Categorie archief: filosofie

het echte leven volgens Soφie

gelezen: het nieuwste nummer van Soφie

Soφie nummer 2Soφie, een uitgave van de Stichting voor Christelijke Filosofie, gaat in het tweede nummer (mei 2011) nog even door op het thema van de afgelopen Maand van de Filosofie: Het echte leven. Er is echt een levensgroot verschil in hoe christenen en niet-christenen over ‘het echte leven’ filosoferen. In Filosofie Magazine gaat bijna iedereen ervan uit dat ‘het echte leven’ een constructie is. Maarten Doorman schrijft in het aprilnummer bijvoorbeeld dat ‘het echte leven’ een romantisch bedenksel is, dat nu aan het verdwijnen is. De meeste denkers die over ‘het echte leven’ reflecteren, beschouwen ‘het echte leven’ als een menselijke constructie.

De meeste denkers die over „het echte leven„ reflecteren, beschouwen ‘het echte leven’ als een menselijke constructie.
De dringende vraag naar echtheid is een signaal dat er in de cultuur iets aan het verschuiven is. Het duidt op een collectief afscheid van de levenshouding die met een vage en inadequate term als ‘postmodernisme’ werd aangeduid. Wat dit postmoderne ook inhield, men was het er in elk geval over eens dat alles een kwestie is van stijl. Postmodern denken was een leerschool in het herkennen en doorzien van stijl en constructie. We leerden te zien dat wat echt lijkt vaak een kwestie van fictie is. Echte gevoelens en gedachten – ook de meest intieme – kunnen tot stand komen door citeren of imiteren, zoals Roland Barthes dat liet zien voor de taal die verliefden spreken. Niemand kon zo schitterend uitleggen als hij dat de frase ‘ik hou van jou’ in feite niets betekent, en dat het schijnbaar onomstotelijke feit van ons verliefde gevoel op fictie en taalspel berust. De taal van de verliefden beschrijft niet de werkelijkheid van mijn verliefdheid, want buiten de taal om betekent die verliefdheid niets. Verliefdheid is een en al verbeelding, en de taalfiguren zijn de pogingen van de verliefde om zich die onherbergzame wereld een plaats te verschaffen.
 
uit: Renée van Riessen, Wil je het echte leven? Lees dan Lolita. in Soφie #2 2011

Het postmoderne monisme (‘alles is constructie’) kun je herleiden tot wat Immanuel Kant over de menselijke geest heeft gezegd. Onze geest richt zich niet naar de dingen, maar de dingen richten zich naar onze geest. In de perceptie en receptie worden de prikkels die we met onze zintuigen uit de buitenwereld hebben opgevangen tot ‘beelden’ geconstrueerd. Hoe de wereld in werkelijkheid is, dus ook hoe het échte leven is, daarover kunnen we met ons verstand geen enkele uitspraak doen. Kant noemt ‘het échte leven’ eigenlijk het Ding an Sich. Vervolgens duikt de Duitse identiteitsfilosofie er bovenop. Fichte doopt het Ding an Sich om in het Ich. Hegel in Absolute Geist en Schopenhauer noemt het Wille. Maar voor het postmodernisme blijven dit allemaal weer menselijke constructies, táálconstructies. Taal is in het postmodernisme de grote gelijkmaker en maakt alle filosofie, de Grote Verhalen en de Grote Woorden met de grond gelijk. Waarheid bestaat niet, er zijn alleen ‘eigen waarheden’ (meningen). Met ons verstand hebben we geen toegang tot de Waarheid, alleen tot geconstrueerde waarheid, en die moet klein gehouden worden, want grote waarheden kunnen levensgevaarlijk zijn. De postmoderne mens is namelijk in de eerste plaats een zeer wantrouwende mens.

Niemand kon zo schitterend uitleggen als hij dat de frase
„ik hou van jou„ in feite niets betekent.

R. van Riessen over Roland Barthes

Het christelijk geloof geeft wéll toegang tot de Waarheid en het échte Leven: Jezus Christus. Voor het verstand alléén blijft deze Weg gesloten. Het verstand benadert geloofswaarheden als menselijke constructies. Met de basispremisse dat alle spreken over boven van beneden komt, heeft de moderne theologie met het fileermes van het ‘gezond’ verstand de geloofsopenbaring in mootjes gesneden en is ze de dienstmaagd van de wetenschap geworden.

Maar de meeste bijdragen in Soφie zijn geschreven door gelovige denkers. Vanuit de geloofopenbaring wélten zij dat ‘het échte leven’ bestaat en dat het tenslotte geen menselijke constructie is, maar het werk van de Schepper en de Verlosser. Na de boeiende artikelen over ‘het echte leven’ (als constructie) in Filosofie Magazine gaat Soφie voor mij persoonlijk nét iets verder. Daar waar het verstand niet volgen kan. In het échte leven van geloofsopenbaring, vertrouwen en geborgenheid waardoor het kind in ons kan (her)leven.

