzinnig kunstenaar, doorleefde met zijn volwassen leven tussen zijn twintigste en zestigste levensjaar de Duitse socialistische heilstaat. Hij bleef de figuratieve schilderkunst gebaseerd op ambachtelijke techniek zijn leven lang trouw.

Neo Rauch
Hohe Zeit 2012

Hohe Zeit (2012) is op het eerste gezicht een landelijke idylle. Er zit een maniëristisch element in de compositie. De centrale figuur met de viool in het midden staat op gelijke hoogte met het gezelschap rechtsonder. Dat werkt vervreemdend. Op een afbeelding wekt het schilderij de indruk tamelijk ambachtelijk geschilderd te zijn. Zogenaamde “flat colors” verwijzen naar de populaire plaatjescultuur.

Neo Rauch draagt het mee in zijn naam en wordt vaak met een neostijl geassocieerd. Je kunt zijn persoonlijke stijl neosurrealisme noemen, maar zeker ook neomaniërisme en in sommige gevallen zelfs neorococo. Nu hangen surrealisme (20e eeuw), rococo (18e eeuw) en maniërisme (16e eeuw) ook duidelijk samen. Deze stijlen hebben een voorkeur voor vervreemding en verwijzen vaak naar de droom. Ook balanceren maniërisme en surrealisme graag langs het randje van de afgrond en zoeken ze geregeld de nachtmerrie op, in tegenstelling tot het rococo dat juist wil behagen. Deze dubbelheid heeft het werk van Neo Rauch ook: het bedwelmt je met een wolk parfum in je gezicht maar tegelijkertijd opent het een afgrond.

Rauch zegt over deze “afgrond”: “Das kann kunst leisten. Aber sie sollte niemals den Sprung wagen über die Bruchkante hinaus. Hand in Hand mit dem Betrachter. Sie sollte ihm den Abgrund zeigen un ihn dann umarmen und ihn zurückführen in gesicherte Gefilde.”

Neo Rauch
Hohe Zeit 2012 (detail)

Wanneer we gaan inzoomen zien we dat de figuren slordig geschilderd zijn. Rauch schildert met olieverf maar is dit materiaal naar klassieke maatstaven onwaardig. De verf ligt erop als gekleurde modder. Wanneer we het van nog dichterbij bekijken, dan valt op hoe cynisch het geschilderd is. Het is duidelijk dat Rauch zich hierin geconformeerd heeft aan de hedendaagse westerse schilderkunst van de jaren tachtig met zijn postmodernen en nieuwe wilden.

Neo Rauch
Hohe Zeit 2012 (close up)

In de meeste andere schilderijen tref je deze uiterst cynische verfbehandeling ook aan. Bijvoorbeeld in Hüter der Nacht uit 2014. Hieronder in het geheel, daaronder detail en tenslotte een close up.

Neo Rauch
Hüter der Nacht 2014
Deze dubbelheid heeft het werk van Neo Rauch ook: het bedwelmt je met een wolk parfum in je gezicht maar tegelijkertijd opent het een afgrond.
Neo Rauch
Hüter der Nacht (detail)
Neo Rauch
Hüter der Nacht (close up)
Das kann kunst leisten. Aber sie sollte niemals den Sprung wagen über die Bruchkante hinaus. Hand in Hand mit dem Betrachter. Sie sollte ihm den Abgrund zeigen un ihn dann umarmen und ihn zurückführen in gesicherte Gefilde.

Neo Rauch

Neo Rauch [4]

de wolven van Wyoming

gelezen: Comanche van Hermann en Greg: De wolven van Wyoming (1974)
en De hemel is rood boven Laramie (1975)

In het begin van de jaren zeventig ben ik opgegroeid met het stripweekblad PEP (por Dios, wat een blad!). Daarin stond de westernstrip Blueberry van het duo Charlier (scenario) en Giraud (tekeningen). Volgers van deze blog kennen mijn bewondering voor het werk van de Franse tekenaar Jean Giraud (Moebius). Tussen 2009 en 2013 schreef ik een reeks artikelen over Blueberry. Charlier overleed in 1988 en Giraud in 2012.

