Achille Etna Michallon en Jean-Baptiste Camille Corot
Ik weet niet precies waar mijn fascinatie voor de schilderkunst van 200 jaar geleden precies vandaan komt. Heeft het te maken met de Romantiek? Met de emancipatie van het landschap in de landschapsschilderkunst? Of met de drang naar objectiviteit vlak voor het ontstaan van de fotografie? Het ontluikende historisme en oriëntalisme? De intimiteit van huiselijke taferelen van de Biedermeier? Of juist van het schurende tussen classicisme en realisme?
In ieder geval ligt het niet aan het systeem van Metternich dat van Europa een politiestaat maakte. Terwijl na 1830 Frankrijk en Engeland liberaler werden, nam de repressie in Oostenrijk, Rusland en Pruisen juist toe.
Toch is het ook interessant om te zien hoe de schilderkunst door de verstikkende Restauratie beïnvloed is. Expliciet en impliciet. Zo was Biedermeier politiek-correct zolang het zich maar terugtrok in het domein van het huiselijke. Alles wat de monarchie en het katholieke geloof verheerlijkte, kon zonder meer rekenen op de goedkeuring van de machthebbers.
De Franse landschapsschilder Achille Etna Michallon (1796–1822) behoort met Thomas Girtin (1775-1802), Karl Philipp Fohr (1795–1818), Wijnand Nuijen (1813-1839) en Gerard Bilders (1838-1865) tot de jong gestorven landschapsschilders uit de negentiende eeuw. Ze werden respectievelijk 26, 27, 23, 26 en 27 jaar oud.
Achille Etna Michallon werkte net als Karl Philipp Fohr in de omgeving van Rome waar hij in 1822 les gaf aan zijn landgenoot Jean-Baptiste Camille Corot. Corot zou zijn leermeester en leeftijdsgenoot 53 jaar overleven. Met Corot en de School van Barbizon zal het realisme in de Franse landschapsschilderkunst volwassen worden. In het werk van Achille Etna Michallon kondigt zich dat al aan. Dat is goed te zien in de studies die hij buiten maakte


waterval bij Mont Doré

Klooster van de heilige Scholastica, Subiaco

Landschap geïnspireerd door een blik op Frascati

waterval bij Terni (olieverfschets)

Cervara, la campagna romana
Corot schilderde afwisselend landschappen pur sang én landschappen met een Bijbels of mythologisch thema. Bovenstaand en onderstaand landschap zijn daar duidelijke voorbeelden van. Met het realisme van de School van Barbizon en Gustave Courbet maakte het landschap zich definitief los van haar literaire en religieuze legitimatie. Gustave Courbet, een van de grondleggers van het realisme, zei ooit “Ik heb nog nooit engelen gezien. Toon mij een engel en ik zal er een schilderen.” Tegen 1850 waren mythologische wezens (draken, centauren, engelen, enz.) uit het landschap verdreven om pas weer aan het einde van de eeuw terug te keren in het symbolisme.

Hagar en Ismaël in de wildernis met engel


Al in de inleiding van Het verdorven genootschap bekent Philipp Blom dat hij een afkeer heeft van Jean-Jacques Rousseau (1712-1778). Dat is begrijpelijk, want Blom is een bewonderaar van Denis Diderot (1713-1784) en het gedachtegoed van deze twee Franse denkers ligt wijd uit elkaar. Oorspronkelijk waren Diderot en Rousseau dik met elkaar bevriend. Blom schrijft daar soms ontroerend over. Ze deelden dezelfde achtergrond en trokken rond hun twintigste naar Parijs. Maar na hun dertigste begonnen ze uit elkaar te groeien. Diderot stelde zich steeds verzoenlijk op maar Rousseau zonk steeds verder weg in een diep wantrouwen. Rond hun vijftigste was de breuk definitief geworden.
Toch zou Diderot‘s tijd ook nog komen. Rond 1850 had in Europa het materialisme het idealisme eindelijk “drooggelegd” en was er weer volop belangstelling voor de radicale Verlichting waar Diderot zo’n groot voorstander van was. Hij vond dat de mens alleen op zijn verstand moet afgaan en dat de wetenschap de enige betrouwbare gids is die zijn licht in de duisternis van onwetendheid en bijgeloof werpt. Voor Diderot volgde Rousseau met zijn contra-Verlichting, die uiteindelijk zou uitgroeien tot de Romantiek, een religieuze weg.
Net als bij “Imagine there’s no heaven, It’s easy if you try, No hell below us, Above us only sky” van John Lennon vraag ik mij af in welke tijd Blom meent te leven. De laatste vijftig jaar is het christendom in West-Europa gemarginaliseerd en in een hemel en een hel wordt praktisch niet meer geloofd. We hebben helemaal geen imaginatie nodig om ons voor te stellen dat er geen hemel en hel zijn. Het ontbreekt juist aan verbeeldingskracht en geloof om ons wél voor te stellen dat er ook een “geestelijke topografie” is waarin een hemel en een hel wel degelijk plaatsen zijn. Het materialisme van de radicale Verlichting waar Blom zo hartstochtelijk voor pleit, heeft de weg naar onze hoofden allang gevonden.












