Maandelijks archief: februari 2020

Wiertz, Wauters en Wappers

gekocht bij de kringloopwinkel: De schilderkunst der Lage Landen (2007)

de schilderkunst der lage landen 3Soms heb je in de kringloopwinkel met boeken en platen geluk en vind je tussen alle bagger uiteindelijk toch het goud waarnaar je op zoek was. Het overkwam mij afgelopen weekend. Voor vijftien Euro kon ik de drie spiksplinternieuwe delen De schilderkunst der Lage Landen buit maken. Bij bol.com of boekwinkeltjes.nl betaal je meer dan honderd Euro hiervoor. Hoewel ik al jarenlang een “boekenquotum” in huis na te streven, komen er op deze manier toch weer meer nieuwe boeken bij dan ik voorzien had. Uiteraard ben ik blij met mijn nieuwste aanwinst. Ik ben begonnen in deel drie, vanwege mijn voorliefde voor de negentiende eeuw.

overzicht
Een bescheiden overzicht van ruim 80 Nederlandse (blauw) en Belgische (rood) schilders geboren tussen 1768 en 1846, ingedeeld in 15 categorieën [klik op afbeelding voor PDF]

De meeste Nederlandse schilders van de negentiende eeuw waren mij bekend maar verrassend genoeg kwam ik een aantal Belgische schilders tegen waar ik nog nooit van gehoord had: de landschapsschilders Théodore Fourmois (1814-1871), Francois Lamorinière (1828-1911) en Adriaan Joseph Heymans (1839-1921) bijvoorbeeld. Of de veduteschilder François Bossuet (1798-1889). En ook van de grote historieschilders Louis Gallait (1810-1887), Hendrik Leys (1815-1869), Gustaaf Wappers (1803-1874) en Antoine Wiertz (1806-1865) bleek ik veel werk niet te kennen. Niet alleen een naslagwerk erbij maar ook weer veel nieuwe kennis over de Belgische schilderkunst in de negentiende eeuw.

De schwung van Franquin [ 2 ]

herlezen: Bravo Brothers (1965) van Franquin

Hommeles in RommelgemIn 1969 verscheen het laatste avontuur van Robbedoes en Kwabbernoot dat door André Franquin getekend was. Door de enorme werkdruk had hij de reeks overgedragen aan Fournier, zodat hij zich volop op Guust Flater kon concentreren. Hommeles in Rommelgem is een verhaal van 37 platen en vult de grootste helft van het gelijknamige album dat wordt aangevuld met de 22 platen van Bravo Brothers. Eigenlijk is dit geen verhaal van Robbedoes en Kwabbernoot maar een langgerekte gag van Guust. Franquin tekende het in 1965 en het verscheen voor het eerst in Spirou/Robbedoes 1435 tot en met 1455.

Pas in 2012 publiceerde Uitgeverij Dupuis Bravo Brothers als een zelfstandig album waarbij de 22 platen werden aangevuld met een bibliografie van Franquin en enkele illustraties.

bravo brothers
Bravo Brothers verscheen voor het eerst in Spirou 1435 in 1965 (links). De omslag werd in 2012 gebruikt voor een zelfstandig album (rechts).

Franquin tekende Bravo Brothers rond zijn veertigste op het toppunt van zijn kunnen in zijn swingende stijl. In de jaren zeventig zou zijn stijl “hariger” worden door de vele dunne lijntjes die met een pen getekend zijn. Maar in het midden van de jaren zestig werkte hij nog met een penseel wat zijn stijl een solide uitstraling geeft. Hij tekende Bravo Brothers twee jaar na QRN op Bretzelburg en in de tussentijd lag zijn productie voor Robbedoes en Kwabbernoot helemaal stil.