Eind 1972 maakte ik als negenjarige kennis met Blueberry door het verhaal Generaal Geelkop. Maar ik was nog te jong voor de rauw realistische cowboyverhalen van Charlier en Giraud. Toen ik een jaar of zestien was, was ik rijp geworden voor Blueberry. Dat geldt ook voor die andere westernstrip uit PEP: Comanche. Deze verscheen voor het eerst in 1974 in een zwart-wit bijlage van PEP. Ik heb ze allemaal bewaard, maar pas na veertig jaar ben ik ze werkelijk gaan lezen. Afgelopen week las ik De wolven van Wyoming een verhaal dat in het voorjaar van 1975 in PEP stond (zie onder).

comanche in PEP 1975
PEP #11 en #26 uit 1975 met Comanche op de cover

Hermann is een meesterlijk tekenaar. Ik plaatste zijn werk altijd onder dat van Giraud, maar dat is niet terecht. Hermann tekent in een filmische stijl en wisselt schijnbaar moeiteloos van perspectief. Op het ene plaatje plaatst hij “de camera” op de grond, een andere keer laat hij “de camera” in de lucht hangen. Het is ongelooflijk knap hoe alles vanuit zijn verbeelding perspectivisch klopt. Hermann heeft een zeldzame gave hiervoor. Bovendien heeft hij een groot gevoel voor compositie. Kleinere plaatjes worden afgewisseld met grotere afbeeldingen met de kwaliteit van landschapsschilderijen.

Net als zijn collega Charlier schakelt scenarist Greg verhalen aan elkaar. De wolven van Wyoming en De hemel is rood boven Laramie vormen een tweeluik. Greg schrijft goed. Zowel plot als dialogen staan op hoog niveau. Het is jammer dat de strip Comanche niet de plaats krijgt die het verdient: gewoon naast Kuifje en wat mij betreft dus wereldberoemd. Hermann Huppen is een van de laatste levende legendes van het beeldverhaal en hoopt in juli tachtig jaar te worden.

comanche
De wolven van Wyoming
en De hemel is rood boven Laramie
De wolven van Wyoming
Rond het middaguur wordt een postkoets overvallen door bandieten, de gebroeders Dobbs. Aan boord bevinden zich een prediker en een kluis met daarin het geld van de bond van veefokkers. Nadat de mannen van de “Triple-six” ranch tussenbeide zijn gekomen, legt de koetsier uit dat hij als lokaas voor de bandieten diende. Het geld wordt namelijk vervoerd door de sheriff van Greenstone Falls, een beruchte dronkelap. Comanche begrijpt de ernst van de situatie en besluit Pharaon Colorado te begeleiden, maar daarvoor moeten eerst de gebroeders Dobbs worden gevonden …

Comanche – Hermann en Greg
Red Dust (1972)
Wanhoop en dood op de prairie (1974)
De wolven van Wyoming (1974)
De hemel is rood boven Laramie (1975)
Nacht over de woestijn (1976)
De opstand (1976)
Duivelsvinger (1977)
De sheriffs (1980)
En de duivel brulde van vreugde (1981)
Het lijk van Algernon Brown (1983)

Les loups du Wyoming | Le ciel est rouge sur Laramie

Natasja’s Dans [ 1 ]

gelezen in Natasja’s Dans (2003) van Orlando Figes
hoofdstuk 2: Kinderen van 1812

Natasja's dansMijn oude schoolvriend André Wierenga raadde mij onlangs dit boek aan van de Engelse historicus Orlando Figes. Ik was zijn boek over de Krimoorlog aan het herlezen, maar nu ben ik toch begonnen aan zijn culturele geschiedenis van Rusland die hij in 2002 publiceerde. Heerlijk! Opnieuw bijna 600 pagina’s Figes in het vooruitzicht, als een maagdelijke besneeuwde Russische steppe voor mij. Ik besloot mijn eerste voetstappen te zetten in het tweede hoofdstuk: Kinderen van 1812. Die keuze was niet zo moeilijk omdat ik van Figes collega Adam Zamoyski al het vuistdikke boek gelezen heb over Napoleon’s veldtocht naar Rusland. Over de decembristenopstand heeft Zamoyski ook al geschreven in De Fantoomterreur. “Kinderen van 1812″ gaat dus over een episode van de Russische geschiedenis waar ik al het een en ander van weet.

