Categorie archief: filosofie

de gestalte der toekomst (1950)

gelezen: Das Ende der Neuzeit van Romano Guardini

Das Ende der NeuzeitDe Duitse theoloog en cultuurfilosoof Romano Guardini (1885-1968) was een tijdgenoot van Martin Heidegger (1889-1976). Beiden studeerden aan het begin van de twintigste eeuw theologie (Guardini in Tübingen en Heidegger in Konstanz en Freiburg) en raakten als jonge theologen verwikkeld in de Modernismusstreit waarin de Rooms-katholieke Kerk moderne theologische opvattingen bestreed. Guardini werd in 1910 tot priester gewijd en ook Heidegger leek voorbestemd om priester te worden. Na een blauwe maandag bij de Jezuïeten, zag hij in 1909 van het priesterschap af. Twee jaar later verruilde hij zijn studie theologie voor de filosofie. In 1915 habiliteerde de dan 26-jarige Heidegger met een studie over Duns Scotus. In hetzelfde jaar kreeg de 30-jarige Guardini de doctorstitel in de theologie met een studie over Bonaventura, zijn eerste in een lange reeks theologische studies. Daarnaast publiceerde hij ook cultuurfilosofische studies over o.a. Hölderlin, Dante, Pascal en Kierkegaard. Heidegger viel kort na de Eerste Wereldoorlog van zijn geloof en keerde zijn vroegere broodheer, de Rooms-katholieke Kerk, de rug toe.

Romano Guardini 1885-1985
Romano Guardini kreeg bij zijn honderdste geboortedag een postzegel. Zijn tijdgenoot Martin Heidegger viel rond zijn dertigste van zijn geloof. In 1933 koos hij zelfs voor het nationaal socialisme. Dat laatste maakt hem nog altijd tot een omstreden filosoof en om die reden heeft de Deutsche Post hem nog steeds niet met een postzegel willen eren.

Guardini ontwikkelde zich in de geest van zijn tijd tot een existentialistisch theoloog en schreef in hoog tempo theologische werken. Tot zijn bekendste werken behoren Vom Geist der Liturgie (1918) en Der Herr. Betrachtungen über die Person und das Leben Jesu Christi. (1937). Kort na de Tweede Wereldoorlog kwamen zowel Guardini als Heidegger in een depressie terecht. Heidegger schreef in 1946 zijn Brief über den “Humanismus”, waarin hij onderzocht of en hoe er na de verschrikkingen van de oorlog aan het woord humanisme nog betekenis kon worden gegeven. Guardini gaf in 1947 en 1948 in Tübingen en in 1949 in München een aantal colleges die in 1950 selectief bijeengebracht werden in het essay Das Ende der Neuzeit. Hierin schetste hij de historische ontwikkeling van Europa sinds de Middeleeuwen, met het accent op de verdringing van het christelijk geloof door de moderniteit en de hoop voor de toekomst. Anders dan in Novalis‘ essay Der Christenheit oder Europa (1799) zag hij geen visioen van een verenigd christelijk Europa. Hij stelde zijn hoop niet op een politieke werkelijkheid maar op Christus.

Wat [...] levensbeschouwingen als die van het Franse existentialisme betreft: hun negatie van de zin des levens is zo gewelddadig, dat men zich afvraagt of zij niet een bijzonder vertwijfelde vorm van romantiek vormen, die door de aardbevingen der laatste decennia mogelijk is geworden.

Romano Guardini
in: Das Ende der Neuzeit (1950)

De Tweede Wereldoorlog laat in Duitsland diepe wonden na. Velen vragen zich af hoe een beschaafd volk deze verschrikkingen heeft kunnen laten gebeuren. Er ontstaat een indruk dat het ideaal van de moderne, redelijke, humane mens ten einde gelopen is. Guardini is door de oorlog veranderd. Hij meent dat de catastrofe met Hitler uiting en voorbode is van het einde van een tijdperk en tegelijk het angstwekkende begin van een nieuw tijdperk. Hij herhaalt steeds hoe dat alles wel moest gebeuren in het kader van de toenmalige cultuurgeschiedenis. Hij thematiseert dit in zijn essay Das Ende der Neuzeit (1950), maar in het enthousiasme van de wederopbouw vindt zijn geluid geen weerklank.
 
Bron: nl.wikipedia.org

Boeken van Guardini bij Matthias Grünewald Verlag
Romano Guardini im Internet

barbaarse metafysica

gelezen: Metafysica en Misdaad (1990) van Rüdiger Safranski
in Hoeveel waarheid heeft de mens nodig?

Rüdiger Safranski Duitsland zou het land zijn van dichters en denkers. Wanneer je een boek van Rüdiger Safranski leest, hoef je daar in elk geval niet meer aan te twijfelen. Safranski schreef een vuistdikke biografie over Martin Heidegger, monografieën over E.T.A. Hoffmann, Schopenhauer, Nietzsche en Schiller, een studie over het kwaad en een hele stapel opstellen over o.a. Rousseau, Kleist, Kant, Kafka en Freud. Zijn laatste boek, dat in een Nederlandse vertaling verscheen onder de titel Romantiek. Een Duitse Affaire, kreeg lovende kritieken.

Michaël Zeeman schreef ooit in De Volkskrant dat wanneer je Safranski een filosofisch, moreel of politiek idee geeft en hem er even op laat kauwen, je dan altijd een scherpe analyse kunt verwachten. Safranski is een meester in het volgen van filosofische hersenspinsels en legt deze vast in een literaire stijl. Filosofie wordt bij hem een spannend avontuur. Zijn intellectuele bereik is indrukwekkend. Voor de historische achtergronden schildert hij virtuoos weidse panorama’s van de turbulente Duitse geschiedenis.

