Categorie archief: Duitsland

Heidegger’s Heimat [ 5 ]

Komende zomer hopen we Heidegger‘s berghut te bezoeken
aan het lezen in Heidegger en zijn tijd van Rüdiger Safranski

Martin HeideggerMartin Heidegger is een van de weinige grote filosofen van de twintigste eeuw die zich zijn hele leven heeft opengesteld voor de religieuze dimensie van het bestaan. Hoewel hij rond zijn dertigste, kort na de Eerste Wereldoorlog, afstand had gedaan van het katholieke geloof, was hij er wel door gevormd. Niet alleen als kind maar ook als student en jonge filosoof. Een typisch Heideggeriaans begrip als Seinsvergessenheit is te herleiden tot zijn eerste teksten die hij tussen 1910 en 1912 schreef voor het katholieke maandblad Der Akademiker. Hierin verdedigde hij de traditie tegenover de oprukkende moderniteit. Een van deze stukken gaat over de Deense schrijver en essayist Johannes Jørgensen en is getiteld Per mortem ad vitam (‘van de dood naar het leven’). Het geloof is voor de jonge filosoof in deze jaren nog een veilige haven en een plek van (oorspronkelijk) leven. In tegenstelling tot de geestelijke stromingen van de moderniteit (zoals het Darwinisme) die de mens ‘metafysisch dakloos’ maken. Ook als Heidegger zélf ‘metafysisch dakloos’ is geworden, blijft hij zoeken naar ‘oergeborgenheid’ en ziet hij de moderniteit als een voortdurende bedreiging van het oorspronkelijke zijn.

In het maartnummer (Der Akademiker) van 1910 schrijft hij een recensie (Per mortem ad vitam (Gedanken über Jörgensens Lebenslüge und Lebenswahrheit). In: Der Akademiker II. Jhg., Nr. 5, März 1910) van een levensbeschrijving van de Deense schrijver en essayist Johannes Jørgensen. Lebenslüge und Lebenswahrheit luidt de Duitse titel van het boek. Het schildert de geestelijke ontwikkelingsgang van darwinisme naar katholicisme, weergegeven als weg uit de vertwijfeling naar geborgenheid, uit de trots naar de deemoed, uit de teugelloosheid naar de levende vrijheid. Voor de jonge Martin Heidegger is dit een exemplarische en leerzame weg, omdat hij alle dwaasheden en verlokkingen van de moderne tijd doorkruist om tenslotte uit te komen bij de rust en het heil van het kerkelijk geloof, dus bij de bovenaardse waarde van het leven.
 
uit: Rüdiger Safranski, Heidegger en zijn Tijd, blz. 37.
Uitgeverij Olympus/Contact, derde druk 2002 (vertaling: Mark Wildschut)

Martin Heidegger bibliografie

Heidegger’s Heimat [ 4 ]

Komende zomer hopen we Heidegger‘s berghut te bezoeken
aan het lezen in Heidegger en zijn tijd van Rüdiger Safranski

Martin HeideggerIn de voetsporen van Martin Heidegger betekent soms ook in de voetsporen van Friedrich Hölderlin. Op weg naar Heidegger‘s berghut in Todtnauberg willen we eerst een bezoek brengen aan Tübingen waar Hölderlin samen met Schelling en Hegel aan de Tübinger Stift theologie heeft gestudeerd. In 1807 werd de hypochondrische dichter krankzinnig verklaard. De Tübinger timmerman Ernst Zimmer had nog ein Zimmer frei in zijn woontoren. Hölderlin zou er 37 jaar lang, tot aan zijn dood in 1843, blijven wonen. Tegenwoordig is er een klein museum ingericht.

We hebben de natuur aan ons onderworpen, de telescoop dringt door tot in de verste uithoeken van het heelal, en daarbij gaan we „overhaast voorbij„ aan de „feestelijke opgang„ van de verschijnende wereld.