Sophie [ bewegingonline.nl ]

jongen, jongen, jongen…

filosoof Hans Achterhuis over het geweld in de wereld
gisteren gezien op HUMAN: De achterkant van het kwaad (2008)

Met alle geweldVorige maand werd Hans Achterhuis (1942) aangesteld als eerste Denker des Vaderlands en de Humanistische Omroep (HUMAN) herhaalde gisterenavond een documentaire uit 2008 naar aanleiding van zijn magnum opus Met alle geweld dat drie jaar geleden verscheen. Achterhuis lijkt versmolten met het thema geweld dat hem al zijn hele volwassen leven bezighoudt. Hij maakt een ernstige, bedachtzame en bijna timide indruk. De documentaire begint met een gesprek in een zogenaamd panopticum, een koepelgevangenis, volgens de Franse filosoof Michel Foucault én Hans Achterhuis een materialisering van (staats)geweld, geconstrueerd vanuit de gedachte dat je vanuit één centraal punt anderen met geweld jouw wil mag opleggen. Hierin is Achterhuis duidelijk een erfgenaam van het anti-autoritaire denken uit de jaren zestig, de jaren waarin hij zijn politieke bewustzijn ontwikkelde.

koepelgevangenis ArnhemHet panopticum is misschien wel dé architectonische uitdrukking van centraal gezag en autoriteit. In de jaren zestig was alles dat naar autoriteit neigde, bij voorbaat al verdacht en in potentie gewelddadig. Door het anti-autoritaire klimaat in de jaren zeventig veranderde ook de gevangenisarchitectuur. Dat is heel goed te zien in de Penitentiaire Inrichting Over-Amstel (Bijlmerbajes) uit 1978. Deze gevangenis ziet er eerder uit als een reusachtig Ibishotel. In plaats van tralies hebben de cellen ramen van dik kogelvrij glas om de gevangenen geen opgesloten gevoel te geven. Het is een gematerialiseerd eufemisme, zoals de beleefdheidswoorden ‘penitentiaire inrichting’ en ‘gedetineerde’. Maar de gevangenen maakt dit juist agressief omdat het kogelvrije glas het gevoel geeft op een hotelkamer te zitten. Intussen zit je achter het vriendelijke glas even gevangen als achter de grimmige tralies. Wat dat betreft is een panopticum duidelijker en ‘eerlijker’.

Hans AchterhuisIn de documentaire komen historische beelden voorbij die Hans Achterhuis in zijn denken over geweld gevormd hebben: de atoombommen op Japan, de oorlog in Indonesië, de rassenrellen in Zuid-Afrika, de dood van Che Guevarra en Ulrike Meinhof en de moord op Pim Fortuyn. De laatste gebeurtenis vormde een aanleiding om zijn reflecties op geweld te gaan bundelen en in 2008 verscheen het vuistdikke Met alle geweld. Achterhuis is een maatschappelijk betrokken filosoof die telkens probeert om de algemene vraag “Bestaat er rechtvaardig geweld?” zo concreet en actueel mogelijk te maken. De filosofische en abstracte vraag “Wanneer is geweld geoorloofd?” neemt bij hem altijd een heel concrete gedaante aan, bijvoorbeeld “Moet de Nederlandse regering een politiemissie naar Kunduz zenden?”

De ergste vijanden van de fascisten waren de fascisten
die het fascisme in zichzelf herkenden.

Hans Achterhuis

Als Denker des Vaderlands probeert hij ons te stimuleren onszelf te ondervragen over politieke, actuele en ethische kwesties die ons willen verleiden tot een vlugge en gemakkelijke stellingname. Van Hannah Arendt heeft hij de ernst en de bereidheid overgenomen om de mogelijkheid tot kwaad in onszelf te herkennen. Hij illustreert het met een historisch voorbeeld: “De ergste vijanden van de fascisten waren de fascisten die het fascisme in zichzelf herkenden.” Daarom stelt de Denker des Vaderlands dat we voor onszelf een vijand moeten worden en tegen onszelf moeten vechten. Dit is eigenlijk een heel christelijke gedachte. Achterhuis had voor zijn magnum opus graag een tekening van Rembrandt op de omslag gehad waarin Kaïn zijn broeder Abel doodt. De filosoof ziet het Bijbelverhaal als een van de vele oerverhalen over de oorsprong van het geweld in de wereld. Tijdens zijn lezingen wordt soms een fragment getoond uit 2001: A space odyssey van Stanley Kubrick, waarin het eerste gereedschap dat de mensaap hanteert een moordwapen wordt.

scene uit 2001: A space odyssey
iconisch beeld van de mensaap die het gewelddadige beest in ons vertegenwoordigt

