Maandelijks archief: december 2015
architectuur met een draai
met elkaar gemeen?
Het nieuwe Centraal Station van Arnhem is een fraai voorbeeld van sculpturale architectuur. Rechte lijnen hebben plaatsgemaakt voor gebogen lijnen en het geheel ziet eruit als een gestolde golf. Sculpturale architectuur is peperduur en wordt meestal toegepast in prestigeobjecten. Paviljoens op wereldtentoonstellingen vallen daar uiteraard ook onder.
Als je ervan uitgaat dat alle bouwkunst ooit begonnen is in een prehistorische grot, dan is sculpturale architectuur de oudste architectuur ter wereld. Maar als je in enger verband naar de oorsprong van sculpturale architectuur gaat kijken, dan kom je volgens mij uit in de zeventiende eeuw. De afwisseling van convex (bol) en concaaf (hol) vinden we niet in de bouwkunst van de Oudheid en Renaissance. Het is echt een uitvinding van de barok en deze uitvinding is op naam van één architect te schrijven: Francesco Borromini. Hij was de eerste die de klassieke bouwkunst vloeibaar maakte.

Zijn meesterwerk is de San Carlo alle Quattro Fontane (1634 en 1677). Dit kleine kerkje in Rome zou een enorme invloed hebben op de bouwkunst van de late barok en het rococo. Pas na 1775 als er weer een strak lineair neo-classicisme in de mode komt, zouden de vloeibare vormelementen weer uit de bouwkunst verdwijnen. Ook voor de niet plastische kunsten had Borromini betekenis. In veel rococo prenten ziet de architectuur eruit als het beroemde horloge van Dali. Door de verbeeldingskracht worden de vaste vormen rond geslepen, net als in een rivier.

Borromini voorkwam lineair classicisme en vermeed een eenvoudige ronde vorm, maar werkte liever met bijvoorbeeld rimpelende ovalen, octagonen (achthoeken) die vervagen naarmate men dichter bij de lantaren komt, de enige bron van licht in het donkere interieur. De kerk is klein van stuk; hij “ontwierp naar binnen en buiten golvende muren die er uit zagen alsof ze niet van steen gevormd waren maar van een soepele stof die in beweging was gezet door een energetische ruimte, met daarin de uitgehouwen entablaturen, kroonlijsten, met zich meedragend de uitgehouwen gedenktekens, de friezen en pedimenten”
Bron: nl.wikipedia.org
het denkende shot
In Close Up – wereldgeschiedenis van de film wijdt Mark Cousins een hoofdstuk aan de nouvelle vague onder de titel Het geëxplodeerde verhaal. De nouvelle vague maakte een einde aan een stijl die Cousins het “gesloten romantische realisme” noemt, de dominante stijl van de mainstream film. Deze films zijn 1. gesloten, omdat de acteurs een parallel universum lijken te bewonen en niet naar de camera kijken en zelden een open einde hebben. 2. romantisch, omdat de emoties meestal hoog oplopen en de protagonisten op een bepaalde manier heroïsch zijn en 3. realistisch, omdat de mensen, ondanks deze kunstmatigheid herkenbaar menselijk zijn en de afgebeelde samenleving op de onze lijkt.
In de jaren zestig werd het “gesloten romantische realisme” gesloopt door de jonge honden van de nouvelle vague. De film die als de oerfilm van de nouvelle vague gezien wordt, is de low budget film A bout de souffle. Vijfenvijftig jaar later is het niet direct meer te zien waarom deze film zoveel betekenis kreeg voor een nieuwe generatie filmmakers. Maar Mark Cousins legt in zijn boek uit wat er zo vernieuwend was aan À bout de souffle. Godard introduceerde iets nieuws in de cinema. Je zou dit “het denkende shot” kunnen noemen.

In de nouvelle vague wordt de film zich ervan bewust dat ze film is, zoals in het impressionisme het schilderij zich ervan bewust wordt dat het een plat vlak is met daarop kleurige vegen. Film is in de eerste plaats een aaneenrijging van shots en die shots kunnen zich verzelfstandigen. Het shot is niet langer de slaaf van een actie, maar het shot wordt autonoom. Zo zit er in A bout de souffle een beroemde sequens van jump cuts van Jean Seberg in de auto naast Jean-Paul Belmondo. Haar markante korte koppie is van achteren gefilmd. Maar de camera filmt niet één shot, maar blijft vanuit meerdere posities vanaf de achterbank in haar nek kijken. De shots schuiven en tuimelen over elkaar heen.
Jean-Luc Godard (1930) wordt met zijn generatiegenoten Jacques Rivette (1928), François Truffaut (1932-1984) en Claude Chabrol (1930-2010) tot de jonge cineasten van de nouvelle vague gerekend. De wegbereider van deze nieuwe manier van filmen was Robert Bresson (1901-1999), die een generatie ouder was. Éric Rohmer (1920-2010) en Alain Resnais (1922-2014) zaten er tussenin.
Bron: the-artifice.com













