Categorie archief: filosofie

spektakel & vervreemding

Sgt. Peppers Lonely Hearts Club Band (1967) van The Beatles
La Société du spectacle (1967) van Guy Debord
Play Time (1967) van Jacques Tati

Gisteren werd ik extra attent gemaakt op de beroemde klassieker La Société du spectacle van Guy Debord doordat twee heel verschillende draden elkaar raakten. Naar aanleiding van het 49-jarige jubileum van Sgt. Peppers Lonely Hearts Club Band had ik zojuist gelezen in Revolution in the Head (1994) van Ian MacDonald. In deze veel geprezen biografie van Beatles songs wordt diep ingegaan op de betekenis van A day in the life.

Ik las het volgende: “At one level, A day in the life concerns all the alienating effects of “the media”. On another, it looks beyond what the Situationists calles “the society of the Spectacle” to the poetic consiousness invoked by the anarchic wall slogan of May 1968 in Paris.

Even later las ik in het kleinste kamertje van ons huis een tekst op de Filosofie Scheurkalender waarin ook verwezen werd naar het boek van Debord. Langs heel verschillende wegen kwam de spektakelmaatschappij naar mij toe, afgezien van het feit dat ik er vrijwel voortdurend in ondergedompeld ben en aan probeer te ontsnappen.

Beatles
Sgt. Peppers Lonely Hearts Club Band kruipt dicht tegen de massabeeldcultuur aan maar wijst tegelijkertijd naar een poëtisch alternatief.
De hoes van Sgt. Peppers is een soort selfie van de spektakelmaatschappij.

Het is waarschijnlijk geen toeval dat La Société du spectacle en Sgt. Peppers Lonely Hearts Club Band in 1967 verschenen. Er is nog een ander artistiek product uit 1967 dat past in de thematiek van de moderne massaconsumptiemaatschappij, namelijk de film Play Time van Jacques Tati. Halverwege de jaren zestig werd duidelijk hoe sterk de invloed van de massabeeldcultuur op onze geest is. In de kunst gaf pop art een commentaar dat op zijn minst dubbel genoemd mag worden: aan de ene kant was er een kritische houding maar aan de andere kant omhelsden en verheerlijkten pop art kunstenaars de massabeeldcultuur.

Play Time
still uit Play Time (1967)

In Play Time geeft Jacques Tati een speels-filosofisch commentaar. Net als in Mon Oncle laat hij zijn typetje meneer Hulot verwonderd rondwandelen in de moderniteit. Tati houdt zich daarbij verre van moralisme of anti-globalistisch chagrijn. Wél laat hij in even concrete als hilarische situaties zien welke vervreemding er is tussen de mens en zijn modernistische leefomgeving. Ook The Beatles kiezen natuurlijk voor het speelse. Voor Sgt. Peppers spelen ze een soort maskerade en hijsen ze zich in pakken uit de carnavalsshop en worden omgeven door een bont gezelschap. De hoes van Sgt. Peppers is een soort selfie van de spektakelmaatschappij.

Tati laat meneer Hulot verwonderd rondwandelen in de moderniteit. Hij houdt zich daarbij verre van moralisme of anti-globalistisch chagrijn.

Zoals Ian MacDonald terecht opmerkt, wijst Sgt. Peppers ook naar een poëtisch alternatief, een vluchtroute IN de werkelijkheid. De vervreemding biedt namelijk ook kansen. In navolging van het citaat van Novalis wordt in Sgt. Peppers het alledaagse leven in de consumptiemaatschappij geromantiseerd. “Doordat ik het banale een verheven betekenis, het gewone een geheimzinnig aanzien, het bekende de waardigheid van het onbekende, het eindige de schijn van oneindigheid geef, romantiseer ik het.” Natuurlijk lukt dat wat beter als je de mogelijkheden hebt om daar uit te breken met geestverruimende middelen en reizen naar India.

Maarten Doorman merkt tijdens zijn college Het romantische bewustzijn op dat de hippiebeweging een laatste opleving is van de romantiek. De bloemenkinderen verzetten zich aanvankelijk nog tegen de kapitalistische consumptiemaatschappij en vinden een poëtische uitweg. Maar de Facebookgeneratie van vijftig jaar later is volledig in de tang genomen. De verticale grensoverschrijding van Novalis die in 1967 nog volop beleefd wordt, heeft in 2016 plaats gemaakt voor horizontaal surfgedrag, van de ene piek(ervaring) naar de andere piek(ervaring).