De bloei van de Russische cultuur in de negentiende eeuw is ondenkbaar zonder Napoleon’s veldtocht naar Rusland. De “Kinderen van 1812″ legden de basis voor de zogenaamde Russische renaissance. De verschrikkingen van 1812 hadden toch ook een positieve kant. Doordat de geest van de Franse Revolutie definitief ook Rusland bereikt had, begon de Russische samenleving te ontwaken. Figes beschrijft het conservatisme van de Russische aristocratie. Deze was volledig Frans georiënteerd. Men las Franse schrijvers en men sprak Frans aan het hof en in de hogere kringen. Omdat officieren in het leger allemaal van adel waren, werd in het Russische leger ook Frans gesproken. Maar de veldtocht van 1812 zou alles veranderen. Frankrijk was niet langer de hoeder van de Russische aristocratie maar de vijand!

Gewone soldaten waren bijna zonder uitzondering ongeletterde lijfeigenen, die door de officieren niets meer waren dan menselijke beesten. De oorlog van 1812 schakelde het lot van de officieren en soldaten, dus van aristocraten en lijfeigenen, gelijk. Officieren ontdekten dat lijfeigenen mensen bleken te zijn. En lijfeigenen ontdekten dat officieren ook hele gewone mensen waren. In 1812 ontwaakte de Russische ziel zou je bijna kunnen zeggen. De idealen van “vrijheid, gelijkheid en broederschap” zorgden ervoor dat er een Russisch nationalisme ontwaakte. Officieren gingen in het leger Russische woorden gebruiken om hun soldaten dieper aan te kunnen spreken. Sommigen van deze officieren zouden in 1825 verantwoordelijk zijn voor de opstand tegen de omstreden tsaar Nicolaas I.

Maar met “Kinderen van 1812″ bedoelt Figes zeker ook de kunstenaars die de Russische ziel aanschouwelijk en hoorbaar maakten. In de allereerste plaats was dat natuurlijk Aleksandr Poesjkin (1799-1837). Aan hem is het te danken dat het Russisch de gemeenschappelijke taal wordt van alle Russen, van adel én lijfeigenen, ook al waren die laatsten bijna altijd analfabeet. Maar Poesjkin richtte zich ook naar hen. De Russische cultuur veranderde van een soort dépendance van Frankrijk in een eigen cultuur. Voor 1812 was het voor een aristocraat onmogelijk om kunstenaar te zijn. De adel was voorbestemd voor staatsdienst, moest zijn leven geven aan de Russische staat. Door de veldtocht van Napoleon zou dat gaan veranderen. De gewone Rus moest nog altijd kruipen, maar begon zich bewust te worden van zijn lot. In Gribojedovs drama Lijden door verstand uit 1823 zegt Tsjatski: “Ja, dienen graag, maar nooit kruipen leren.”

Ja, dienen graag,
maar nooit kruipen leren.

uit “Lijden door verstand” (1823)

Natasja’s dans is een monumentale cultuurgeschiedenis van Rusland vanaf circa 1770 tot circa 1970, waarbij vooral literatuur en muziek en in iets mindere mate schilderkunst en beeldende kunst aandacht krijgen. De titel, ontleend aan een scène in Tolstojs Oorlog en vrede, is een soort zinnebeeld voor ‘de ziel en identiteit van het Russische volk’; Figes tracht die in het boek te definiëren als een mengeling van de Europese elitecultuur (Sint-Petersburg) en de meer Oosters gewortelde boerencultuur (Moskou), alsook de voortdurende spanning tussen beide. Figes probeert ook te verklaren waarom literatuur en andere kunstvormen altijd zo’n belangrijke rol hebben gespeeld in het leven van de Russen; hij ziet met name oorzaken in het altijd ontbroken hebben van (democratische) vrijheidsbeginselen, waardoor kunst telkens de rol kreeg toebedeeld om uitdrukking te geven aan wat er werkelijk onder het Russische volk leefde.
 
Bron:nl.wikipedia.org