Categorie archief: Duitsland

spookbeelden uit 1923

vannacht op Arte: Schatten – Eine nächtliche Halluzination (1923)

Die dämonische LeinwandIn Die dämonische Leinwand (1952), een standaardwerk over de expressionistische Duitse film in de Weimar Republiek, nemen Das Kabinet dr. Caligari (1920) van Robert Wiene en Nosferatu, eine Symphonie des Grauens (1922) van Friedrich Wilhelm Murnau een centrale plaats in. Maar een beeld uit de relatief onbekende film Schatten – Eine nächtliche Halluzination (1923) van Arthur Robison staat op de omslag van de Duitse uitgave van Die dämonische Leinwand.

Expressionistische filmmakers waren zich sterk bewust van de psychologische betekenis van het medium film. Bestond hun werk in wezen niet uit het scheppen van collectieve hallucinaties door een spel van licht en schaduw? Robison gaat net als Wiene en Murnau naar binnen en confronteert ons met het clair-obscur van de ziel, onze verlangens en angsten.

Robison gaat net als Wiene en Murnau naar binnen en confronteert ons met het clair-obscur van de ziel, onze verlangens en angsten.
Schatten-Eine nächtliche Halluzination
de score is van Kevin Mac Leod

Schatten – Eine nächtliche Halluzination [ arte.de ]

Theodicee en digitaal leven

maandag was het de 300e sterfdag van Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716)

In juni schreef ik al iets over het Leibnizjaar. Eergisteren was het precies 300 jaar geleden dat de Duitse filosoof en wiskundige Gottfried Wilhelm Leibniz stierf. In Duitsland verscheen geen postzegel, want Leibniz werd in het verleden al vaker met een postzegel geëerd, zowel in het Duitse Rijk, de Bondsrepubliek, de DDR als in het verenigde Duitsland. De laatste keer dat je Leibniz op een brief kon plakken was in 1996, zijn 350e geboortejaar.

Leibniz
Leibniz herdenkingspostzegel, 1996

Op school leerde ik ruim 35 jaar geleden dat Leibniz de vader was van de Theodicee, de idee dat God de beste van alle mogelijke werelden geschapen had. Maar in de eenentwintigste eeuw is Leibniz voor ons toch vooral de oudste vader van de digitale revolutie. Deze kwam pas 250 jaar na zijn dood op gang. Het binaire stelsel dat Leibniz ontwikkeld heeft, kon pas echt goed toegepast worden in 1946 met de ENIAC (Electronic Numerical Integrator and Computer). Sinds het einde van de jaren zestig kunnen we echt spreken van het informatietijdperk en een digitale revolutie. En zo lijkt voor velen Leibniz’ Theodicee te herleven: het digitale leven als het beste, snelste en comfortabele van alle mogelijke levens.

Leibniz
Leibniz postzegels uit 1966 en 1980

The Philosopher Who Helped Create the Information Age [ slate.com ]

de god van Schelling

gelezen: Hoofdstuk IV over Friedrich Wilhelm Joseph Schelling
in Het Kwaad. het drama van de vrijheid (1997) van Rüdiger Safranski

SchellingDe Duitse filsoof Friedrich Wilhelm Joseph Schelling (1775-1854) was net als de Schotse filosoof David Hume een wonderkind die de centrale gedachte van zijn filosofische systeem al vóór zijn twintigste formuleerde. Schelling is een van de grondleggers en belangrijkste vertegenwoordigers van het Duits idealisme. Hij construeerde een identiteitsfilosofie waarin subject en object, denken en zijn, geest en materie slechts in schijn verschillende, maar in wezen identieke verschijningsvormen zijn van één enkele werkelijkheid. Zijn denken komt in de buurt van de oude Indische filosofie en mystiek waarin het Atman (Zelf) en Brahman (Kosmos) identiek zijn.

In Het Kwaad. het drama van de vrijheid behandelt Rüdiger Safranski in het vierde hoofdstuk Schelling‘s identiteitsfilosofie met betrekking tot het kwaad. Schelling zou de ondertitel van Safranski‘s boek helemaal onderschrijven: het kwaad is het drama van de vrijheid. Het is een kosmisch drama. In tegenstelling tot het postmoderne denken dat ons zo vertrouwd is, neigt het denken rond 1800 niet bepaald naar het kleine, maar juist naar het grote. Het Duits idealisme brengt nieuwe Grote Verhalen voort. “Schellings metafysische speculaties zijn vertellingen in begrippen. Het onheuglijke is kennelijk alleen narratief te verwerken.” schrijft Safranski.

