Maandelijks archief: augustus 2009

op zoek naar de atoomstijl [ 6 ]

A la recherche du “Style Atome“
Serge Clerc en Ted Benoît
Serge ClercSerge Clerc (1957) is het perfecte toonbeeld van de atoomstijlauteur van de jaren tachtig: hij is enerzijds geïnspireerd door de grote klassiekers van het Belgische stripverhaal en anderzijds door de American Dream. Op zijn 17e wordt hij gerecruteerd door Jean-Pierre Dionnet en verpersoonlijkt hij in zijn eentje Métal Hurlant, een tijdschrift gewijd aan science fiction en rock ‘n roll dat in 1975 werd opgericht. Nog open voor alles bij zijn debuut vat hij de modernistische methode zoals Ted Benoît die beoefent, maar tegelijkertijd dicht genoeg bij Yves Chaland om de nostalgische trillingen van de Belgische stripschool te voelen. Op het bureau van Clerc staat Moebius broederlijk naast Jack Kirby en Jacobs. Hij zag het buitengewone vakmanschap en de fantasie van de SF wereld van de Franse tekenaar, de vitaliteit en de inventieve kracht van de Amerikaanse tekenaar en tenslotte de onfeilbare zin voor compositie van de Brusselse tekenaar. Voeg daarbij een snuifje Will Eisner aan toe en de formule is perfect.
 
Maar er ontbrak nog iets volgens de jonge tekenaar, iets tussen gevoeligheid en onschuld, een extra scheut bezieling. Jean-Pierre Dionnet was ongetwijfeld zijn Jedi in de SF en comic books, maar Philippe Manoeuvre, de sterredacteur van Rock & Folk, liet ongetwijfeld de grootste indruk na op de jonge tekenaar. Deze goeroe had de hedendaagse rock bekend gemaakt bij het Franse publiek met zijn intelligente en subversieve artikels en hiep de grote Franse rockgroepen van de grond komen. Dankzij hem kleedde Serge Clerc zich in een zwart kostuum en reeg de kroegennachtjes aan mekaar. Zijn strips raakten bevolkt met bars, muzikanten en pin-ups.
 
Zijn ontmoeting met Yves Chaland brengt hem bij de atoomstijl. Hij ontdekt de Vlaming Ever Meulen en de Nederlander Joost Swarte met hun ironische esthetiek. Serge Clerc stelt ze een muzikale variant voor: sexy danseressen en berooide nightclubbers, die kicken op jazz, rock en sterke drank vloeien uit zijn smeuïg penseel. Zijn onbezorgdheid, zijn liefdesverdriet (het kort verhaal Nid d’espions a Alphaplage dateert uit deze tijd) dienen hem als reisgids. De buitenlandse uitgaven van Métal Hurlant (in Amerika, Duitsland, Italië, Spanje), maar ook zijn illustraties in het Londense toonaangevende muziektijdschrift New Musical Express, bezorgen hem wereldwijde faam. Zijn universum beïnvloedt tot vandaag nog een heleboel grafici.
 
Bron: op zoek naar de atoomstijl, tentoonstelling in het Atomium, 2009
Ted Benoît
Ted Benoît
Thierry “Ted” Benoît is geboren op 25 juli 1947 te Niort (Frankrijk). Na zijn studies cinematografie aan het I.D.H.E.C. (Institut des hautes études cinématographiques), wordt hij televisieproducer. In 1971 worden twee van zijn verhalen gepubliceerd in het tijdschrift “Actuel” en verlaat hij televisie om voor het blad “Geranonymo” te tekenen. In 1975 worden enkele van zijn verhalen afgedrukt in “l’Echo des Savanes”. Benoît is gepassioneerd door de Hollywoodfilms uit de gouden jaren en een groot bewonderaar van de tekenstijl “Heldere lijn” die geïntroduceerd werd door Hergé en Edgar P. Jacobs. Ted Benoît voegt deze twee invloeden samen tot een sublieme parodie waar het recente verleden en de nabije toekomst naadloos samenvloeien.
 
In 1979 verschijnt zijn eerste album “Hospitaal” bij “Humanoïdes Associés” waar hij onmiddelijk de prijs voor het beste scenario voor krijgt op het internationaal stripfestival van Angoulême. In 1981 maakt hij “Vers la ligne claire” een eerbetoon aan Hergé en Joost Swarte. Zijn oeuvre bestaat uit diverse verhalen waarvan de serie Ray Banana veruit de belangrijkste is. In 1992 neemt de Uitgeverij Dargaud de rechten van het volledige oeuvre van Edgar P. Jacobs over en ze besluiten de serie verder te zetten. Hiervoor trekken ze mensen aan de het unieke talent van Jacobs kunnen benaderen. Voor de tekeningen trekken ze Jean Van Hamme aan, en voor het verhaal van De zaak Francis Blake wordt gerekend op Ted Benoît.
 
