Tussen 1850 en 1852 schilderde Adolph Menzel (1815-1905) het beroemde Flötenkonzert Friedrichs des Großen in Sanssouci van een musicerende Friedrich II temidden van zijn hofhouding. Het schilderij heeft tegenwoordig een ereplaatsje in de Alte Nationalgalerie. De basis voor zijn beroemde schilderij legde hij met zijn illustratiewerk voor Geschichte Friedrichs des Großen (1839-1842). In 1839 kreeg de 24-jarige Menzel van boekhandelaar Weber uit Leipzig de opdracht om vierhonderd (!) illustraties te maken bij een boek over het leven van Frederik de Grote. De jonge Menzel wist zich goed in te leven in de wereld van zijn hoofdpersoon. Met één been bleef hij in de biedermeierzeit staan en met zijn andere been stond hij in de friderizianischen Zeit met zijn uitbundige rococo. De illustraties zijn losjes maar virtuoos getekend en ademen het typisch negentiende eeuwse historisme. In navolging van Leopold von Ranke‘s beroemde devies tekende Menzel de wereld van (destijds) honderd jaar geleden wie es eigentlich gewesen war.

Menzel‘s tekeningen werden door een legertje graveurs voor druk geschikt gemaakt en Geschichte Friedrichs des Großen had veel succes. Pruisen was in de jaren veertig een monarchistische dictatuur en koning Wilhelm Friedrich III (1797-1840) en koning Wilhelm Friedrich IV (1740-1861) waren autocraten die de grondwet steeds hadden afgekeurd. Het Pruisisch nationalisme werd van staatswege gepropageerd. Inwoners van Pruisen mochten er trots op zijn om Pruisisch staatsburger te zijn en dat was genoeg! In dat licht moet ook het boek over Frededrik de Grote gezien worden, als een soort staatspropaganda. Het was immers der Alte Fritz geweest die Pruisen definitief een plaats tussen de Europese grootmachten had bezorgd.
Histoire de l’Empereur Napoleon
Geschichte Friedrichs des Großen (1839-1842) was het Pruisische antwoord op Histoire de l’Empereur Napoleon van P.-M. Laurentin de l’Ardèche en geïllustreerd door Horace Vernet dat in 1839 verschenen was. Onder de regering van burgerkoning Louis Philippe leefde het Franse zelfbewustzijn weer op en Napoleon werd zelfs gerehabiliteerd. Op 15 december 1840 zou hij met veel machtsvertoon worden bijgezet in de Dome des Invalides. In Pruisen moest er in antwoord op de Napoleoncultus in Frankrijk daarom een heldenverering op gang worden gebracht voor de man die Pruisen groot gemaakt had. Franz Kugler schreef in navolging van l’Ardèche een uitgebreide levensbeschrijving van Frederik de Grote. Adolph Menzel kende de illustraties van Horace Vernet en hij stond voor de opgave deze te overtreffen. Want juist ook de kunstenaars moesten in het nationalistische concert der grootmachten meeblazen.

Geschichte Friedrichs des Großen sloeg in als een bom en Menzel was voor zijn dertigste een van de beroemdste illustrators van zijn tijd geworden. Koning Wilhelm Friedrich IV gaf hem zelfs de opdracht een zogenaamde Fürstenausgabe te illustreren van Werken Friedrichs des Großen. Tussen 1843 en 1846 maakte Menzel hier nog eens 200 illustraties voor.
Bron: friedrich.uni-trier.de
Naast Geschichte Friedrichs des Großen en Werken Friedrichs des Großen was Die Armee Friedrichs des Großen in ihrer Uniformierung het derde grote nationalistische Pruisische boek dat Menzel illustreerde. Tussen 1842 en 1857 maakte hij 436 gedetailleerde tekeningen van Pruisische uniformen.

uit: Heerschau der Soldaten Friedrichs des Großen, 1842-1852
adolph-menzel-gesellschaft.de | meer over Adolph Menzel op deze blog
Histoire de l’Empereur Napoleon
Het is tekenend voor Duitslands nieuwe zelfbewustzijn na 1990 en zijn leidinggevende positie in Europa dat er in 2012
In 1986 schreef Rudolf Augstein (die in 1966 Martin Heidegger interviewde) ter gelegenheid van de tweehonderdste sterfdag van Frederik de Grote in Der Spiegel het artikel
In de eerste helft van de achttiende eeuw werd vrijwel overal in Duitsland het wereldbeeld van Leibniz-Wolff aangehangen. Dat was vooral uit politieke overwegingen. De absolutistische monarchen hadden er uiteraard belang bij te (laten) geloven dat de wereldorde waarin de koning de plaatsvervanger van God was, de best mogelijke was. Dat de achttiende eeuw tot 1789 vooral een feestje voor de happy-few was, waarbij het volk straatarm gehouden werd, was een sociale misstand, waar de philosophes sinds de late jaren veertig het licht op lieten schijnen.
Frederik II kwam in 1740 op 28-jarige leeftijd aan de macht. Hij was al vroeg geïnteresseerd in filosofie, vooral in het Engelse empirisme en hij bewonderde ook het liberalisme. Toen hij in 1740 nog maar net koning was geworden van het militaristische Pruissen zou de vredelievende liberaal in hem wijken. In 1740 viel hij Sileziëaan en in de daarop volgende acht jaar was Pruisen met Oostenrijk in de 

Als sein Hauptwerk gilt der Zwinger in Dresden, den er zusammen mit dem Bildhauer Balthasar Permoser schuf. In diesem formal einzigartigen Gebäude eines befestigten Turnierplatzes kam es zu einer einmaligen, ekstatischen Verbindung von Architektur und Plastik. Des Weiteren erbaute Pöppelmann auch den Japanischen Palais, das Schloss Pillnitz, die Augustusbrücke und die erste nach Pöppelmanns Tod fertig gestellte Dreikönigskirche. 1718 wurde Matthäus Daniel Pöppelmann als Nachfolger von Johann Friedrich Karcher Oberlandbaumeister. Als Oberlandbaumeister im sächsischen Oberbauamt war Pöppelmann aber auch für alle profanen Staatsbauten wie Deiche, Straßen oder Brücken verantwortlich. In dieser Stellung entfaltete er eine umfangreiche Bau- und Verwaltungstätigkeit, welcher Dresden die glänzendste und fantasievollste Schöpfung des Rokokostils verdankt. Etwa ab 1730 zog August der Starke aber für repräsentative Projekte jüngere Architekten vor und Pöppelmann widmete sich vor allem der Leitung des Oberbauamtes. Im Oktober 1734 schied Matthäus Daniel Pöppelmann aus dem Oberbauamt aus. Sein Nachfolger wurde Johann Christoph Knöffel. Pöppelmann wurde einige Monate später schwer krank und starb am 17. Januar 1736. Er wurde in der Gruft der Matthäuskirche in Dresden beigesetzt.