Net als Spinoza vertrekt Schelling bij god. God is daarbij niet de persoonlijke God van de Bijbel, maar het alomvattende begrip van het hele zijn. God is dus niet alleen licht, maar ook duisternis. Voor Schelling heeft god een duistere kant. In god is een oorspronkelijke duisternis waaruit hij zich ontplooien moet zodat hij uiteindelijk tevoorschijn kan komen als een god van het licht. Het is een allesbehalve christelijke opvatting van God. In de Eerste Brief van Johannes lezen we namelijk: “Dit is wat wij Hem hebben horen verkondigen en wat we u verkondigen: God is licht, er is in Hem geen spoor van duisternis.”

Parallel aan het Grote Verhaal van de zondeval, ontwerpt Schelling een filosofische variant die hij “het verraad van de transcendentie” noemt.

Maar de jonge Schelling, die gevormd was door de enorme belangstelling voor Spinoza vanaf 1785, had zich bekeerd tot het pantheïsme en god was voor hem zowel licht als duisternis. De duisternis vatte hij daarbij niet op als de afwezigheid van licht, maar als de oergrond waaruit het licht tevoorschijn komt. In de god van Schelling bevindt zich daarom een duistere afgrond. De nog onvoltooide god die uit het duister oprijst en op weg is naar het licht, is voor Schelling de mens. Deze opgang is in vrijheid. De mens heeft de keuze tussen licht en duisternis, tussen goed en kwaad. Het drama van zijn vrijheid is zijn vrijwillige keuze voor het kwaad. Parallel aan het Grote Verhaal van de zondeval, ontwerpt Schelling een filosofische variant die hij “het verraad van de transcendentie” noemt. De mens wordt niet ontrouw aan Zijn Schepper maar aan zijn eigen geestelijke natuur.

Schelling en het verraad van de transcendentie
De mens wordt een verrader van het universele, omdat de angst voor het leven hem uit zijn eigen centrum drijft. Maar het centrum is de geest van de liefde, het verterende vuur waarvan hij de verwarmende nabijheid zoekt en waarvoor hij tegelijk terugdeinst om niet te verbranden. De mens zoekt de periferie van zijn wezen, hij is een excentrisch wezen, Het mijden van het centrum is het verraad aan de geest. Die perversie is bij Schelling de boven het louter morele uitgaande grondstructuur van het kwaad, en hij duidt daarmee op het schandaal dat het christelijke denken “de zonde tegen de Heilige Geest” noemt. Alleen is “de heilige geest” waartegen de mens zondigt zijn eigen geestelijke wezenscentrum. De mens is het metafysische dier, en als hij probeert dat af te leren, verraadt hij zijn eigen geestelijke natuur.
 
uit: Het kwaad. Het drama van de vrijheid (vert. Mark Wildschut)

De mens zoekt de periferie van zijn wezen, hij is een excentrisch wezen, Het mijden van het centrum is het verraad aan de geest.

Safranski over Schelling

De oude Schelling moest na 1840 dat verraad aan de geest, die verdrijving van de geest door de triomf van de materialistische wetenschap, nog zelf meemaken. Het idealisme werd “drooggelegd” en daarvoor kwam materialisme in de plaats. In zijn voordrachten uit 1841/42, die gebundeld werden in Philosophie der Offenbarung, keert hij terug naar de God van de Bijbel, die inbreekt in de geschiedenis. Vanuit zichzelf kan de mens zich niet verlossen en zinkt hij steeds dieper weg in materialisme. Safranski besluit het hoofdstuk over Schelling met: “De Philosophie der Offenbarung geeft het geloof weer het woord. Maar het is geen kinderlijk geloof, het is een geloof na de filosofische zeiltocht om de wereld.”

Kijken in de afgrond [ recensie van Michaël Zeeman uit 1998 in De Volkskrant ]
Het kwaad. Het drama van de vrijheid [ liberales.be ]

“ook ik in de campagne”

woensdag gekocht: Goethe over de Campagne in Frankrijk 1792

Campagne in FrankrijkIn 2013 verscheen bij Uitgeverij Hoogland & Van Klaveren een prachtig uitgevoerde vertaling (van Wilfred Oranje) van Goethe’s Campagne in Frankreich 1792 en Belagerung von Mainz. Goethe was getuige van beide historische gebeurtenissen in het najaar van 1792 en het voorjaar van 1793. Een van de leidende figuren achter de Mainzer Republik was Johann Georg Adam Forster. Van hem werd in 2010 zijn verslag van een reis door de Lage Landen in 1790 uitgegeven. Als wetenschapper stond Forster in hoog aanzien. Goethe schrijft aan het begin van zijn dagboek op 23 augustus 1792 dat hij de Forstertjes in Mainz bezocht had voordat hij met het leger van de hertog van Saksen-Weimar verder trok richting Trier.