Hölderlin over die Götternacht

Wij ‘hedendaagse mensen’, zegt Hölderlin, zijn weliswaar ‘mensen met veel ervaring’, namelijk in de zin van wetenschappelijke kennis, maar we hebben daarbij het vermogen verloren de dingen, de natuur en de menselijke relaties in hun volheid en levendigheid waar te nemen. We hebben het ‘goddelijke’ verloren, wat betekent dat de ‘geest’ uit de wereld is geweken. We hebben de natuur aan ons onderworpen, de telescoop dringt door tot in de verste uithoeken van het heelal, en daarbij gaan we ‘overhaast voorbij’ aan de ‘feestelijke opgang’ van de verschijnende wereld. Van de ‘liefdesbanden’ tussen natuur en mens hebben we ‘strikken gemaakt’, we hebben ‘gespot’ met de grenzen van het menselijke en natuurlijke. We zijn een ‘sluw geslacht’ geworden dat er zelfs nog trots op is de dingen ‘naakt’ te kunnen zien. En zo ‘zien’ we de aarde niet meer, ‘horen’ het lied van de vogels niet meer en de taal tussen de mensen is ‘verdord’. Dat alles betekent bij Hölderlin ‘godennacht’.
 
uit: Rüdiger Safranski, Heidegger en zijn Tijd, blz. 354-55.
Uitgeverij Olympus/Contact, derde druk 2002 (vertaling: Mark Wildschut)


Hölderlin Turm Tübingen [ hoelderlin-gesellschaft.de ]

Heidegger’s Heimat [ 3 ]

Komende zomer hopen we Heidegger‘s berghut te bezoeken
aan het lezen in Heidegger en zijn tijd van Rüdiger Safranski

Martin HeideggerHeidegger is niet alleen via Hölderlin met de Duitse Romantiek verbonden. De leermeester, Franz Brentano (1838-1917), van zijn leermeester, Edmund Husserl (1859-1938), was een neef van de romantische dichter Clemens Brentano (1778-1842). Brentano en Husserl zijn Heidegger op het pad van de fenomenologie voorgegaan. Heidegger had het motto van zijn leermeester “Zu den Sachen selbst!” aangescherpt en keerde in Sein und Zeit (1927) nog verder terug dan Husserl, voorbij de zaken zelf, naar datgene dat de fenomenen (‘zijnden’) mogelijk maakt, namelijk ‘het Zijn’. Ook na Sein und Zeit heeft Heidegger zich zijn hele leven de vraag naar ‘het Zijn’ gesteld. Volgens Heidegger kun je over deze vraag alleen filosoferen vanuit een bepaalde grondstemming en hij legt daarbij de nadruk op de angst.

In Sein und Zeit staat Heideggers beroemde paragraaf veertig, waarin hij de angst analyseert. Daarbij heeft hij zich door Kierkegaard laten inspireren, die onder het pseudoniem Johannes de Silentio in 1843 Vrees en Beven had geschreven. Safranski schrijft daarover: “Kierkegaard probeert de angst te overwinnen door de sprong in het geloof, een sprong over de afgrond. Heideggers angst is niet het voorspel voor die sprong. Hij heeft het geloof van zijn afkomst verloren. Bij Heidegger is het de angst na de sprong, als je al bezig bent in de afgrond te storten.”

Für Heidegger ist diese Unheimlichkeit das ursprünglichere Phänomen gegenüber dem beruhigt-vertrautem In-der-Welt-Sein, d. h., das Dasein muss sich ein Zuhause, in dem sich wohnen lässt,
erst schaffen.

de.wikibooks.org

In der Angst als Grundbefindlichkeit wird Heidegger den phänomenalen Boden für das Erfassen des Seins des Daseins als Sorge suchen (§ 40). Innerhalb des Zusammenhangs von Sorge, Weltlichkeit, Zuhandenheit und Vorhandenheit wird anschließend Realität zum Thema und das hiermit verbundene Problem von Idealismus und Realismus (§ 43), an welche Analyse Heidegger seine Auffassung des Wahrheitsbegriffes anknüpft (§ 44).
 
Das sechste Kapitel verbindet außerdem die beiden Teile von „Sein und Zeit“, also den ersten Teil, in welchem die Existenzialien herausgearbeitet werden und den zweiten Teil, welcher diese auf ihre Zeitlichkeit hin interpretiert. Heidegger bereitet die zeitliche Interpretation vor, indem er die Bestimmung der Sorge umformuliert als „Sich-vorweg-schon-sein-in(-der-Welt) als Sein-bei (innerweltlich begegnendem Seienden)“. Die Worte vorweg, schon und bei verweisen hierbei auf die zeitlichen Dimensionen von Zukunft, Vergangenheit und Gegenwart.
 
Bron: de.wikibooks.org

Sein zum Tode [ W&V ]