Wat mij betreft behoren beide verhalen tot de top van wat Franquin gepresteerd heeft. Hergé vond zichzelf een erbarmelijk tekenaar vergeleken bij Franquin. Begrijpelijk als je Bravo Brothers leest. Maar Hergé is wereldberoemd geworden bij het grote publiek. Dat Franquin in zijn schaduw staat, is meer een kwestie van image (Tin Tin is kunst) en marketing. In artistiek opzicht rijst de ster van Franquin boven die van Hergé uit.

bravo brothers
Guust en de drie Bravo Brothers
Guust Flater doet Kwabbernoot drie chimpansees, de Brothers, cadeau voor diens verjaardag. De apen komen uit een circus en zetten al snel de hele redactie van het weekblad Robbedoes op stelten. Ze gebruiken vuurwapens, gooien met messen en schieten met pijl-en-boog. Meneer Demesmaeker vindt de apen wel grappig en is voor een keer zeer bereid om contracten met Kwabbernoot te tekenen. Hij krijgt echter de slappe lach en meent dat de redactie hem wil doen doodlachen.
 
Bron: nl.wikipedia.org

de Schwung van Franquin [ 1 ]

herlezen: QRN op Bretzelburg (1961-1963) van Franquin en Greg

QRN op BretzelburgIn december 1977 las ik voor het eerst QRN op Bretzelburg van Robbedoes en Kwabbernoot (Spirou et Fantasio). Ik was daar toen zo van onder de indruk dat ik mij in 1978 abonneerde op het stripblad Robbedoes in de verwachting meer van Franquin te kunnen lezen. Maar ik wist niet dat hij alweer tien jaar eerder Robbedoes en Kwabbernoot (exclusief de Marsupilami op wie hij het auteursrecht behield) had overdragen aan Fournier. Bovendien was het legendarische stripblad Robbedoes in 1978 nog slechts een schaduw van wat het ooit geweest was, zodat ik na twee jaar mijn abonnement alweer heb opgezegd.

Toen ik QRN op Bretzelburg voor het eerst las, was het alweer zo’n 15 jaar oud. André Franquin (1924-1997) tekende het tussen 1961 en 1963 met een lange onderbreking in 1962 wegens een depressie. Maar daar is niets van van te merken, integendeel, dit album is een van de hoogtepunten van de École de Marcinelle geworden. Het zit vol geslaagde grappen, heeft een prima plot en een nostalgische sfeer (Kleinstaaterei). En het is natuurlijk fantastisch, swingend getekend.

spirou 1961
De eerste aflevering van QRM sur Bretzelburg verscheen in Spirou #1205 (links) in 1961. Daarnaast Spirou #1206 en #1210.

Scenarist Greg heeft zich waarschijnlijk gebaseerd op The Mouse That Roared (1955) van Leonard Wibberley, vooral bekend geworden door de verfilming uit 1959 met Peter Sellers. Dit verhaal speelt zich af in het fictieve hertogdom van Grand Fenwick, ergens in de Alpen. Overigens had Herge in 1938 in de De scepter van Ottokar hetzelfde gegeven ook al eens gebruikt. Hij bedacht de twee rivaliserende dwergstaatjes Syldavië en Bordurië die hij ergens op de Balkan plaatste. Ook dit verhaal was mogelijk door een film geïnspireerd. The Lady Vanishes (1938) van Alfred Hitchcock speelt zich namelijk af in Bandrika, een fictief dwergstaatje in Centraal-Europa.

QRN sur Bretzelburg [ web.archive.org ]

socialistische messias

uitgelezen: Les mysteres de Paris (1842) van Eugene Sue

Les mysteres de Paris verscheen als feuilleton tussen 19 juni 1842 en 15 oktober 1843 in le journal des débats, een zeer invloedrijke krant in Frankrijk die in 1789 was opgericht en die tot 1944 zou bestaan. Veel Nederlandse vertalingen van lijvige Franse romans uit de negentiende eeuw zijn verkorte versies. Ik las de vertaling van Richard ten Berge en die is aanzienlijk korter dan het origineel dat in zes flinke delen werd uitgegeven. Misschien is deze vertaling ook meer een bloemlezing maar dat kan ik niet beoordeling omdat ik de oorspronkelijke Franse versie niet ken. Psychologische verfijning is bij Eugene Sue ver te zoeken. Het is melodrama voor het volk waarin de personages uit karton lijken gesneden. Literair beslist geen hoogstandje.