Met Forster liep het overigens minder goed af. Toen in de zomer van 1793 de Mainzer Republik viel, was Forster voor de meeste Duitsers een landverrader geworden. Hij leefde sinds maart 1793 als banneling in Parijs en overleed daar op 39-jarige leeftijd aan een longontsteking. Forster stierf in relatieve anonimiteit. Niemand weet waar hij begraven is.

Het is fantastisch dat kleine uitgeverijen als Hoogland & Van Klaveren en Cossee de vertaling van Goethe‘s en Forster‘s verslagen hebben aangedurfd en bovendien nog eens in een zeer verzorgde uitgave. Hopelijk wordt Forster‘s essay Revolutionen und Gegenrevolutionen aus dem Jahre 1790 ook nog eens in het Nederlands vertaald. Maar nu eerst met Goethe op veldtocht in Noord-Frankrijk. “Ook ik in de campagne” begint hij zijn verslag. Dat hij in Frankrijk geen Arcadië vond, mag duidelijk zijn:

Op de plaatsen waar de kanonnade haar werk had gedaan, ontwaarde men grote ellende: de mensen lagen onbegraven op de grond en de zwaargewonde dieren konden niet sterven. Ik zag een paard dat met zijn voorbenen in zijn eigen, uit zijn gekwetste buik gevallen ingewanden verstrikt was geraakt en op die manier ellendig voortstrompelde.
 
Bron: Goethe: Campagne in Frankrijk 1792

Onder de indruk van de gebeurtenissen in Frankrijk schreef Goethe een paar satirische komedies: Der Groß-Cophta (1791), Der Bürgergeneral (1793) en een fragment Die Aufgeregten (1793). Deze toneelstukken zijn anti-revolutionair maar spreken zich tegelijkertijd ook uit tegen het absolutisme.

Campagne in Frankrijk (1792)

historisme in Metz [ 4 ]

Het postkantoor van Metz (1905-1911)

Schuin tegenover het station van Metz ligt het postkantoor. Het werd ongeveer in dezelfde tijd gebouwd en in 1911 voltooid. Beide gebouwen zijn bijzonder monumentaal en maken een zware indruk. Het postkantoor is een goed voorbeeld van de zogenaamde rundbogenstil. Deze werd in 1828 door Heinrich Hübsch geïntroduceerd in zijn pamflet In welchem Style sollen wir bauen? Hij paste deze stijl, soms ook neoromaans of neobyzantijns genoemd, voor het eerst toe in de Kunsthalle (1837-1846) in Karlsruhe. De stijl verbond zich met het Duitse nationalisme als alternatief voor het (Franse!) neoclassicisme.

Metz la poste
De hoofdingang aan de Rue Gambetta
Metz la poste
Het postkantoor is minder rijk geornamenteerd dan het station. De hoofdingang bestaat uit drie neo-Byzantijnse portalen met versierde bogen.
Metz la poste
Neo-Byzantijns kapiteel
Metz la poste
informatiebord naast het postkantoor.

Hotel des Postes de Metz [ fr.wikipedia.org ]

Straatsburg [ 1 ]

op 7 juli bezochten we Straatsburg

Vorige maand bezochten we voor de eerste maal Straatsburg. Het was een bliksembezoek maar we konden toch een aardige indruk krijgen van de historische binnenstad met de kathedraal als middel- én hoogtepunt.

Strasbourg
Munster van Straatsburg
gezien vanuit het Palais Rohan

Straatsburg heeft een rijke geschiedenis en in het centrum lopen allerlei sporen door elkaar heen: het spoor van Johannes Gutenberg, die een revolutie in de boekdrukkunst veroorzaakte, verstrengelt zich met de sporen van de Franse hofcultuur. Deze vestigde zich vanaf het einde van de zeventiende eeuw in Straatsburg toen Lodewijk XIV de Elzas bij Frankrijk inlijfde. Desalniettemin ademt de binnenstad nog altijd een Duitse sfeer met veel Fachbauten.

Strasbourg
uitzicht vanuit het Gasthof zum Geist bij de oude vismarkt waar Goethe in 1770 een kamer huurde.

