Als je in maritieme geschiedenis geïnteresseerd bent, is de kans groot dat je al eens een boek van Patrick O’Brian (1914-2000) hebt gelezen. Zijn roman Master and Commander uit 1969 stond aan het begin van een reeks romans over kapitein Jack Aubrey en scheepsarts Stephen Maturin aan boord van het achttiende eeuwse fregat HMS Surprise. Patrick O’ Brian was 55 toen hij aan zijn levenswerk begon en vlak voor zijn dood in 2000, was hij aan zijn laatste roman bezig The Final Unfinished Voyage of Jack Aubrey die onvoltooid gebleven is, maar in 2004 werd gepubliceerd. De verfilming van Master and Commander kon de schrijver niet meer meemaken, maar hij zou er mee ingestemd hebben dat deze in handen was gegeven van Peter Weir. Deze ouwe rot in het vak maakte in 1975 al het meesterwerk Picnic at Hanging Rock. Daar had hij toen een budget voor nodig van nog geen half miljoen dollar. De verfilming van Master and Commander kostte driehonderd maal zoveel!
Peter Weir behoort samen met David Lynch tot die zeldzame regisseurs die het onheilspellende aantrekkelijk en sexy kunnen maken. En die eigenschap komt uitstekend van pas om van Master and Commander een indringende film te maken over de oorlog op zee, de hel op het water. Maanden lang met honderdvijftig man eindeloos lange dagen wachtend op zee, wachtend op de hel die gaat losbarsten. Peter Weir die met een co-auteur het filmscenario schreef, maakte drastische keuzes, liet veel uit de roman weg en spon nieuwe verhaallijnen uit. De keuze om de film in 1805 te situeren en in niet in 1812, was een marketingtechnische. In 1812 was de Engelse zeemacht in oorlog met de Verenigde Staten en de productiemaatschappij wilde niet het risico lopen dat dit bij het Amerikaanse publiek weerstand zou oproepen. Daarom werd het toneel verschoven naar de Derde Coalitieoorlog in 1805 toen Engeland in oorlog met Frankrijk was. Zoals in de film het Franse schip door de Engelsen gekraakt wordt, zo zal de Franse filmpers deze film gekraakt hebben.

De romans van Patrick O’Brian roepen een wereld op die tot in de details beschreven wordt en waarin je helemaal meegenomen wordt. Peter Weir heeft deze vervoerende manier van vertellen schitterend in film gebracht. De oscar voor de beste cinematografie werd terecht verzilverd. Met effectieve cinematografie worden we in de eerste scene het verhaal binnengezogen. Weir maakt veel gebruik van een aftastende camera en filmt soms dicht op de huid.
Het eerste beeld is de donkere en eindeloze verlatenheid van de oceaan waarboven het oog van de camera zweeft. Dan snijdt een schip diagonaal door het beeld en is snel weer verdwenen als een nachtelijk roofdier. De muziek is donker en onheilspellend. We lezen in een opschrift wat de missie van dit schip is: Het fregat HMS Surprise moet een Frans schip opsporen, vernietigen en de buit veroveren. Het schip blijkt een oorlogsschip dat ten strijde trekt. Daarna duikt de camera in de ingewanden van het schip en volgt een lange shot van voren naar achteren. Deze shot roept herinneringen op aan Das Boot van Wolfgang Petersen uit 1981. Een dergelijke shot werkt als een soort autopsie waardoor het schip op een levend wezen gaat lijken. Dat wordt nog versterkt omdat we geen bemanning te zien krijgen. In eerste instantie lijkt het schip op een spookschip. In de daarop volgende scene breekt de dag aan en wordt ‘het schip’ wakker. Nu krijgen we de bemanning te zien, ruwe zeebonken, officieren, maar ook jongens uit rijke families in uniform. We zien geen enkele vrouw en Weir zal dat gedurende de hele film volhouden. It’s a men’s world. Het is een magistrale beginscene. Door een paar ‘simpele’ shots zijn we nu zelf aan boord gekomen en we weten waar we zijn: op een Engels schip ergens voor de kust van Braziliëin 1805 met de missie een Frans schip te vernietigen.

Master and Commander (2003) behoort samen met Gettysburg (1993) tot een van de beste oorlogsfilms die ik de laatste jaren gezien heb. Dat komt vooral omdat de romans van Patrick O’Brian en Michael Shaara ijzersterk zijn. De nadruk ligt op de mensen, op de duivelse dilemma’s waar zij voor gezet worden en op het proces van ontmenselijking waarin zij gevangen zijn. De druk wordt door de situatie verpletterend. Wanneer op een ongelukkig moment het roer kapot geschoten was en het fregat doelloos op het water dobbert, als speelbal van de golven en als schietschijf voor de vijand, spreekt de kapitein het doodvonnis uit: “We zitten als haringen in een ton gevangen!”