Maar waarom was Les mysteres de Paris dan zo’n groot succes? Ik denk om dezelfde reden waarom in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw soaps op televisie een succes waren. Je volgde met elkaar dagelijks het wel en wee van de vele hoofdpersonen en je kon er met elkaar over praten. Amusement dus. Omdat Les mysteres de Paris ook in de Parijse onderwereld duikt, zit er een flinke dosis misdaad in. Sue vermengt dat met allerlei onderwerpen waar het grote publiek van smult. Veel list en bedrog uiteraard en verder: sociale uitbuiting, kindermoord, waanzin, vervalsing, speculaties, hoeren en complotten.

Eigenlijk zijn Rodolphe en Jean Valjean een soort messiasfiguren die afdalen in de sociale ellende van de grote stad en laten daar het licht der gerechtigheid schijnen.

RodolpheDit feuilleton beïnvloedde Alexandre Dumas in 1844 voor zijn Graaf de Monte Cristo en in 1862 Victor Hugo voor Les Miserables. Vooral de sociale dimensie van Les mysteres de Paris werd door Dumas en Hugo nagevolgd en Hugo gebruikte Les Miserables als een politiek pamflet tegen de misstanden van zijn tijd. In de romans van Dumas en Hugo horen we duidelijk de echo van Rodolphe, de filantropische prins uit Les mysteres de Paris. Want zowel de graaf van Monte Cristo als Jean Valjean lijken gemodelleerd naar Rodolphe. Ze zijn niet alleen fysiek sterk maar ook kapitaalkrachtig. Met hun geld weten ze onrecht te corrigeren.

Eugene Sue was beïnvloed door het socialisme en populariseerde in zijn romans de opvattingen van Charles Fourier en Pierre-Joseph Proudhon. Victor Hugo volgde hem na en maakte van Les Miserables een bittere aanklacht tegen de sociale misstanden van zijn tijd. Eigenlijk zijn Rodolphe en Jean Valjean een soort messiasfiguren die afdalen in de sociale ellende van de grote stad en laten daar het licht der gerechtigheid schijnen.

soap uit 1842

Dramatis Personae van Les Mystères de Paris van Eugène Sue

Breedvoerigheid is vaak een kenmerk van de roman uit de negentiende eeuw. De lezer van vroeger had geen televisie of internet maar wel lange avonden tot zijn beschikking. Een roman van meer dan duizend bladzijden was vanwege zijn omvang nog niet afschrikkend. Hetzelfde gold voor het aantal personages. De romanschrijver verwerkte graag verhalen in verhalen en voerde daarbij telkens nieuwe personages op. In de roman-feuilleton speelden meestal tientallen personages mee. Het was de voorloper van de soap, waarbij de lezer dagelijks het wel en wee kon volgen van de hoofdpersonen. Voor het zeer succesvolle vervolgverhaal Les Mystères de Paris van Eugène Sue dat in 1842-1843 in een Franse krant werd gepubliceerd, maakte ik een Dramatis Personae. Dat deed ik niet in de gebruikelijke vorm, met een lijst in de volgorde van opkomst, maar met een visueel overzicht waarin de relaties van de verschillende personages naar voren komen.

Les Mysteres de Paris
Dramatis Personae van Les Mystères de Paris
[ klik op afbeelding voor een PDF ]

In het bovenstaande overzicht zijn bijna 60 personages uit Les Mystères de Paris opgenomen. De hoofdpersonages staan in grotere letters. De kleuren wijzen op de karakters, die bij Eugène Sue vaak eendimensionaal (goed of slecht) zijn. De groene staan voor de nobele karakters, de rode voor de corrupte personen, degenen die tot inkeer komen in oranje. De min of meer neutrale karakters en figuranten staan in geel. De hoofdpersoon Rodolphe staat in paars.