Ik dacht vooral aan de ontmoeting tussen twee giganten uit de Sturm und Drang: Herder (1744-1803) en Goethe (1749-1832). Ze ontmoeten elkaar voor het eerst in 1770 op de trap van Gasthof zum Geist. In Dichtung und Wahrheit – aus meinem Leben geeft Goethe een gedetailleerd verslag van deze ontmoeting:

Denn das bedeutendste Ereignis, was die wichtigsten Folgen für mich haben sollte, war die Bekanntschaft und die daran sich knüpfende nähere Verbindung mit Herder. Er hatte den Prinzen von Holstein-Eutin, der sich in traurigen Gemütszuständen befand, auf Reisen begleitet und war mir ihm bis Straßburg gekommen. Unsere Sozietät, sobald sie seine Gegenwart vernahm, trug ein großes Verlangen, sich ihm zu nähern, und mir begegnete dies Glück zuerst ganz unvermutet und zufällig. Ich war nämlich in den Gasthof »Zum Geist« gegangen, ich weiß nicht welchen bedeutenden Fremden aufzusuchen. Gleich unten an der Treppe fand ich einen Mann, der eben auch hinaufzusteigen im Begriff war und den ich für einen Geistlichen halten konnte. Sein gepudertes Haar war in eine runde Locke aufgesteckt, das schwarze Kleid bezeichnete ihn gleichfalls, mehr noch aber ein langer schwarzer seidner Mantel, dessen Ende er zusammengenommen und in die Tasche gesteckt hatte. Dieses einigermaßen auffallende, aber doch im ganzen galante und gefällige Wesen, wovon ich schon hatte sprechen hören, ließ mich keineswegs zweifeln, daß er der berühmte Ankömmling sei, und meine Anrede mußte ihn sogleich überzeugen, daß ich ihn kenne. Er fragte nach meinem Namen, der ihm von keiner Bedeutung sein konnte; allein meine Offenheit schien ihm zu gefallen, indem er sie mit großer Freundlichkeit erwiderte und, als wir die Treppe hinaufstiegen, sich sogleich zu einer lebhaften Mitteilung bereit finden ließ.
 
Bron: Dichtung und Wahrheit – aus meinem Leben
Strasbourg
Goethe is in Straatsburg nog altijd aanwezig op de gevel van de Bibliotheque Nationale, gebouwd tussen 1889 en 1894 tijdens het Duitse Keizerrijk.
Strasbourg
In de binnenstad worden de straatnamen nog altijd in dialect aangegeven. Hier het straatnaambordje van de Regenboogsteeg.

historisme in Metz [ 3 ]

op 5 juli liepen we door de Avenue Foch in Metz

De Kaiser Wilhelm Ring ontstond tussen 1903 en 1914. Deze ligt op de grens tussen het oude centrum van Metz en het keizerlijke kwartier. De zuidzijde (oneven kant) is bebouwd met grote aaneengesloten gebouwen terwijl de noordzijde (even kant) bestaat uit villa’s. De Ring is ruim aangelegd met een langgerekte tuin in het midden. In het westen loopt ze uit op een groot plein waar ooit een standbeeld van Frederik de Grote stond. In 1919 werd de Ring omgedoopt in de Avenue Foch. Deze brede avenue is een architectonische caleidoscoop. Buiten Brussel zagen we nog nooit zoveel eclecticisme op elkaar gepakt.

Kaiserring
Een ansichtkaart uit 1917 van de Kaiser Wilhelm Ring tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Avenue Foch
De oneven zijde van Avenue Foch tussen de Rue Charlemagne en La Place Raymond-Mondon met eclectische architectuur. Net nog zichtbaar vooraan: l’Hôtel Royal uit 1905 en daarnaast l’Hôtel des mines van Albert Eichbaum uit 1906.

De even zijde van de Avenue Foch is bebouwd met villa’s, waarvan de meeste vrijstaand. Ze werden gebouwd in het eerste decennium van de twintigste eeuw. De art nouveau (of Jugendstil) is daarbij niet zo sterk vertegenwoordigd als in de wijk Saurupt (Nancy) of in Brussel, maar wel aanwezig. Wij waren erg gecharmeerd van de twee villa’s op nummer 14 en 16, ontworpen door resp. Ludwig Becker en Karl Griebel. Het zijn een soort Jugenstilinterpretaties van de Beaux Arts stijl.

Avenue Foch
Villa Bleyer (Avenue Foch 14)
architect: Ludwig Becker (1905)
Avenue Foch
Villa Wildenberger (Avenue Foch 16)
architect: Karl Griebel (1903)

Ik heb niet kunnen achterhalen wie Bleyer en Wildenberger, de oorspronkelijke opdrachtgevers en bewoners van deze twee villa’s, zijn geweest. Waarschijnlijk behoorden ze tot de Duitse ondernemers die zich in de Gründerzeit in Metz gevestigd hadden. Maar omdat Metz een garnizoensstad was, kunnen het ook officieren uit het Duitse leger zijn geweest.

Kaiserring
Villa Bleyer en Villa Wildenberger (uiterst links) op een ansichtkaart rond 1910
nummer 14 en 16
Villa Bleyer (links) en Villa Wildenberger (rechts) op Google streetview honderd jaar later