Tall Ship Rose is a replica of an 18th century Royal Navy frigate that cruised the American coast during the Revolutionary War. Built in Lunenburg, Nova Scotia, the Rose operated as a sail training vessel from 1985 to 2001. Thousands of people from all over the world experienced adventure at sea aboard the Rose as she ranged from her homeport in New England as far north as Labrador and as far south as Grenada, into the Great Lakes as far west as Duluth and east to the Atlantic coast of Europe. In 2003 the ship appeared as the HMS Surprise in the 20th Century fox film Master and Commander: Far Side of the World starring Russell Crowe and directed by Peter Weir.
Bron: digg.be
Master and Commander: The Far Side of the World [ en.wikipedia.org ]
Tall Ship Rose is a replica of an 18th century Royal Navy frigate that cruised the American coast during the Revolutionary War. Built in Lunenburg, Nova Scotia, the Rose operated as a sail training vessel from 1985 to 2001. Thousands of people from all over the world experienced adventure at sea aboard the Rose as she ranged from her homeport in New England as far north as Labrador and as far south as Grenada, into the Great Lakes as far west as Duluth and east to the Atlantic coast of Europe. In 2003 the ship appeared as the HMS Surprise in the 20th Century fox film Master and Commander: Far Side of the World starring Russell Crowe and directed by Peter Weir.
De laatste dagen ben ik mij er weer extra van bewust hoe visuele communicatie mijn gedachten beheerst. Ik schrik er van als het tot mij doordringt, want het mechanisme is weliswaar ontmaskerd, maar tóch te laat. Mijn gedachte ís al bepaald door wat de media mij hebben toegediend: beelden vooral, suggestieve beelden. Om de manipulaties te ontmaskeren, neem ik vaak eerst afstand door naar het verleden te kijken. Is de manipulatie van de media iets nieuws? Hoe zag de beeldcultuur van de negentiende eeuw er eigenlijk uit? Welke waarden werden toen verkocht? Even uit de blob stappen.
In een MeWorld voelen we ons natuurlijk veel vrijer em veiliger dan in een blob waarin we bang gemaakt worden met het hellevuur en de grote bek van het monster. Dat er een oprechte waarschuwing aan deze representatie verbonden was, is nu bijna ondenkbaar geworden. We geloven allang niet meer in de hel van ‘de middeleeuwse blob’. De dreiging van de hel is echter niet verdwenen, maar heeft nu een ander beeld aangenomen, een representatie die je in commercials nooit te zien zult krijgen, maar wéll in films als an inconvenient truth en the age of stupid.
Vorige week kocht ik een eerste druk van Geschichte der Philosophie van Karl Vorländer. Het eerste overzicht van de filosofiegeschiedenis, Kleine Weltgeschichte der Philosophie van Hans Joachim Störig uit 1950 (Nederlandse vertaling 1962), kocht ik tijdens mijn studie 25 jaar geleden. Störig moet het overzicht van Vorländer als uitgangspunt hebben genomen. Mijn eerste kennismaking met het overzicht van Vorländer is de inhoudsopgave en een vergelijking met de mij vertrouwde indeling van Störig dringt zich vanzelf op. Het eerste dat opvalt, is dat de geschiedenis van de filosofie aan geschiedenis onderhevig is.
Het verschil tussen beide indelingen zit vooral in de secundaire stromingen tussen 1840 en 1900. Johann Friedrich Herbart (1776-1841) wordt door Störig heel even genoemd, terwijl Vorländer nog twee paragrafen (13 bladzijden) aan zijn filosofie wijdt. (Ter vergelijking: Nietzsche krijgt slechts vijf bladzijden toebedeeld.) Friedrich Eduard Beneke (1798-1854) krijgt bij Störig drie regels, Vorländer gaf hem nog drie bladzijden. Eén ding is duidelijk: Herbart en Beneke waren in 1950 passé. En zo is het gebleven. Het neo-kantianisme waar Vorländer zelf een vertegenwoordiger van was, komt in zijn eigen overzicht uiteraard ruim aan bod (47 bladzijden). Störig wijdt krap acht bladzijden aan de neo-kantianen en schakelt daarna over op de filosofie van de twintigste eeuw en noemt bekende namen die bij Vorländer in 1908 uiteraard ontbreken: Edmund Husserl (1859-1938), Max Scheler (1874-1928), Arnold Gehlen (1904-1976), Karl Jaspers (1883-1969), Jean-Paul Sartre (1905-1980), Martin Heidegger (1889-1976), Bertrand Russell (1872-1970), Ludwig Wittgenstein (1889-1951) en Karl Popper (1902-1994).
Karl Vorländer over Immanuel Kant