Bron: stripverhalen.net

Op zoek naar de atoomstijl | Paul Gravett, in search of the atom style

op zoek naar de atoomstijl [ 5 ]

A la recherche du “Style Atome“
Ever Meulen en François Avril
Ever MeulenEen van de auteurs die over de hele wereld meteen worden begrepen en gesmaakt, is ongetwijfeld Ever Meulen. Voor hem is de atoomstijl een levenswijze. Wanneer hij midden jaren ’70 zijn tekeningen publiceert in het tijdschrift Tante Leny, in Nederland, en Curiosity Magazine, in Brussel, krijgen de meeste lezers een onverwachte esthetische schok: zijn klare lijn heeft een extra, nieuwe dimensie waarin het design sierlijk triomfeert. Zijn wereld refereert naar Hergé, Jijé en Jacobs maar netzo goed naar Giorgio de Chirico, Escher, Magritte, Afrikaanse kunst, Picasso of Raymond Loewy.
 
Zijn carriere dankt hij aan Humo, het televisietijdschrift dat destijds werd uitgegeven door Dupuis. Hij getuigde er van een ongeloofelijke grafische diversiteit en een complete beheersing van de typografische technieken, iets waar Joost Swarte verstomd van stond (de Nederlandse tekenaar woonde toen in Brussel in een Horta appartement aan de Brugmannlaan). Onder zijn trouwe aanhangers waren ook Yves Chaland and Serge Clerc. Zij waren in de wolken dat ze in de Belgische hoofdstad zowel Hergé, André Franquin, Ever Meulen en Joost Swarte vonden, waarbij de laatste twee (we hebben het over begin jaren 80) een soort overgang vormden naar het moderne genie.
 
Zijn werkmethode was geïnspireerd op die van Hergé met een procedé van opeenvolgende kalkpapiertjes (Meulen heeft weinig echte ‘originelen’) die zorgvuldig worden overgebracht voor de ininkting. Even Meulen staat erom bekend traag te zijn en perfectionistisch. Met aandacht voor het kleinste detail beheerst hij het grafische proces tot in de perfectie en houdt, zonder één ogenblik onoplettend te zijn, de controle over alles. Want dat is zijn grote angst: dat al zijn inspanningen, zijn noeste arbeid, de perfectie en de verfijning van zijn werk zou verraden worden door een klein vlekje dat zijn kwaliteiten als eerlijk kunstenaar zou teniet doen. Art Spiegelman stak zijn bewondering voor deze Belgische kunstenaar niet onder stoelen of banken en publiceerde hem in het tijdschrift Raw en in de bijlage van de New Yorker, waarvan zijn echtgenote Françoise Mouly de artistieke directeur is: “His lines quietly call attention to themselves and to the flatness of a plcture plane that buckles and warps into a profusion of visual puns and graphic rhymes.”
 
Bij Ever Meulen vinden we een synthese van de atoomstijl, die deze ‘libertijn van de grafiek’, zoals Bart de Keyser zo mooi zei, tot de perfectie bracht. Toen de gebroeders Pasamonik hun beruchte Atomium ’58 collectie lanceerden, ontwierp Ever Meulen er uiteraard het logo voor.
 
Bron: op zoek naar de atoomstijl, tentoonstelling in het Atomium, 2009
François Avril
François Avril
Born in 1961 in Paris, François Avril is part of that generation bedazzled by the Clear Line. When Joost Swarte publishes Modern Art in 1980, Avril is 19. Failing by one point to get into the Decorative Arts course, he signs up instead for Applied Arts. A fellow student is Charles Berberian. He discovers Métal Hurlant and in particular Yves Chaland, Serge Clerc, Loustal, Margerin. Following them, Floc„h and Ever Meulen. He creates his first comics for Je Bouquine, from Bayard. It’s here that he comes across a certain Yves Chaland. The author of Bob Fish is already the most emblematic artist of his generation. Avril soon becomes a close friend. Almost daily exchanges with the artist of Freddy Lombard open up new artistic horizons for him: French illustrators from the Thirties like Gus Bofa and The Spider Group; the great American classics: George Herriman, Will Eisner, Cliff Sterett, etc.; the great Belgian masters, led by Ever Meulen.
 
