Categorie archief: architectuur

fly me to the sixties

maandagavond gezien op RTL8: Catch me if you can (2002)

Catch me if you can is een misdaadkomedie die gebaseerd is op het ware verhaal van oplichter Frank W. Abinagle Jr. die carrière zou maken bij de FBI als expert in check fraude. Het is een aardige onderhoudende film met een stercast (naast Leonardo Di Caprio en Tom Hanks in de hoofdrollen spelen Christopher Walken en Martin Sheen mee, bekend van twee legendarische anti-Vietnamfilms uit de late jaren zeventig). Het leukste van de film vind ik de stijl van de jaren zestig in het bijzonder de luchtvaartcultuur. De toon wordt al gezet met de openingsgeneriek, een animatie in frisse kleurige vectorstijl.

Catch me if you can
de openingsgeneriek van Catch me if you can

Fraudeur Frank Abinagle ontdekt dat een piloot priveleges geniet en veel gemakkelijker toegang krijgt en doet zich in een uniform van panam voor als copiloot. We zien de wereld vanuit het perspectief van de luchthaven. In de jaren vijftig en zestig kondigde het airport zich aan als de voorbode van onze huidige geglobaliseerde wereld. Daar paste een blij modernistisch beeld bij zoals dat in de posters van Trans Word Airlines naar voren komt.

TWA
TWA poster uit de jaren zestig

Een van de iconen van het futurisme van de late jaren vijftig en zestig is het TWA Flight Centre (1962) op John F. Kennedy (JFK) International Airport van de Finse architect Eero Saarinen. Het is tevens een van de schoolvoorbeelden van sculpturale architectuur. Een van de scenes speelt zich af in het interieur van het TWA Flight Centre. Op de achtergrond klinkt Fly me to the moon van Astrud Gilberto. Onbezorgder en maakbaarder kun je je de wereld bijna niet voorstellen. Precies in de geest van het utopisch modernisme dat vijftig jaar geleden een hoogtepunt had bereikt. Snel daarna kwam de ontnuchtering met Vietnam en de schaduwzijde van de welvaart.

TWA Flight Centre van Eero Saarinen
Op de achtergrond van het TWA Flight Centre klinkt Fly me to the moon van Astrud Gilberto. Maakbaarder is de wereld nauwelijks voor te stellen.

Catch me if you can [ imdb.com ]

de Bazel in Arnhem

hoofdkantoor van de voormalige Heidemij (1914) in Arnhem
ontworpen door K.P.C. de Bazel

Negen jaar geleden schreef ik hier iets over het hoofdkantoor van de voormalige Nederlandse Handelmaatschappij aan de Vijzelstraat in Amsterdam dat vóór 1919 ontworpen werd door architect K.P.C. de Bazel (1869-1923). Het kolossale gebouw, ingeklemd tussen de Herengracht en de Keizersgracht, werd in 1926 voltooid. Alweer een aantal jaren is hier nu het Amsterdamse stadsarchief gehuisvest.

HeidemijVlak voor de Eerste Wereldoorlog had De Bazel opdracht gekregen om in Arnhem het hoofdkantoor van de Nederlandse Heide Maatschappij te bouwen. Vanmorgen liepen René en ik er langs. Het is een tamelijk streng en somber gebouw van donkere baksteen, maar weerspiegelt de geest aan het begin van de twintigste eeuw. Deze stond in het teken van het nieuwe bouwen, dat in Nederland vooral in gang gezet was door H.P.Berlage. Niet langer werden historische stijlen eindeloos herhaald en door elkaar geklutst, maar werd het materiaal als uitgangspunt genomen. Vaak waren dat bakstenen. De Amsterdamse School is het bekendste voorbeeld van het nieuwe bouwen aan het begin van de twintigste eeuw.