Het is jammer dat Achterhuis zo gemakkelijk de constatering doet dat er altijd geweld in de wereld is geweest. Ga je een klein stukje terug in de Bijbel dan lees je het verhaal over de zondeval, die een verklaring geeft over het kwaad in onze ‘gevallen wereld’. Want bij gewelddadigheid hoort het kwaad, daar hoef je geen gelovige voor te zijn. Zo ook niet om aan te nemen dat vreedzaamheid bij het goede hoort. Achterhuis stelt dat je de mogelijkheid tot kwaad in jezelf moet herkennen om het tegen te kunnen houden. Maar dat is slechts voor een deel waar. Zelfkennis leidt inderdaad tot zelfbeheersing. En toch kunnen we het kwaad niet altijd tegenhouden en als we daar beter naar gaan kijken, dan blijkt achteraf dat we het kwaad tot onze schaamte opzettelijk gewild hebben. We hebben het onderbouwd met een constructie van edele, goede gedachten.

Hannah ArendtAchterhuis noemt dit het ‘doel-middel denken’. Daarbij is het doel altijd een hoger en abstract ideaal. Alle totalitaire systemen zijn hier exemplarisch voor. Om het goede te bereiken, moet het kwade worden uitgeroeid. Bij humanitaire interventie ligt het allemaal veel genuanceerder. Volgens Achterhuis moeten we bij humanitaire interventie in navolging van Hannah Arendt onze doelen zo concreet mogelijk benoemen om ons te beschermen tegen het kwaad. Want we worden voortdurend bedreigd door het gevaar van imagologie, het scheppen van een mooi beeld over onszelf. “Het beschermen van de burgerbevolking” is een veel te abstracte omschrijving. Er moeten juist heel concrete, militaire doelstellingen naar voren gebracht worden. Dan wordt ook duidelijk waar de humanitaire interventie over gaat en kan een verborgen agenda aan het licht komen. We moeten genadeloos eerlijk zijn tegenover onszelf zodat we niet genadeloos hoeven te zijn tegenover de ander.

De achterkant van het kwaad ( bekijk deze documentaire )

homo ludens

gelezen in Filosofie Magazine #3 ‘Historisch Profiel’
Romantici zien de mens het liefst spelend

Filosofie MagazineHet aprilnummer van Filosofie Magazine is gewijd aan ‘het echte leven’, het thema van de Maand van de Filosofie. Onze huidige obsessie met authenticiteit gaat terug naar de Romantiek en naar Jean-Jacques Rousseau en de Sturm und Drang, in het derde kwart van de achttiende eeuw. Maarten Doorman, bekend van o.a. De Romantische Orde (2004), stelt in zijn essay Het echte leven is ook maar een bedenksel dat ‘het echte leven’ een erfenis is uit de Romantiek.

Romantiek. Een Duitse AffaireVerderop in het aprilnummer gaat Maarten Meester in vogelvlucht door Rousseau, de Sturm und Drang en de Romantiek. Romantici zien de mens het liefst spelend heet zijn bijdrage. Safranski’s boek Romantiek. Een Duitse Affaire is inmiddels een standaardwerk geworden. Veel van wat Maarten Meester in het historische profiel naar voren brengt, kende ik al uit dit boek. Hij benadrukt het romantische ideaal van de homo ludens, de spelende mens, dat met name in de brieven Über die ästhetische Erziehung des Menschen door Friedrich von Schiller is uitgewerkt. Het romantische spel dat vooral in de ironie tot uitdrukking komt, is een fenomeen waar de moderne mens zeer vertrouwd mee is. Wanneer we stellen dat ‘het echte leven’ ook ‘maar’ een constructie is, bedoelen we niet dat ‘het echte leven’ niet bestaat, maar zijn we ons er veeleer van bewust dat ons leven een spel met de werkelijkheid is.

Schiller 1759-2009
Duitse postzegel uit 2009 ter gelegenheid van Schiller’s 250e geboortedag
De kunst is het domein bij uitstek waarin het ik zijn individualiteit kan uitdrukken.

uit: FM Historisch Profiel

Millenialang moest de kunstenaar zich vooral aan de genrevoorschriften houden, rationeel te werk gaan en de werkelijkheid zo getrouw mogelijk afbeelden. Fantasie en originaliteit golden daarbij als een gebrek. Nu wordt het opeens gewaardeerd, zelfs geëist dat de kunstenaar met iets nieuws komt en zijn gevoel toont. (…) De kunst is het domein bij uitstek waarin het ik zijn individualiteit kan uitdrukken. De kunstenaar heeft daarbij, doordat hij zich door zijn gevoel en talent laat leiden, het vermogen de werkelijkheid achter het alledaagse, het banale te schouwen. Een werkelijkheid die de gewone sterveling ontgaat.
 
Bron: Maarten Meester in Filosofie Magazine 2011 #3

Filosofie Magazine