Voordat Lodewijk Napoleon in Nederland in 1808 de Prix de Rome instelde, waren er al generaties lang schilders van de Lage Landen naar Italiëgereisd om daar de antieken te bestuderen en, niet in de laatste plaats, het Italiaanse landschap in zich op te zuigen. De schetsen die zij in de open lucht hadden gemaakt, werden soms jaren later op het atelier uitgewerkt in olieverfschilderijen. Net als wij op een regenachtige zondagmiddag in de herfst onze vakantiefoto’s bekijken, speelde ook toen heimwee naar het Zuiden een grote rol. De voorstellingen van de zogenaamde Italianisanten uit de 17e eeuw zijn sterk geïdealiseerd. Meestal schilderden ze pastorale taferelen in een avondstemming, badend in een warm, zuidelijk licht.
In de zomer van 2001 was in het prentenkabinet van het Rijksmuseum de tentoonstelling Tekenen van warmte te zien. Onlangs kocht ik de catalogus en was vooral getroffen door de techniek die Cornelis van Poelenburch en Bartholomeus Breenbergh voor het eerst toepasten. Zij werkten met bruine inkt en drenkten grote delen van de tekening in een tint, de zogenaamde ‘gewassen tekening’. De delen die in het volle zonlicht vielen, spaarden ze daarbij uit zodat het net lijkt alsof in de tekening de zon schijnt. Deze accentuering van het licht pasten ze ook in hun schilderijen toe. Van Poelenburch was overigens een van de oprichters van de Bentvueghels, een soort broederschap van kunstenaars uit de Lage Landen in Rome die ongeveer honderd jaar bestaan heeft (1620 tot 1720). Ook Bartholomeus Breenbergh behoorde tot dit gezelschap.

uit de collectie van het Rijks Prentenkabinet
Hij had in Rome veel succes en kreeg onder meer opdrachten van groothertog Cosimo II de’ Medici. Rond 1625 keerde Poelenburch terug naar Utrecht, waar hij een studio opzette. Hij had veel leerlingen en genoot veel aanzien met zijn kleine kabinetstukjes. Rubens kocht bij zijn bezoek aan Utrecht in 1627 enkele schilderijen van Poelenburch. In 1631 maakte hij een reis naar Parijs en op uitnodiging van koning Karel I werkte hij van 1637 tot 1641 in Londen. De Utrechtse verzamelaar baron van Wyttenhorst bezat maar liefst vijfenvijftig schilderijen van hem, en in de verzameling van stadhouder Frederik Hendrik was geen andere schilder zo goed vertegenwoordigd als Poelenburch.
Bron: nl.wikpedia.org

Om diagnoses te stellen over het lichaam en de ziel van de samenleving hebben sociologen statistieken nodig. Bij de interpretatie van deze statistieken wordt doorgaans grote terughoudendheid betracht, want een moraliserende socioloog is uit den boze. Socioloog én filosoof Bas van Stokkum levert met zijn nieuwste boek Wat een hufter! deze terughoudendheid in. Hufterigheid is volgens hem in Nederland de norm geworden. Vermoedelijk bestaat er een verband tussen een gure samenleving en het taboe op moraliseren. Onderbouwing blijft echter lastig, want dan zou in de openbare ruimte overal ons gedrag gemeten en in statistieken vastgelegd moeten worden. Daarvoor heb je een politiestaat nodig. We kunnen daarom beter op onze eigen waarneming afgaan en er maar in berusten dat deze geen wetenschappelijke waarde heeft. Het beste bewijs van hufterigheid leveren we tenslotte zelf. Of niet.












