Categorie archief: 20e eeuw

Boek & film [ 5 ]

aan het lezen in De stille dood (2009) van Volker Kutscher

de stille doodTwee jaar geleden las ik schaduw over Berlijn, de Nederlandse vertaling van Der nasse Fisch, de eerste thriller van Volker Kutscher met inspecteur Gereon Rath. Vorige week begon ik aan De stille dood, het tweede deel uit de Gereon Rath-cyclus dat nu ook in het Nederlands vertaald is. Kutscher verkocht de filmrechten en het resultaat van deze deal is de duurste niet-Engelstalige tv-serie ooit gemaakt: Babylon Berlin. Het eerste seizoen verscheen in 2017 het tweede in 2019 en werd in oktober door de ARD uitgezonden.

Het tweede seizoen van Babylon Berlin baseert zich op de tweede thriller uit de cyclus en is net als het eerste seizoen weer zwaar onder handen genomen door de scenaristen Tom Twyker, Achim von Borries en Henk Handloegte. Babylon Berlin II is geen verfilming van Der Stumme Tot, evenmin als Babylon Berlin I een verfilming van Der nasse Fisch was. Het is een herschepping, waar veel aan is toegevoegd. Maar er is ook veel overgenomen. Zoals de zaak en het plaats delict, een filmstudio in Neu Babelsberg waar de gevierde actrice Betty Winter verpletterd wordt onder een gloeiendhete nitraatlamp die uit de hoogte van de filmstudio naar beneden stort. Dat gegeven en de hoofdrolspelers Gereon Rath en Charlotte Ritter worden in Babylon Berlin overgenomen.

Maar veel is door Twyker, Von Borries en Handloegte veranderd. Zo begint het verhaal niet op vrijdag 28 februari 1930, als het carnaval van 1930 begint, maar in het najaar van 1929. De scenaristen hebben namelijk per se de beurskrach van 1929 in het tweede seizoen van Babylon Berlin willen opnemen. Zo is er eigenlijk nóg een verhaal met personages aan toegevoegd. En daar blijft het niet bij. Omdat Babylon Berlin gemaakt is als serie, zijn er verhaallijnen in verweven uit effectbejag. Zo is het tweede seizoen van Babylon Berlin, vergeleken met Der stumme, een explosief brouwsel geworden met net iets teveel ingrediënten, waaronder occultisme, obligate homo- en lesboscenes, seks, drugs en een snufje David Lynch.

Ik verheug me al op de vertaling van Goldstein, de derde thriller met Gereon Rath en daarna liggen er nog vijf thrillers te wachten op vertaling. Maar wie niet wachten kan, kan deze al in het Duits lezen:
 
Der nasse Fisch Kiepenheuer & Witsch, Cologne 2008
Der stumme Tod Kiepenheuer & Witsch, Cologne 2009
Goldstein Kiepenheuer & Witsch, Cologne 2010
Die Akte Vaterland Kiepenheuer & Witsch, Cologne 2012
Märzgefallene Kiepenheuer & Witsch, Cologne 2014
Lunapark Kiepenheuer & Witsch, Cologne 2016
Marlow Piper, Munich 2018
Olympia Piper, Munich 2020

Het bijzondere van de thrillers van Volker Kutscher is dat ze zich afspelen in de overgangsjaren van de Weimarrepubliek naar de nazidictatuur en ons deze periode laat herbeleven. Want de vraag hoe het allemaal heeft kunnen gebeuren, blijft fascineren. De Weimarrepubliek was de eerste democratie in Duitsland maar zou slechts 14 jaar bestaan. Het antwoord dat Kutscher geeft is niet expliciet of eenduidig, maar hij slaagt er zo goed in om de laatste jaren van de Weimarrepubliek te laten herleven, dat we ons kunnen gaan voorstellen dat de zedenloosheid en criminaliteit zoals die in Berlijn ruimschoots aanwezig waren, heel Duitsland in de afgrond hebben gestort. Daarom heet de tv-serie ook Babylon Berlin.

In Der Stille Tot lopen we zelf rond in Berlijn van 1930. De eerste zaak van Gereon Rath (der nasse Fisch) ging over het rode gevaar en de connecties met Moskou. Zijn tweede zaak (der stumme Tot) gaat over de connecties tussen de filmproducenten en de onderwereld van Berlijn. Deze onderwereld, die Fritz Lang in zijn legendarische film noir M – Eine Stadt sucht einen Mörder uit 1931 koppelde aan de opkomst van het nationaal socialisme, speelt in de thrillers van Kutscher een soortgelijke rol. Eigenlijk neemt de machtige onderwereld de stad over en in 1933 het hele land.