De oceaan van het world wide web is uitgestrekter dan ooit en dijt iedere dag verder uit. Maar over het algemeen heeft deze de diepgang van een soepbord gekregen. Door ’68-ers (waaronder Debord) zou deze ontwikkeling gehekeld worden. Maar niet door hedendaagse schrijvers als Alessandero Baricco. In Barbaren legt hij zich erbij neer dat ons “oude bewustzijn” door de massacultuur muteert naar een “nieuw bewustzijn”. We hoppen over het horizontale vlak van het ene spektakel naar het andere. Wat zou daar mis mee zijn?

La Société du SpectacleLa Société du Spectacle (1967)
Dit boek moet gelezen worden in de wetenschap dat het welbewust geschreven is met de bedoeling de spectaculaire maatschappij schade te berokkenen. Het heeft nooit iets verkondigd wat buitensporig is“. Zo besluit Guy Debord (1931-1994) zijn voorwoord uit 1992 bij de derde Franse editie van De spektakelmaatschappij. Dit boek verscheen voor het eerst in 1967 als theoretisch geschrift van de Situationistische Internationale, aan de vooravond van de troebelen van mei 1968, waarin deze organisatie na tien jaar van niet aflatende agitatie en compromisloze kritiek een verregaande invloed had. Sindsdien is het boek, dat met recht en reden ‘Het Kapitaal van de twintigste eeuw’ is genoemd, vele malen herdrukt en in meer dan twaalf talen vertaald; in 1973 werd het door de auteur zelf verfilmd.

De spektakelmaatschappij [ nl.wikipedia.org ] | Play Time [ W&V ]

hart van het digitale leven

Het 300e sterfjaar van Gottfried Wilhelm Leibniz
de uitvinder van het binaire rekenstelsel

De invloed van de Duitse filosoof en wiskundige Gottfried Wilhelm Leibniz op onze tijd is groter dan we denken. In de achttiende eeuw zou Leibniz’ filosofie vooral door Wolff uitgewerkt en verspreid worden. De zogenaamde Theodicee, de idee dat God de beste van alle mogelijke werelden geschapen had, zou in de hele westerse wereld ingang vinden. Het was in feite de theologische rechtvaardiging van het absolutisme. Voltaire zou er in Candide (1759) de vloer mee aanvegen.

Leibniz
de website leibniz-2016.de

Tegenwoordig is de Theodicee van Leibniz een rariteit. Dat geldt niet voor het binaire stelsel. In Leibniz‘ tijd wist men nog niet goed wat men ermee aan moest. In de eenentwintigste eeuw des te meer. Het binaire stelsel is het kloppend van het digitale leven.

Leibniz
brief van Leibniz met binaire stelsel in de kantlijn

Gottfried Wilhelm Leibniz [ nl.wikipedia.org ]

Die Welt als Brahman und Maya

gelezen: hoofdstuk 14 in de biografie van Schopenhauer

SchopenhauerDe Duitse pessimistische filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860) was tweehonderd jaar geleden een early adopter van de oosterse mystiek. Hij maakte kennis met het oud-Indische gedachtegoed in zijn Dresdener jaren (1814-1818) door een Latijnse vertaling van de Upanishaden. Rüdiger Safranski beschrijft in zijn biografie Schopenhauer – de woelige jaren van de filosofie hoe de 27-jarige Schopenhauer in Dresden aan het broeden was op zijn filosofie die hij in zijn hoofdwerk Die Welt als Wille und Vorstellung in 1819 zou presenteren. Maar pas na 1850 zou zijn filosofie inslaan als een bom en grote invloed hebben, o.a. op het denken van Nietzsche.

Große Meißner Gasse 35
Van 1814 tot 1816 woonde Schopenhauer in deze “woonkazerne” aan de Große Meißner Gasse 35 in Dresden. Hier ontstond het concept voor zijn hoofdwerk Die Welt als Wille und Vorstellung.

Net als zijn tijdgenoten, de Duitse idealisten Schelling, Fichte en Hegel, verwerkte Schopenhauer de filosofie van Immanuel Kant, die in 1781 met zijn Kritik der reinen Vernunft een aardverschuiving in de filosofie teweeggebracht had. Kant had tegenover de wereld der verschijnselen het zogenaamde Ding an Sich geïsoleerd. Het Ding an Sich is geen synoniem van het object dat in het empirisme traditioneel tegenover het menselijk subject wordt geplaatst. Over de wereld an Sich, zoals deze buiten de menselijke waarneming bestaat, daarover valt niets te zeggen. Daar waren de filosofen na Kant het niet helemaal mee eens. De blinde vlek die Kant midden in de menselijke kennis had geplaatst werd door het zogenaamde Duitse idealisme grondig overwogen. Kant zag het Ding an Sich overigens niet als blinde vlek in de menselijke kennis, maar als een oceaan die de menselijke kennis aan alle kanten omringt. Hij verklaarde deze oceaan tot het domein van het geloof.

