Vorig jaar op 15 oktober werd in Parijs het 100-jarige jubileum gevierd van Debussy’s meesterwerk La Mer. Het bestaat uit drie delen: I. De l’aube à midi sur la mer, II. Jeux des vagues en III. Dialogue du vent et la mer.
Zoals van de ochtend tot de middag het licht gestadig toeneemt, ofschoon enkele voor de zon schuivende wolken het bijwijlen verduisteren, en de glans over het water telkens wisselt, zo groeit in een grootse stijging versterkt door enkele verstillingen de klank van dit stuk. De wijde eenzaamheid van de zee en haar trage deining is hier en daar volkomen tot muziek geworden. Wonderlijk hoe Debussy de zuiver muzikale overeenkomstigheden voor zijn gegeven schiep; de korte golfslag van de secunden, de rustige onregelmatigheden van het lome Triton-signaal met zijn triolen en synkopen, het wiegelende hoofdthema van dit deel en de verre hymne tegen het slot die eindigt in een kort tumult.

Claude Debussy, de heimelijke omwentelaar, heeft in de Westeuropese toonkunst een nieuwe akoestische wereld ontsloten, door middel waarvan de daartoe bereide en voorbereide muzische mens toegang kan krijgen tot een belevingsgebied dat voordien in onze muziek terra incognita was. Het is de wereld van het als tijdloos ervaren ‘eeuwige heden’, waarvan niet het Doel wordt verheerlijkt, nagestreefd of veroverd, maar het Zijn wordt beleefd met de grootst mogelijk intensiteit. Het kunstenaarstype waarvoor deze wereld open ligt, is altijd het type dat de natuur als een ondeelbaar proces van ontstaan en vergaan groot, kosmisch ervaart en aan dit ervaren alleen soms ogenblikken dankt van extatisch geluk. De kunstenaar die bestemd is aan dergelijke momenten van ‘eeuwige heden’ een gestalte te geven, is het tegendeel van een ‘romantische dromer’. Hij is een gespannen spieder en luisteraar voor wie natuur nooit achtergrond is, decor waartegen hij eigen of anderer verdriet of drama projecteert. Natuur is hem steeds het symbool voor de buitenmenselijke realiteit, waarvan hij zichzelf en de mens in het algemeen een nietig en nooit dominerend onderdeel weet.
uit: Rudolf Escher, Debussy, Actueel Verleden
Uitgeverij Frits Knuf, Buren, 1985

Een ijl tussenspel, met soepele vluchtige en in elkaar verglijdende arabesken, die slechts een enkele maal uitgroeien, gelijk de melodie van de Engelse hoorn. Het verdicht zich geleidelijk, waar de motieven zich omstrengelen boven een lang aangehouden orgelpunt tot een overstelpende klank, die snel vervluchtigt.
III. Dialogue du vent et la mer
Bron: XYZ der Muziek van Casper Höweler (1936)
In bijna elk inleidend stuk dat je over Claude Debussy leest, wordt gerefereerd aan zijn bezoek aan het paviljoen van Nederlands-Indiëop de Wereldtentoonstelling van Parijs in 1889 waar hij in de ban raakte van een gamelan-orkest. We zijn nu gewend aan het verschijnsel wereldmuziek, maar in 1889 was de West-Europese muziek nog gesloten en volgde haar eigen traditie. In navolging van Chopin hadden in de tweede helft van de negentiende eeuw vooral de Russische componisten interesse getoond voor de eigen volksmuziek en deze in hun composities verwerkt. Zo waren er al invloeden uit de Slavische cultuur de Westerse muziek binnengestroomd.
Ravel was de enige van zijn Franse tijdgenoten die zich als componist naast Claude Debussy heeft kunnen handhaven. Hoewel beiden in hun werk vaak dezelfde invloeden hebben ondergaan ondermeer die van Mussorgsky en er niet zelden sprake is van een wederzijdse beïnvloeding, op het gebied van harmonische subtiliteiten en geraffineerde orkestbehandeling, is het musicologische denken van beide componisten fundamenteel verschillend. Waar zich bij Debussy gaandeweg het componeren ontwikkelde in een steeds grotere vrijheid, die nog slechts aan eigen wetten gehoorzaamt, ontpopte Ravel zich van het begin af als een classicistische componist, die de traditionele vormen met soeverein meesterschap wist te hanteren als kader voor zijn vernieuwingen. Kenmerkend is zijn zin voor vastomlijnde melodiepatronen, waarin zich aanvankelijk nog het voorbeeld van Chabrier en Fauré spiegelt. Van laatstgenoemde is tevens zijn voorliefde voor archaïsche modaliteiten afkomstig. Opmerkelijk is ten slotte het veelvuldige voorkomen van dansvormen in zijn werk.