verder lezen: Paul Gravett, in search of the atom style

Op zoek naar de atoomstijl [ blog.atomium.be ]

op zoek naar de atoomstijl [ 4 ]

A la recherche du “Style Atome“
Yves Chaland en Daniel Torres
Yves ChalandYves Chaland werd op 3 april 1957 geboren in Lyon en zijn jeugd wordt opgevrolijkt met het lezen van hetweekblad Spirou (Robbedoes). Na zijn studies aan de academie van Saint-Etienne publiceert hij in het maandblad Métal Hurlant. Dit tijdschrift, opgericht door Moebius en Druillet, was oorspronkelijk enkel aan science fiction gewijd, maar zet daarna de deuren open voor allerlei grafische experimenten. Er duiken namen op: Frank Margerin, Dodo en Ben Radis, Serge Clerc, Ted Benoit… Een generatie die het Franse stripverhaal nieuw leven inblaast. Als volgeling van Joost Swarte gaat Yves Chaland ook de Frans-Belgische strip uit mekaar halen, maar recupereert paradoxaal genoeg de tijdloze elementen om hem een modern kleedje te geven. Een verbluffende operatie want het geeft de grote Belgische auteurs voorgoed hun status van ‘klassiekers’. Een nostalgisch effect treedt op terwijl deze scheppers nog in leven zijn.
 
Terwijl Joost Swarte en Ted Benoit de stijl van Hergé moderniseerden en Floc’h die van Jacobs, voegt Chaland zich bij dit rijtje maar neemt de meesters van de “School van Marcinelle” als referentie. Na Captivant, een zuivere pastiche op het stripverhaal van de jaren vijftig, dat hij tekent met Luc Cornillon, publiceert Chaland eerst Bob Fish (1980) en vervolgens Freddy Lombard (1981) waarbij de rechtstreekse invloed van Franquin en Tillieux overduidelijk is. Het duurt niet lang voor men hem de figuur van Robbedoes toevertrouwt met IJzeren harten (1982), maar de aanpak wordt slecht begrepen; de reeks wordt brutaal stopgezet en blijft onafgewerkt.
 
Adolphus ClaarHij gaat meer tegenstrijdige albums maken met Adolphus Claar (1983), De jonge Albert (1985), de verderzetting van de reeks Freddy Lombard (5 albums tot 1990), maar een ongeluk op de terugreis van een vakantie maakt op 18 juli 1990 een einde aan zijn jonge carriere. Met nauwelijks een tiental albums is de invloed van Chaland diepgaand en internationaal.(…) Zijn meesterwerk in de atoomstijl is zonder twijfel Adolphus Claar (1983), dat de avonturen vertelt van een leider van een afvalverwerkende fabriek in de 23e eeuw tegen weerspannige robots. De tekening is dynamisch, precies, vindingrijk en geïnspireerd. Hij projecteert een esthetiek in de toekomst die geïnspireerd is op de jaren vijftig, en dan vooral het Robbedoes op avontuur van Jijé (1947) en Robbedoes, Radar de Robot (1947) van Franquin.
 
Bron: op zoek naar de atoomstijl, tentoonstelling in het Atomium, 2009
Daniel Torres
litho van Yves Chaland
Another son of Valencia, like Mariscal, Daniel Torres studied Fine Art and Architecture there and made his comics debut in El Vibora magazine in 1980. His first influences were the classic American adventure strips born in the Thirties: Flash Gordon, Terry and the Pirates, Dick Tracy. Then came his discovery of Hergé, Jacobs and other Belgian masters which spurred him to change magazines in 1982, joining Cairo, a new forum for the Franco-Belgian “Clear Line” and “Atom Style” revivals and their Spanish peers. It was here that Torres began finding his distinctive voice on the retro-future thriller Opium. Sir Opium is a Fu Manchu-type villain in top hat and tails who terrorises an extraordinary retro-future metropolis. Torrres fills it with huge Fifties-style automobiles, real shark-finned gas-guzzlers, which cruise past towering buildings resembling gigantic jukeboxes or festooned with eye-catching logos and hoardings.
Daniel Torres
Daniel Torres
Torres progressed to his first full-length story in colour, Triton, serialised in Cairo in 1983. For this he introduced his ongoing hero Roco Vargas, a retired space pilot, who is trying to live a discreet life as science fiction writer and nightclub owner Armando Mistral. Not surprisingly, Vargas gets called back into service to save the planet from alien invasion. Torres designs every glamorous detail blending classical and modern references. His next project is Sabotage! for Magic Strip’s Atomium 58 collection.
 
verder lezen: Paul Gravett, in search of the atom style

Op zoek naar de atoomstijl