Boek & Film [ 1 ]

Technicolor-feestje

gezien op Eerste Kerstdag op BBC 2: Singing in the rain (1952)
en Some like it hot (1959)

Twee van de leukste Amerikaanse films uit de vorige eeuw waren op Eerste Kerstdag bij de BBC te zien: Singing in the rain en Some like it hot. Beide meesterwerken zijn gemaakt in de jaren vijftig maar spelen zich af in de jaren twintig. Naast deze overeenkomst is er ook een belangrijk verschil. Singing in the rain werd in 1952 in Technicolor opgenomen en is een zeer kleurrijk musicalfilm. Some like it hot werd in 1959 in zwartwit opgenomen, ook al bestond de kleurenfilm in Amerika toen al twintig jaar. Maar Billy Wilder had voor zijn comedy van de eeuw helemaal geen Technicolor nodig. De grote komieken van de stomme film hadden immers allang bewezen dat je zonder kleur ook heel hard kan lachen. Wat voegt kleur eigenlijk toe aan een goede grap? Overigens was 1959 ook het jaar van Ben Hur eveneens geschoten in overdonderend Technicolor en eergisteren nog op Arte te zien.

poster
Ruim zestig jaar na dato zijn Singing in the rain (1952) en Some like it hot (1959) nog altijd even sprankelend en grappig.

Singing in the rain is net als Some like it hot een heel vrolijke film maar hier is de kleur juist wel een essentieel onderdeel. Het verhaal speelt zich af in de overgangsjaren rond 1930 van de movie naar de talkie maar werd geproduceerd in de overgangsjaren van de zwart-wit naar de kleur. Deze musical is een Technicolor-feestje geworden.

singing in the rain
Alle kleurenregisters worden vrolijk opengetrokken

Het aardige is dat het beeld van de jaren twintig duidelijk aanwezig blijft in de scenes die zich afspelen in de bioscoopzaal. Daar kijkt het publiek naar films in zwart-wit wat erg mooi contrasteert in deze kleurrijke film. De jaren twintig moeten juist erg kleurrijk zijn geweest, maar onze collectieve beeldvorming wordt sterk bepaald door de zwart-wit film en fotografie uit deze periode. In Singing in the rain zien we eindelijk eens wat de kleur was van de pothoedjes, boa’s, Buicks en Fords. De rokkostuums en slobkousen bleven in kleur overigens gewoon zwart-wit.

Als je dit meesterwerk hebt gezien, dan zou je graag willen dat alle grote musicalfilms uit de jaren dertig al in Technicolor waren opgenomen. Het had misschien ook gekund want de techniek was een heel eind en de eerste lange speelfilms in kleur verschenen al aan het einde van dat decennium: the Wizard of Oz en Gone with te wind werden beiden uitgebracht in 1939, tien jaar na de introductie van de geluidsfilm.

In Singing in the rain worden dus alle verfblikken opengetrokken. Net zoals Chroucho Marx niet meer ophield met praten toen de talkie er eenmaal was, zo kon het voor de set decorators niet bont genoeg in deze spetterende musicalfilm. Maar over de kleur was wel goed nagedacht. Functioneel kleurgebruik heet dat dan. Samen met de muziek en de close up (gelaatsuitdrukking) van de acteurs is kleur hét element dat een stemming kan overbrengen. En zo kun je spreken over de “regie” of “choreografie” van kleur. Door de belichting verandert de kleur van het decor en de personages om een bepaalde stemming op te roepen.

magicaldreamworldDeze musicalfilm is een film over film en geeft ons een kijkje in de keuken van de droomfabriek. Een van de fraaiste scenes is die waarin Gene Kelly en Debbie Reynolds op de filmset een donkere loods binnenglippen. “This is an empty stage!” zegt Reynolds maar dan tovert Kelly met de trukendoos van spotlights en atmosferische lichteffecten en decors een droomwereld tevoorschijn. Het paar staat dan ineens niet meer op een lege filmset maar op het strand bij een betoverende zonsondergang. Zwijmelende strijkers doen de rest om het hart te laten smelten.

