zijn gelovigen dommer?

gelezen: waarom zijn wetenschappers minder vaak gelovig?
door Stefan Paas en Rik Peels in Geloof en Wetenschap van Forum C

The Independent berichtte op 12 augustus 2013 over een wetenschappelijk onderzoek (Zuckerman, 2013) waaruit moet blijken dat gelovigen minder intelligent zijn dan niet-gelovigen. Religious people are less intelligent than atheists, according to analysis of scores of scientific studies stretching back over decades stond er boven het artikel.

The Independent
The Independent 12 augustus 2013

De volgende dag maakte de atheïst Frank Furedi gehakt van het onderzoek. Atheists are more intelligent than religious people? That’s „sciencism„ at its worst . Als gelovige lijkt mij de uitkomst van het onderzoek echter niet zover naast de waarheid. Het draait erom wat we precies onder intelligentie verstaan. Wanneer we alleen naar analytische intelligentie kijken die we dan vastleggen in het IQ, dan laten we veel buiten beschouwing. Psychologen onderscheiden namelijk ook creatieve, praktische, emotionele en sociale intelligentie.

Gisteren las ik het artikel waarom zijn wetenschappers minder vaak gelovig? van Stefan Paas en Rik Peels in Geloof en Wetenschap van Forum C waarin zij kanttekeningen plaatsen bij het onderzoek van Zuckerman (2013).

Miron Zuckerman en anderen voerden onlangs een meta-onderzoek uit naar 63 studies (daterend van 1928 tot 2012) die de relatie tussen intelligentie en religiositeit onder- zochten (Zuckerman e.a. 2013). Intelligentie werd door de onderzoekers gedefinieerd als “het vermogen om te redeneren, te plannen, problemen op te lossen, abstract te denken, complexe ideeën te begrijpen, snel te leren en te leren van ervaring“. In 53 van de onderzochte studies bleek een (licht maar significant) negatief verband tussen intelligentie en religiositeit. Dat wil zeggen, hoe intelligenter mensen waren, hoe minder religieus. Omdat wetenschappers intelligente mensen zijn, ligt het voor de hand om hier de verklaring te zoeken voor het feit dat zoveel van hen ongelovig zijn.

Paas en Peels blijken mijn vraag ook te stellen: over welke intelligentie heeft het meta-onderzoek van Zuckerberg het eigenlijk? Het gaat inderdaad om analytische intelligentie en creatieve, praktische, emotionele en sociale intelligentie blijven buiten beschouwing. Als je je beperkt tot het IQ, dan geloof ik zeker dat er een verband is tussen analytische intelligentie en atheïsme en agnosticisme. In het Westen zijn we het intellect steeds meer gaan zien als het analytische denken. Maar de menselijke geest is natuurlijk veel meer dan dat. De oorspronkelijke betekenis van het Griekse woord “nous” maakt dit duidelijk.

In Griekse theologische teksten komt het woord “nous” veel voor. In het Engels wordt het woord meestal inadequaat vertaald met “intellect”. Dat is een verschraling van de betekenis. “Mind” zou dichter in de buurt komen maar is ook niet helemaal bevredigend. De beste Nederlandse vertaling vind ik “oog van het hart” omdat dit in één keer duidelijk maakt dat de nous met het hart verbonden is en zich niet beperkt tot ons brein. In het hart is plaats voor intuïtie en voor geloof. “Het hart heeft zijn redenen die de rede niet kent”, houdt Pascal ons nog altijd voor. Als je de nous buiten beschouwing laat en je vernauwt de geest tot analytisch denken, dan heb je wetenschappelijk onderzoek nodig om te bewijzen dat niet-gelovigen een hoger IQ hebben dan gelovigen. Paas en Peels:

Het lijkt er dus op dat mensen die sterk leunen op een bepaalde cognitieve stijl, minder vatbaar zijn voor (algemeen gedefinieerd) religieus geloof. Bovendien kunnen een langdurige training van ons analytische cognitieve systeem en een voortdurende argwaan tegen ons intuïtieve systeem eroderend werken op een eventuele religieuze aanleg of zelfs leiden tot het verlaten van religieus geloof. Dat zou heel goed (gedeeltelijk) kunnen verklaren waarom wetenschappers veel vaker ongelovig zijn dan andere mensen. Wetenschappelijke activiteit staat op gespannen voet met religieus geloof, niet omdat de wetenschap zou leiden tot resultaten die het bestaan van God weerleggen, maar omdat wetenschappelijke activiteit zorgt voor een voortdurende, eenzijdige prikkeling van ons cognitieve systeem. Wetenschappers zijn als topsporters: ze trainen onophoudelijk bepaalde eigenschappen van zichzelf. Daardoor zijn ze in staat tot bovengemiddelde prestaties, maar ze zijn ook kwetsbaarder voor blessures.

Tenslotte wordt in dit artikel ook de invloed van socialisering op onze manier van denken niet over het hoofd gezien:

De waarden die op scholen worden overgedragen zijn in hoge mate die van de bovenlaag van de samenleving (Hyman, Wright 1979). Aangezien juist de bovenlaag in het westen (zowel in Europa als in de Verenigde Staten) van oudsher vrijzinnig is georiënteerd, ligt het voor de hand dat het hoger onderwijs jongeren bij uitstek socialiseert in seculiere waarden. Juist hoger opgeleiden oriënteren zich graag omhoog; zij richten zich op die waarden die hun maatschappelijk succes beloven. Dat hoger opgeleiden vaker niet religieus zijn, hoeft dus niet zozeer een gevolg te zijn van intellect en kritisch denken, maar juist van sociale aanpassing aan de waarden van de maatschappelijke bovenlaag.
Aangezien juist de bovenlaag in het Westen van oudsher vrijzinnig is georiënteerd, ligt het voor de hand dat het hoger onderwijs jongeren bij uitstek socialiseert
in seculiere waarden.

Stefan Paas en Rik Peels

geloofenwetenschap.nl