Maandelijks archief: augustus 2012

vreest niets

gelezen in Der taumelnde Kontinent van Philipp Blom
Hoofdstuk zeven: 1906, Dreadnought und die neue Angst

Der taumelnde Kontinent Zomergast Lidewij Edelkoort bekende in een interview in de VPRO-gids dat ze graag aan het begin van de twintigste eeuw geleefd zou hebben: “Het was een tijd van grote vernieuwingen. Het begon met art nouveau, art deco, kubisme, alle verschillende dansen, er waren snelle ritmische veranderingen van stijl. Ik denk dat het een magnifieke tijd geweest moet zijn.”

De Weense historicus Philipp Blom schreef een veelgeprezen portret van de eerste vijftien jaar van de vorige eeuw, The Vertigo Years (2008) waarvan ik een Duitse vertaling gekocht heb. Het is opgebouwd uit vijftien hoofdstukken die van 1900 tot 1914 telkens een gebeurtenis uit het betreffend jaar behandelen, gekoppeld aan een thema. Zo gaat Blom o.a. in op de technische vooruitgang, de psychologie, de vrouwenbeweging, de bewapeningswedloop, de eugenetica en de opkomst van de bioscoop.

Vanmorgen las ik het zevende hoofdstuk over een gebeurtenis uit het jaar 1906: de tewaterlating van de HMS Dreadnought in Portsmouth op 10 februari 1906. Het stalen oorlogsschip was het Britse antwoord op het Duitse vlootplan onder admiraal Alfred von Tirpitz. Dat plan was in 1898 in de Rijksdag goedgekeurd en het Duitse Keizerrijk begon in hoog tempo aan de bouw van een grote oorlogsvloot die het Britse imperium in het hart raakte. Tirpitz‘ Engelse opponent, admiraal Jackie Fisher, begreep dat een snelle hervorming van de Britse oorlogsvloot noodzakelijk was, wilde Engeland de hegemonie in de wereld behouden. Er werd een nieuw revolutionair type slagschip ontworpen, dat genoemd werd naar het eerste exemplaar, de HMS Dreadnought.

HMS Dreadnought
de HMS Dreadnought (1906-1922)
Met een waterverplaatsing van 18.000 longton was de HMS Dreadnought ook het grootste oorlogsschip van zijn tijd. Het concept was wel dermate vernieuwend dat alle andere slagschepen op slag verouderd waren.
Tot aan het begin van de twintigste eeuw hadden pantserschepen meerdere kalibers geschut, die, volgens de gewoonte bij de houten linieschepen uit de zeiltijd, opgesteld waren op meerdere dekken en door geschutpoorten in de romp vuurden. Aan dek was nog ruimte voor twee tot vier kanons van een zwaarder kaliber. Men begon in te zien dat dit een verspilling van draagvermogen was: op zee wordt het gevecht gevoerd met de zwaarste kanons op grote afstand en beter was het om de lichtere kanons op te geven en het vrijkomende gewicht te benutten om meer kanons van het zwaarste kaliber te voeren. Een verder nadeel van het plaatsen van geschut van uiteenlopend kaliber was dat de vuurleiding moeite had om in te schatten of de afgevuurde granaten op de juiste plaats “dekkend” neerkwamen. Er waren immers allerlei fonteinen van water te zien. Wanneer al het geschut hetzelfde kaliber had was dit probleem weggenomen.
 
In 1906 nam Groot-Brittanniëals eerste een slagschip in gebruik volgens dit idee, HMS Dreadnought. Het schip was bewapend met 10 kanons van 12 inch in 5 dubbeltorens en was sneller en beter bepantserd dan zijn tijdgenoten. De voordelen zijn overigens niet alleen verkregen door de secundaire bewapening te beperken: met een waterverplaatsing van 18.000 longton was het ook het grootste oorlogsschip van zijn tijd. Het concept was wel dermate vernieuwend dat alle andere slagschepen op slag verouderd waren.
 
De naam dreadnought (“vreest niets”) wordt sindsdien ook gebruikt ter aanduiding van de slagschepen, die volgens ditzelfde principe zijn gebouwd, ter onderscheid van de oudere typen slagschepen die meerdere typen kalibers geschut voerden, waarvan vaak maar vier van het zwaarste. (Bron: nl.wikipedia.org)

De legendarische HMS Dreadnought, het grootste wapen in de oorlogsgeschiedenis tot dan toe zou nooit één schot lossen. Aan de grootste zeeslag uit de Eerste Wereldoorlog, de Slag voor het Skagerrak op 31 mei en 1 juni 1916, kon zij niet deelnemen omdat ze gereviseerd werd. Zes jaar later werd de HMS Dreadnought als schroot verkocht.

HMS Dreadnought [ en.wikipedia.org ]

wahnsinnszettel

Friedrich Nietzsche (1844-1900) aan Jacob Burckhardt (1818-1897)

Nadat Friedrich Nietzsche in januari 1889 in Turijn op straat in elkaar was gezakt, ontving de kunsthistoricus Jacob Burckhardt in Bazel een vreemd briefje dat begon met de woorden: “Beste professor, veel liever was ik hoogleraar in Bazel dan God…“ De geschrokken professor bracht onmiddellijk zijn collega Franz Overbeck op de hoogte van het vreemde briefje van hun gemeenschappelijke vriend. Toen Overbeck kort daarop zelf ook een verwarde brief van Nietzsche kreeg, reisde hij onmiddellijk naar Turijn. Daar aangekomen bleek dat Nietzsche in de waanzin was beland. De briefjes aan zijn Bazelse vrienden zijn als wahnsinnszettel de geschiedenis ingegaan.