De neven

gisteren gezien op TV5: Les cousins (1959) van Claude Chabrol

les cousins 1959Les cousins (1959) was de tweede film van Claude Chabrol. Ook hier speelt het thema van twee jongemannen die elkaar weer tegenkomen en een tijdje met elkaar optrekken. Ditmaal zijn het geen oude vrienden, zoals in Le beau Serge, maar twee neven, zoals de filmtitel aangeeft. De hoofdrollen in Les cousins worden, net als in Le beau Serge, gespeeld door Gérard Blain en Jean-Claude Brialy.

Het verhaal is even eenvoudig als de filmtitel. Wat de sociale interactie boeiend maakt, zijn de tegenstrijdige karakters van de twee neven Paul en Charles. Paul is een doorgewinterde bohemien die leeft in een appartement in Parijs en meer geniet van de meisjes dan van zijn studie. Zijn neef Charles is vanuit de provincie naar Parijs gekomen voor zijn rechtenstudie en mag bij Paul zijn intrek nemen. Paul’s vriend Clovis, een dertiger met een drankprobleem, komt vaak over de vloer. Net als Paul leidt deze een dandy-achtig bestaan. Als Charles verliefd wordt op Florence, verwijderen de neven zich steeds verder van elkaar en worden de verschillen nog groter.

les cousins 1959
Waar ik erg van genoten heb, is de scene waarin Paul en Charles in een open sportwagen over de Champs-Élysées rijden. Prachtig om het Parijs van 1959 in zwart-wit te zien. Je mag mij daarvoor wakker maken.

Het verhaal van deze nouvelle vague film kon mij niet echt boeien. Ik kijk liever naar de beelden en in het bijzonder naar het tijdsbeeld. Dat is iets dat er automatisch insluipt en dus geen verdienste van Chabrol. Het existentialistische sfeertje van de nouvelle vague voelt na zestig jaar nogal gedateerd aan. De lichtheid en de levendigheid van Les cousins, die mij herinnert aan de films van Jean Renoir, wordt afgewisseld met existentiële zwaarte, maar de verbinding tussen beide polen voel ik niet, waardoor het eerder ingrediënten van de film worden, dan dat ze de film dragen.

Les cousins [ imdb.com ]

De mooie Serge

gezien op TV5: Le beau Serge (1958) van Claude Chabrol

le beau Serge 1958Samen met de vorig jaar overleden Frans filmregisseuse Agnes Varda (1928-2019) en Jean-Luc Godard (1930) stond Claude Chabrol (1930-2010) aan de wieg van de nouvelle vague in Frankrijk. Chabrol wordt vaak als de theoretische grondlegger van deze beweging gezien. Hij was oorspronkelijk filmcriticus en voordat hij op zijn 27e zelf begon te filmen, schreef hij samen met Eric Rohmer (1920-2010) in 1957 een studie over de films van Hitchcock. Chabrol onderging zo sterk de invloed van deze grote filmregisseur dat hij vaak “de Franse Hitchcock” genoemd wordt.

le beau Serge
stills uit Le beau Serge 1958

De Franse zender zendt deze maand zijn eerste films uit. Vrijdag keek ik naar zijn debuutfilm Le beau Serge (1958) en vanavond is Les cousins (1959) aan de beurt, opnieuw met Gérard Blain en Jean-Claude Brialy in de hoofdrollen. In Le beau Serge viel mij de fraaie zwart-wit cinematografie op, met veel oog voor licht-donkerverhoudingen en close ups. Net als Hitchcock was Chabrol duidelijk beïnvloed door de Duitse film uit de jaren twintig met zijn sterke visuele expressies.

Le beau Serge [ imdb.com ]