Je hebt films die de nadruk leggen op één verhaal en films die juist de nadruk leggen op de vele verhalen. In de laatste soort films gaat het meestal over met elkaar vervlochten mensenlevens, waarbij hun aanwezigheid in de film ‘slechts’ een spoor is, om met de filosoof Levinas te spreken. In terloopse opmerkingen, persoonlijke ontboezemingen en het gepraat van anderen, komen mensen tevoorschijn die met de bagage van hun verleden rondlopen. Levensechte mensen in plaats van radertjes in een plot.

In Another Year volgen we een jaar lang het bedaarde en tevreden echtpaar Tom en Gerri. De voortkeutelende muzieknoten die hun voortkabbelende leven hier en daar benadrukken, herinnerden mij aan Heimat van Edgar Reitz, ook zo’n registratiefilm over gewone mensen en het alledaagse leven. Deze cinema is de volmaakte tegenhanger van actie en suspense. Geen adrenalineshots dus, maar subtiele en psychologische observaties. Toch, en dat is het knappe, wordt Another Year nergens vervelend en slaapverwerkend. Regisseur en schrijver Mike Leigh schept uit de pijnlijk-komische dimensie van de menselijke conditie en haalt daarin tenenkrommende en vaak hilarische momenten naar boven. Another Year focust daarbij op een van de meest wezenlijke aspecten van de menselijke conditie, onze tijdelijkheid, onze houding tegenover het verstrijken van de tijd en de acceptatie van ouder worden.
Another Year is alledaags en zonder plot waardoor de mensenlevens die in deze film opduiken op de voorgrond kunnen komen. Door de gesprekken aan de keukentafel, in de huiskamer en in de volkstuin bij Tom en Gerri leren we door de sporen de mensen een klein beetje kennen. Gerri‘s collega Mary bijvoorbeeld, een teleurgestelde en beschadigde ziel die zich nog altijd gedraagt als opgewonden meisje. Ze heeft nog wel het figuur van een twintigjarige, maar haar gezicht verraadt medogenloos dat ze fifty-something is. Ze wordt briljant vertolkt door Lesley Manville en steelt voor mij de show. Net als Tom‘s vriend Ken is haar leven getekend door tegenslag. In eerste instantie laten ze dat niet zo merken, maar laat op de avond na de nodige alcohol, valt het doek en is het opgepepte spel van de happy single afgelopen. Tegenover hun vrienden Tom en Gerri worden ze geconfronteerd met wie ze geworden zijn. Hun aanwezigheid verandert steeds meer in een biecht van hun gevecht met het leven.

het leven is niet erg vriendelijk geweest voor de alleenstaanden Ken en Mary
Hier en daar vond ik het spel te weinig subtiel, vooral in de lichaamstaal. Mensen die elkaar bij anderen ontmoeten, naast elkaar komen te zitten maar een instinctieve afkeer voelen voor de ander, gedragen zich zelden zo dat ze hun blik en lijf bijna demonstratief afgewend houden. Hierin laat Leigh naar mijn smaak, de overdrijving van de komedie iets te nadrukkelijk doorschemeren. Maar zijn mild observerende houding zonder oordeel verdient zonder meer respect. Meer dan eens werd ik balancerend op het randje van medelijden en afkeer achtergelaten en geconfronteerd met de vraag of wij ons geluk wel zelf in de hand hebben.
In Mon Oncle (1958) had Jacques Tati het thema gevonden dat hij in Play Time (1967) verder zou uitwerken: de invloed van het modernisme op het alledaagse leven. In de jaren vijftig en zestig was ‘de vooruitgang’ overal opgerukt en zichtbaar geworden. Wanneer je erbij wilde horen, was modern het toverwoord. Meewarig keek de moderne mens naar zijn ouderwetse soortgenoot die in het verleden was blijven steken.
In Mon Oncle is Monsieur Hulot een van die ouderwetse sukkels. Zijn zus en rijke zwager wonen in een ultramoderne maar steriele villa. Zelf woont hij in een krakkemikkig maar tot de verbeelding sprekende bovenwoning. In de relatie tussen Monsieur Hulot en zijn zwager Monsieur Arpel botst de ouderwetse gemoedelijkheid met het jachtige en snobbistische moderne leven. Terwijl in Play Time de wereld veranderd is in een futuristisch urbaan landschap, speelt Tati in Mon Oncle met het contrast tussen oud en nieuw. De oude wereld verdwijnt onder de sloophamers terwijl uit de puinhopen een nieuwe wereld van staal, beton en glas verrijst. Telkens keert in de film het beeld terug van de grens tussen beide werelden: een smeedijzeren hek van een gesloopte wijk terwijl daarachter grijze en monotone nieuwbouw is gekomen.



Play Time uit 1967 is een fantastisch kijkavontuur, ook al flopte de film destijds en raakte Jacques Tati daarna zonder werk. Het grote publiek zal in deze film de plot missen en het tempo te traag vinden. Maar juist in een observerende houding en in een bepaalde traagheid, toont Tati als geen ander de magie van het spel van de werkelijkheid. In de interactie tussen de mensen legt hij het omgangsritueel bloot. De inhoud van het gesproken woord is daarbij ondergeschikt gemaakt aan de vorm, het seinen van informatie en de gebaren die daarbij gemaakt worden. Tati houdt de stomme film met zijn theatrale lichaamstaal springlevend. Het zijn de gebaren zélf die een taal spreken, een taal die dieper lijkt te liggen dan het gesproken woord.
Play Time was een dure productie. Op de filmset aan de rand van Parijs liet Tati met schaalmodellen een futuristische stad bouwen die Tativille gedoopt werd. Toen alles gereed was, begonnen de opnamen die duurden van april 1965 tot oktober 1967. In Tativille is alles ultramodern: strak, koel van kleur en monotoon. We noemen dat futuristisch. Het is een biotoop voor robots, niet voor mensen. Ruim veertig jaar later kennen we de nadelen van de hyperfunctionele omgeving. De meanderende galerijflats in de Bijlmermeer die in de jaren zestig nog verwelkomd werden als een futuristische utopia, zijn inmiddels grotendeels afgebroken en vervangen door traditionele laagbouw. In 2011 zijn we minder futuristisch dan in 1966. Het functionalisme is er voor de mens en niet omgekeerd. Anders dan Charles Chaplin in Modern Times, laat Tati zien hoe de moderniteit op ons inwerkt. De mensen die een steriele omgeving als Tativille bevolken, worden net als hun omgeving ‘uitgekleed’, ze zijn de rol geworden die ze spelen. Een groep reizigers, een verkoper, een stewardess, een portier, allemaal zijn ze hun functie geworden, een geraamte van hun menselijkheid. Net als de architectuur is de mens een functioneel geraamte geworden.
Vorig jaar verscheen het boek 