Nietzsche an Burckhardt, 5. Januar 1889
Nietzsche aan Burckhardt, 5 januari 1889
Lieber Herr Professor, zuletzt wäre ich sehr viel lieber Basler Professor als Gott, aber ich habe es nicht gewagt, meinen Privat-Egoismus so weit zu treiben, um seinetwillen die Schaffung der Welt zu unterlassen. Sie sehen, man muß Opfer bringen, wie und wo man lebt (…)

Jacob BurckhardtBurckhardt en Nietzsche waren jarenlang met elkaar bevriend geweest. Toen de 24-jarige Nietzsche in 1869 als hoogleraar een leerstoel in Bazel kreeg, leerde hij de 26 jaar oudere Burckhardt en de 7 jaar oudere Overbeck kennen. Burckhardt doceerde in Bazel geschiedenis en kunstgeschiedenis en was al een beroemdheid door Die Kultur der Renaissance in Italien (1860), zijn uitgebreide studie over de Italiaanse Renaissance. Overbeck doceerde er theologie. Met Burckhardt deelde Nietzsche in het begin van de jaren zeventig zijn kritiek op de materialistische kleinburgerlijke cultuur. In 1849 had Burckhardt al geschreven dat hij materialistische kleinburgers verachtte, maar dat zij een minder groot gevaar vormden dan “misplaatste genialiteit.“

Burckhardt strong emphasises the role of competition in the Ancient Greek world. The Greek states were united in the Olympic games, and there were many other forms of competition. The great Athenian tragedies were written for competitions. There were all kinds of contests in gymnastics, poetry, and music throughout the Greek world. Communities took enormous pride in the achievements of locals in the Olympic games and other contests. The pride in winning and the efforts made to win were extreme. This can be seen in the wounds suffered by wrestling and the great interest of tyrants in backing winning teams. This should remind us of two early essays by Nietzsche on „The Greek State and Homer on Competition. It also provides a perspective for understanding „master morality„ in Nietzsche.
 
Burckhardt regards the interest in competition as part of the Aristocratic culture. It also existed in democratic Athens, and was the source of its great achievements. The attitude of the great democratic leader Pericles to Athens power in Greece itself shows this. However, the democratic world undermined competition. Excellence and the competition for excellence became the kind of jealousy and urge to denunciation, which led to the trial and death of Socrates. Athens after the Peloponnesian War weakened under the influence of this kind of spirit in which demogogary, perjury, and parasitic law cases became dominant. Here we see why Plato preferred Crete and Sparta. However, Sparta itself lost its old civic virtues at this, according to Burckhardt, becasue its very somination of Greece made it weaken under the influence of the other parts of Greece.
 
For Burckhardt, democracy means an individualism based on the cult of excellence and the growth of resentment. The decline of the aristocracy which vreated the values used by democracy allows great culture to flourish, but only for a limited period. These aspects of Burckhardt are close to Nietzsche’s thoughts on politics and culture throughout his life, and should be taken into account.
 
Bron: stockerb.wordpress.com
Pro Juventute 1947
In 1947 gaf de Zwitserse post een zegel uit ter gelegenheid van de 50e sterfdag van Jacob Burckhardt

veertig jaar geleden [ 1 ]

de Robbedoes en de Pep van 12 augustus 1972

Vroeger had je nog stripbladen. De Vlaamse Robbedoes en Kuifje bijvoorbeeld. Ook al bestaan deze weekbladen niet meer, ze hadden een veel langere adem dan de Nederlandse stripweekbladen. Samen met de franstalige Spirou bestond Robbedoes van 1938 tot 2005. Het stripblad Kuifje hield het vol van 1946 tot 1993. Buiten de onsterfelijke Donald Duck, ken ik geen stripblad dat langer heeft bestaan dan Robbedoes. Ik heb er nog altijd negen jaargangen (1972-1980) van in de kast staan.

In Nederland verschenen er veertig jaar geleden ook nog wekelijks twee stripbladen. Je had Pep en Sjors en wij hadden Pep. Ook daar heb ik nog wat jaargangen van in de kast (1970-1975). Sjors had een wat langere adem (1954-1975) dan Pep (1962-1975) en beiden gingen in september 1975 op in Eppo. Dat blad bestond onder die naam van 1975 tot 1985. Daarna ging het snel bergafwaarts met het stripverhaal. De computergames deden hun intrede.

Robbedoes en PEP, 12 augustus 1972
Robbedoes #1791 en PEP #32

Wat stond er o.a. in Robbedoes van veertig jaar geleden? Franquin tekende toen nog wekelijks een Guust Flater op pagina drie. En zijn collega Roba deed iedere week de achterkant met een Bollie en Billie. In het binnenwerk had je nog zo’n legende: Peyo met zijn Steven Sterk. In die tijd was Peyo al miljonair geworden met zijn smurfen, dus ik neem aan dat hij het werk overliet aan zijn assistenten François Walthéry en Ivan Delporte. Nog wat oude garde die in 1972 nog actief was: Maurice Tillieux , Will, Cauvin en Mitacq. Ze zijn allemaal te vinden in Robbedoes nummer 1791. En natuurlijk: Roger Leloup (*1933). Samen met François Walthéry (*1946) is hij volgens mij de enige oude meester van het Waalse stripverhaal die nog in leven is.

Over oude meesters gesproken, in de Pep van veertig jaar geleden staat een interview van Jan van Gelderen met de Nederlandse striptekenaar Daan Jippes. In 1972 tekende de toen 26-jarige Jippes voor Pep de strip Bernard Voorzichtig: Twee Voor Thee. Zijn talent bleek te groot voor Nederland. Via de Donald Duck verdween Jippes naar de Disney Studio’s in Burbank, Californiëwaar hij jarenlang storyboards voor animatiefilms tekende. Pas op zijn zestigste keerde Jippes in 2005 weer terug naar Nederland.