Hoeveel waarheid heeft de mens nodig?Hoeveel waarheid heeft de mens nodig? is een bundeling van essays die Safranski in de jaren tachtig schreef. Met zijn onderwerpen richt hij zich op het menselijk tekort. De bundel opent met een citaat van Georg Büchner. “Er is een fout geslopen in hoe we geschapen zijn; we missen iets, ik heb er geen naam voor – maar we zullen het niet vinden door in elkaars ingewanden te wroeten, dus wat zouden we elkaars lichamen ontweien? Ga heen, we zijn miserable alchemisten.” In de jaren negentig zou Safranski in zijn studie over het kwaad, het menselijke tekort, zijn (on)vrijheid nog preciezer onder de loep nemen.

Ik las het opstel Metafysica en Misdaad over Hitler en Goebbels. Het nationaal socialisme keert in Safranski’s boeken telkens terug. In Romantiek. Een Duitse Affaire analyseert hij o.a. in hoeverre je de historische Romantiek verantwoordelijk kunt stellen voor de gruwelen van het Derde Rijk. In het essay Metafysica en Misdaad kijkt hij in de afgrondelijke diepte van het nationaal socialisme naar de verwrongen denkbeelden uit de filosofische traditie.

Uit Nietzsches ‘wil tot macht’, uit Schopenhauer’s ‘wil tot leven’ en uit Darwins tot sociaal-darwinisme getrivialiseerde leer van de ‘selectie’ van het levensvatbare, compileert Hitler zijn metafysische levenswet.

Safranski in: Metafysica en Misdaad

Metafysica beijvert zich zoals bekend door de oppervlakkige, in de regel kwellende en beangstigende werkelijkheid heen te dringen om het onderliggende ‘wezen, de oriënterende ‘zin’ ervan bloot te leggen. Zo gaat ook Hitler te werk. Hij wil door de gebeurtenissen op de voorgrond – de troebelen van de burgeroorlog, de inflatie, de verandering van de moraal, de verstedelijking, de massacivilisatie, de verwoesting van de natuur, het isolement, de vertechnisering, enzovoort – heendringen en het ‘eigenlijke’ gebeuren, dat daarachter schuilgaat, blootleggen. En hij komt daarbij in een kosmische dimensie terecht – ook dat is een specialiteit van de metafysica. Uit Nietzsches ‘wil tot macht’, uit Schopenhauer’s ‘wil tot leven’ en uit Darwins tot sociaal-darwinisme getrivialiseerde leer van de ‘selectie’ van het levensvatbare, compileert Hitler zijn metafysische levenswet. (…)
 
Bron: Hoeveel waarheid heeft de mens nodig? Uitgeverij Atlas Amsterdam, 2004 (blz. 141) vertaling Mark Wildschut

Hoeveel waarheid heeft een mens nodig? [ uitgeverijatlas.nl ]

zwart(gallig) beertje

La Nausée (1938) van Jean-Paul Sartre

walgingToen ik 25 jaar geleden met twee vrienden door Peru en Bolivia reisde, had ik wat zwarte beertjes in mijn rugzak. Een paar Maigrets van Georges Simenon en een pocket van Jean-Paul Sartre. Het was een Nederlandse vertaling (door H.P. van Aardweg) van zijn bekendste roman La Nausée. Ik meende dat Jean Paul Sartre (Michel Houellebecq had in 1986 nog niets geschreven) hielp bij het afbranden van valse verwachtingen. Als drieëntwintigjarige hield ik uit voorzorg alle verwachtingen a priori voor vals, als een laffe vlucht uit de barre realiteit. Hier en nu, dat was het. Niets meer en niets minder.

Ik weet nog wel dat ik erin las op het dak van een hotel in Arequipa, op een bootje op het Titicacameer en wachtend op de bus in La Paz. Nog steeds heb ik de pocket, die inmiddels bijna een halve eeuw oud is, bewaard als een herinnering aan die reis. Sommige zinnen zijn onderstreept. Ze hebben destijds indruk op mij gemaakt. Een vriend vertelde mij later dat hij De Avonden van Gerard Reve (een vergelijkbaar boek) veel beter vond dan La Nausée. “Heb jij één keer moeten schateren bij Sartre?” Hij had inderdaad gelijk. Toch is de borende intensiteit van La Nausée indrukwekkend. Je kunt het misschien vergelijken met de legendarische colleges van Martin Heidegger over de verveling. Honderden pagina’s lang hield hij zijn studenten op het puntje van de stoel, terwijl hij met chirurgische precisie het epicentrum van de verveling beschreef. Overigens wilde Sartre zijn (gedeeltelijk autobiografische) roman, in de vorm van een dagboek, publiceren onder de naam Melancholia. Maar onder druk van zijn uitgever Gaston Gallimard is de titel veranderd in La Nausée.

Maandag 29 januari 1932,
Er is mij iets overkomen,
ik kan er niet meer aan twijfelen.
Het is gekomen als een ziekte,
niet als een gewone zekerheid,
niet als een duidelijke gebeurtenis.

beginzin uit La Nausée

zwart beertjeSartre’s verhaal, als men het een verhaal mag noemen, is meeslepend door de eindeloze verveling, de grauwe doodsheid der schildering bijkans zonder enige actie. Woorden, welke in de enkele gesprekken met de anderen worden gewisseld, glijden langs elkaar. Geen spoor van menselijke warmte, geen medelijdend gebaar, geen blik van innige verstandhouding, slechts kilte, nuchterheid, beklemmende en tot een gevoel van walging opstijgende wanhoop.
 
Bron: inleiding door E.A.D.E.Carp ( Zwarte Beertjes 434)

La Nausée [ nl.wikipedia.org ]