Een ander zwijmelmoment is the magical dreamworld, een scene die zich afspeelt in de verbeelding van de hoofdpersoon. Ook hier zien we weer de virtuele droomwereld van Hollywood. De vrouw wordt als object van verlangen geprojecteerd en door een extreem lange sleep van witte tule die door de windmachine wordt aangeblazen, lijkt ze zich te bewegen in een onderwaterwereld terwijl de dunne stof van haar sleep allerlei fantastische vormen aanneemt.

De terugkeer van het Gele Teken [3]

gelezen: De schreeuw van de moloch (2020)
en herlezen: De Septimusgolf (2013)

De schreeuw van de molochRond kerst is het voor mij traditie geworden om de nieuwe Blake en Mortimer te lezen. Vorig jaar was dat deel 2 De Vallei der Onsterfelijken (2019). Het eerste deel (2018) was het jaar daarvoor verschenen en om mijn geheugen op te frissen, herlas ik het eerste deel voordat ik aan deel 2 begon. Het nieuwste album De schreeuw van de moloch dat in november verscheen, is ook het tweede deel van een tweeluik. Omdat het eerste deel De Septimusgolf alweer zeven jaar geleden verscheen, deed ik er goed aan dit te herlezen voordat ik aan De schreeuw van de moloch begon.

Het scenario werd geschreven door Jean Dufaux. Uitgangspunt voor het verhaal is de klassieker Het Gele Teken. Met dit verhaal uit 1952 begon de internationale ster van Edgar P. Jacobs te rijzen. In de jaren negentig werd het door Belgische stripkenners meerdere malen gekozen tot het Stripalbum van de Eeuw. Het Gele Teken is dus een sterk merk in de wereld van het beeldverhaal. Voor Dufaux moet het een eer geweest zijn om een vervolg uit zijn duim te zuigen. Uiteraard geheel in de stijl van Jakobs. En de uitgever wist bij voorbaat al dat het gele teken beslist op de omslag moest komen, net als bij het origineel uit 1952.

Het Gele Teken is een sterk merk in de wereld van het beeldverhaal

De SeptimusgolfHoewel De Septimusgolf en De schreeuw van de moloch één verhaal vormen, loopt er helaas toch een duidelijke stijlbreuk door dit tweeluik. Dat komt omdat Jean Dufaux en Antoine Aubin een meningsverschil kregen waardoor de laatst letterlijk en figuurlijk niet meer tekende voor het vervolg. Wel was Étienne Schréder nog steeds bereid zijn medewerking te verlenen, zodat de continuïteit gewaarborgd kon blijven. Christian Cailleaux werd gevonden als opvolger van Aubin. Helaas is zijn interpretatie van Jakobs’ stijl niet bijzonder geslaagd. Ook lijkt het erop dat hij onder grote tijdsdruk heeft gestaan, want de tekeningen zijn zeker niet zo uitgewerkt als die van Aubin en missen al helemaal de gedetailleerdheid van Teun Berserik en Peter van Dongen, de tekenaars van De Vallei der Onsterfelijken. Vaak is de achtergrond helemaal weggelaten.

Doordat de tekst in de Nederlandse editie een heel erg kleine letter heeft, vallen de rechthoekige tekstballonnen vaak te groot uit waardoor er onnodige lege ruimte op de pagina verschijnt. In combinatie met plaatjes zonder achtergrond gaf me dat steeds een leeg gevoel. En het tweede deel is al twaalf pagina’s korter dan het eerste deel. Het scenario van De schreeuw van de moloch is weer even fantastisch als dat van De Septimusgolf (2013). Maar door de echo van de personage Septimus bleef De Septimusgolf toch dichter in de buurt van het origineel uit 1952 dan De schreeuw van de moloch.

De wedergeboorte van de klassieker Blake en Mortimer is natuurlijk ook back to the fifties. Op een belangrijk punt na. Bij Edgar P. Jakobs was er voor vrouwen namelijk geen plaats in zijn avonturen (behalve als huishoudster of serveerster) en dat moest van de uitgever uiteraard veranderen in de 2.0 reeks. Ook al zal het publiek van Blake en Mortimer voornamelijk uit (oudere!) mannen bestaan, toch worden er sinds 1996 ook vrouwelijke hoofdpersonages opgevoerd. Zo introduceert Jean Dufeaux twee femme fatales: Lady Rowana en Lilly Sing. Zelfs Queen Elisabeth II voert hij in De schreeuw van de moloch ten tonele. Maar de nostalgische wereld van Jakobs wordt zoveel mogelijk intact gelaten. The fifties revisited.

De terugkeer van het Gele Teken [1] | De terugkeer van het Gele Teken [2]