Heidemij portaal
de hoofdingang (1912-1914) van de Nederlandse Heide Maatschappij in Arnhem

Het is aardig om de hoofdingangen van de twee gebouwen in Arnhem en Amsterdam eens met elkaar te vergelijken omdat je daarin iets van de ontwikkeling van De Bazel kunt zien. Beide portalen hebben wachters in de vorm van symbolistische beelden. De figuren in het portaal van de Nederlandse Handelmaatschappij moeten Europa en Azië uitbeelden.

portaal
de hoofdingang (1919-1926) van de Nederlandse Handelmaatschappij in Amsterdam (tegenwoordig Stadsarchief). De Bazel heeft de voltooiing van zijn gebouw aan de Vijzelstraat niet mee mogen maken. Hij overleed in 1923, slechts 53 jaar oud.

K.P.C. de Bazel [ nl.wikipedia.org ]

verbrusseling

gelezen in Letter & Geest: Het is de stoep, stommeling!
volgens Hans de Geus is de architectuur de mens kwijt

Eerder schreef ik over mijn stadswandelingen met Michaela door Brussel. Michaela, die “veldwerk” heeft gedaan met Lucius Burckhardt (1925-2003), de grondlegger van de promenadologie, leerde mij tijdens deze stadswandelingen de kunsthistorische blik even los te laten en anders naar de stad te kijken. Een stad is geen openluchtmuseum maar een sociale structuur. Al die gebouwen staan er om door de mens gebruikt te worden.

Brussel blijkt een ideale stad voor Spaziergangswissenschaft. In de jaren zestig werd het centrum van Brussel door rigoureuze stadsvernieuwing zodanig verminkt dat planologen over de hele wereld van Brusselization (“verbrusseling”) spreken wanneer het historische hart uit steden vervangen worden door een onpersoonlijk CBD (central business district) met hoogbouw en spiegelglas.

Modernistische stedenbouw zou volgens Jane Jacobs de stad doden.
De mens leeft namelijk binnen een gemeenschap en deze wordt gekenmerkt door gelaagdheid, complexiteit en schijnbare chaos.

The Death and Life of Great American CitiesDe eerste die signaleerde welke verwoesting modernistische stadsvernieuwing kon aanrichten, was de Amerikaans-Canadese journalist en activist Jane Jacobs (1916-2006). In 1961 publiceerde ze The Death and Life of Great American Cities dat een klassieker is geworden. In dit boek heeft ze scherpe kritiek op “rationalistische” stadsplanners uit de jaren 1950 en 1960, zoals Robert Moses (1888-1981). Modernistische stedenbouw zou volgens haar de stad doden. De mens leeft namelijk binnen een gemeenschap en deze wordt gekenmerkt door gelaagdheid, complexiteit en schijnbare chaos.

Modernistische stadsontwikkelaars plannen van bovenaf. Hun stedenbouwkundige principes vormen ze uit deductie; van het algemene gaan ze naar het bijzondere (top down). Jacobs ziet stedelijke vernieuwing als de meest gewelddadige en scheiding van het gebruik (residentieel, industrieel, commercieel) als de meest voorkomende vorm van modernistische stedenbouw. Dit beleid zou gemeenschappen vernietigen door het scheppen van geïsoleerde, onnatuurlijke stedelijke ruimten.

Jane Jacobs pleitte voor diversiteit en presenteerde als alternatief voor modernistische stadsplanning een model met four generators of diversity:
 
• gemengd primaire gebruik: het stimuleren van activiteit in de straat op verschillende tijdstippen van de dag.
• korte blokken zodat er een hoge doordringbaarheid voor voetgangers is.
• gebouwen uit verschillende perioden en staat van onderhoud naast elkaar.
• dichtheid.

Voor Jane Jacobs was de wijk Greenwich Village in New York het schoolvoorbeeld van een levendige stedelijke gemeenschap. Dat The Village, net als andere soortgelijke gemeenschappen, goed bewaard is gebleven, is mede te danken aan haar activisme.

De straat en de stoep zijn de meest vitale organen van de stad.

Jane Jacobs

Helaas heeft The Death and Life of Great American Cities in de jaren zestig en zeventig niet de verwoesting van het centrum van Brussel kunnen voorkomen. Het boek heeft wel bewust gemaakt voor de negatieve kanten van het modernisme: monotonie en vervreemding. Planologen en architecten kennen nu het gevaar van verbrusseling en zijn de menselijke maat beter gaan bewaken.

The Death and Life of Great American Cities [ en.wikipedia.org ]