in over nut en nadeel van geschiedenis voor het leven (1874)
Veertig jaar vóór het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog schreef Friedrich Nietzsche (1844-1900) de profetische woorden: “Es ist gewiß die Stunde einer großen Gefahr: die Menschen scheinen nahe daran, zu entdecken, daß der Egoismus der einzelnen, der Gruppen oder der Massen zu allen Zeiten der Hebel der geschichtlichen Bewegungen war; zugleich aber ist man durch diese Entdeckung keineswegs beunruhigt, sondern man dekretiert: der Egoismus soll unser Gott sein.”
Deze woorden zijn 140 jaar later onverminderd actueel, zeker na de kredietcrisis van oktober 2008. Nietzsche spreekt niet alleen tegen de Gordon “greed-is-good” Gekko’s van zijn tijd, maar ook tegen filosofen en historici, die het egoïsme als de motor achter het wereldgebeuren zagen. De domineeszoon uit Röcken wijst op de Tegenstander in het christelijk geloof. De vorst der duisternis die de mensheid door zijn hartstochten (hebzucht, ijdelheid, enz.) in zijn web ingesponnen heeft, is heer over de geschiedenis.
Friedrich Nietzsche: over nut en nadeel
van geschiedenis voor het leven
Bron: Nietzsche: over nut en nadeel van geschiedenis voor het leven
Toen ik voor het eerst een foto van Eduard von Hartmann zag, dacht ik met de broer van Nietzsche te maken te hebben. Dezelfde treursnor. Plus forse extensie op de kin. Hartmann was een volbloed tijdgenoot van Nietzsche. Hij werd twee jaar eerder geboren en stierf zes jaar later. In tegenstelling tot de filosoof met de hamer kende hij geen periode van geestelijke duisternis aan het einde van zijn leven, dus kun je zeggen dat hij in geestelijke zin zijn tijdgenoot zestien jaar overleefde. Vergeleken bij Nietzsche die nu nog dagelijks geciteerd wordt, is Hartmann bijna vergeten. Maar in de jaren zeventig en tachtig toen beiden hun geschriften publiceerden, was Nietzsche vrijwel onbekend terwijl Hartmann als filosoof veel succes kende. 













