Over godsdienstwetenschappers wordt wel eens gegrapt dat zij de enige wetenschappers zijn die niet in hun eigen bronnen geloven. Tijdens het lezen van het heilige en het profane van de godsdienst-historicus Mircea Eliade ontdekte ik hoe waar deze opmerking eigenlijk is. De van oorsprong Roemeense Eliade (1907-1986) was behalve godsdienst-historicus nog veel meer: yoga-kenner, religie-psycholoog, wijsgerig antropoloog en misschien ook wel socioloog. In het voorwoord bij de Nederlandse vertaling van Hans Andreus schrijft deze dat Mircea Eliade meer verwant is met de dichter dan met de wetenschapper. Maar het heilige en het profane is vooral een boek van iemand die de smaak van honing beschrijft. Terwijl je van een dichter verwacht dat hij ‘hoger honing’ bezingt.
Misschien is dit het tragische lot van de wetenschapper; beroepshalve moet hij aan de kant blijven staan en daardoor mist hij datgene wat hij bestuderen wil: de levende ervaring. Omdat de godsdienstwetenschapper afstand schept tussen zichzelf en het object van zijn studie, kan hij niet participeren als een gelovige. Hij beschrijft de godsdienst(en) niet van binnenuit maar van buitenaf. Daardoor spreekt hij ook een andere taal. De terminologie die Eliade gebruikt, is even wetenschappelijk precies als kil. Religieuze ervaringen worden gebundeld en gelabeld in verstandelijke categorieën als ‘antropokosmische homologatie’, ‘zijnsmodus’ of ‘hiërofanie’. De godsdienstwetenschap brengt net als de fenomenologie een rationalistisch monstrum voort. Beiden worden gedreven door een diep verlangen om door te dringen tot de essentie. ‘Zurück zu den Sachen selbst‘ zoals de grondlegger van de fenomenologie Edmund Husserl het verwoordde. Maar in plaats van terug te keren naar de naakte verschijnselen, schept de fenomenologie een eigen metataal, waardoor het brandpunt juist op de taal komt te liggen en niet op de verschijnselen zoals oorspronkelijk de bedoeling was.
Niet elke wetenschapper hoeft in deze valkuil terecht te komen. Zo ontmoette de Peruaanse student antropologie Carlos Castaneda in 1960 in de Yaqui sjamaan ‘Don Juan’ terwijl hij de riten van zijn stam als studieobject gekozen had. Het verhaal is bekend: Castaneda gaf zijn positie als wetenschapper op en gaf zich over aan de levende ervaring. In zijn boeken deed hij verslag van de lessen die hij van zijn leermeester Don Juan ontving. De reacties waren voorspelbaar: zijn oudere vakbroeders noemden hem een charlatan, omdat hij zijn wetenschappelijke positie had opgegeven. Maar daardoor was hij nu een ingewijde in plaats van een buitenstaander ‘Het object van zijn belangstelling’ had hem uitgenodigd de grens te overschrijden en zijn wetenschappelijke houding op te offeren.
Het heilige en het profane is een boek van een wetenschapper die geconcentreerd schrijft over ‘het object van zijn belangstelling.’ Eliade heeft het voortdurend over ‘de goden’ maar dat blijft voor hem een categorie, evenals ‘de mythische helden’. Hij plaatst zich daardoor op een ‘wetenschappelijke Olympus’ die boven alle godenbergen uitreikt. Maar de religieuze ervaring zélf is in die positie onbereikbaar. De paradox is dat hij de religieuze ervaring wéll dichterbij brengt, zoals onmiddellijk uit de eerste alinea van zijn boek blijkt:
Bron: eerste alinea uit ‘het heilige en het profane’
Mircea Eliade
The Sacred and the Profane [ books.google.nl ] | castaneda.com



Terwijl onze koningin in haar kersttoepraak spreekt over ‘het nieuwe licht, de hoop in donkere dagen en het kerstkind’, zijn we intussen cynisch of op zijn minst sceptisch geworden in onze bezinning op de toestand in de wereld. Maar ‘vrede op aarde’ lijkt een even kunstmatige als onverwoestbare kerstgedachte. De VPRO gids probeert deze collectieve ‘kerstreflex’ te doorbreken en plaatst een zilveren duif op de cover met een gevleugelde zilveren tekst. ‘Oorlog op aarde’ Laten we de zoete dromen over kerstvrede dit jaar even opschorten. Vader Johannes Krestjankin wil ons ook wakker schudden. In zijn
(…) de spirituele ontreddering in West-Europa is inmiddels vele malen ernstiger dan die in Rusland en wij ontberen node geestelijk leiders als vader Johannes om ons zo nu en dan geestelijk door elkaar te schudden en ons leven en een ander perspectief te plaatsen dan dat van het ons omringende Westerse christendom, waarin een ‘softe’ opvatting van de christelijke liefde en streven naar wereldse genoegzaamheid, een leven in vrede en rust, het vluchten voor ziekte en ongemak en het moeiteloos accepteren van de zonde de boventoon voeren. Wat voor een verfrissende ervaring is het niet om vader Johannes ons als het ware vanaf het papier toe te horen roepen: “Er bestaat helemaal geen vrede! Er is nooit vrede. De Heer heeft de wereld geen vrede gebracht, maar het zwaard. Dit zwaard des Heren klieft tot op het bot; alleen in geloof, alleen met God en in God vinden wij rust en vertroosting en kunnen wij gebeurtenissen interpreteren.”