Door het Ding an Sich te isoleren van de wereld der verschijnselen had Immanuel Kant de Duitse filosofie na hem de diepte ingejaagd.

Door de grenzen van de menselijke kennis zo haarscherp in kaart te hebben gebracht, moesten de filosofen na Kant zich wel gaan bezighouden met het jenseitige. Het transcendentale onderzoek van Kant werd voortgezet en de Duitse filosofie betrad rond 1800 het terrein van de mystiek. Ruim honderd jaar later zou Wittgenstein schrijven dat we moeten zwijgen over de dingen waarover we niet kunnen spreken, maar zover was het rond 1800 nog niet. Fichte trad het eerste in de voetsporen van Kant en schreef geheel in de geest van de beroemde filosoof uit Königsberg een tekst waarmee hij in één klap zelf ook beroemd werd. Dat kwam omdat deze tekst anoniem werd gepubliceerd en de lezers meenden dat Kant deze tekst geschreven had. Maar Kant was zelf ook onder de indruk. Fichte introduceerde het “ik” in de moderne filosofie.

Schelling en Fichte gebruikten het begrip “intellectuele aanschouwing”. Safranski schrijft: “De intieme relatie met de werkplaats van de gedachten opent voor ons de poort naar het geheim van de wereld.” Schelling zag voorbij het “ik” van Schelling nog een dieperliggende grond die hij “natuur” noemde. Voor de jonge Schopenhauer waren Fichte en Schelling nog steeds te intellectueel bezig. Hij zocht het Ding an Sich in het primaat van de ervaring waar de intellectuele aanschouwing niet kan doordringen.

Oupnek'hatHoe kwam Schopenhauer de grond van alle dingen op het spoor? Hoe is de wereld voorbij alle voorstellingen die wij van de wereld maken? De Oupnek’hat, de Latijnse vertaling van de Upanishaden door de Fransman Abraham Hyacinthe Anquetil-Duperron (1731-1805) gaf Schopenhauer in 1815 het antwoord. De heilige boeken van het hindoeïsme noemen de wereld der verschijnselen Maya. Door onze zintuigen zijn wij verstrikt in de webben van Maya en de wereldziel, de essentie van de wereld, houdt zich voor ons verborgen. De wereldziel wordt in de Upanishaden aangeduid met Brahman. Schopenhauer noemde zijn hoofdwerk Die Welt als Wille und Vorstellung maar had het voor hindoes een andere titel kunnen geven: Die Welt als Brahman und Maya

Maya (Sanskriet; oorspronkelijke betekenis: illusie) is een begrip uit het hindoeïsme en het boeddhisme, dat vertaald kan worden als “sluier van illusies”. Beide religies wijzen erop dat de mens meestal een wereldbeeld heeft dat ver van de werkelijkheid af staat, zodat het de mens belet inzicht te hebben. Dit onwerkelijke beeld is het resultaat van materiële waarneming via de zintuigen (empirisme) en een foute interpretatie ervan. Omdat de mens hierdoor door een sluier van illusies is omgeven, wordt de ware toestand van de wereld aan het zicht onttrokken. Zowel het hindoeïsme als het boeddhisme gaan ervan uit dat deze toestand de mens verhindert het ware geluk te vinden. De Maya kan worden opgeheven door onder andere meditatie. (Bron: nl.wikipedia.org)

Schopenhauer vond in zijn exemplaar van de Oupnek’hat precies wat hij zocht: een religie zonder God en een metafysica zonder hiernamaals. Zo kwam het tweehonderd jaar geleden, nog ver vóór New Age tot een echte ontmoeting tussen Oost en West. Kant had door het Ding an Sich te isoleren van de wereld der verschijnselen de filosofen na hem de diepte ingejaagd. Wat lag er achter de wereld der verschijnselen waar de natuurwetenschappen geen toegang toe hebben? Het antwoord kwam uit de hindoeïstische mystiek: Brahman, de wereldziel. Schopenhauer noemde het de wereldwil. Hij bedoelde daarmee uitdrukkelijk niet de doelgerichte wil maar een blinde wil.

Etymologisch betekent Brahman ‘kracht’. Hiermee werd de kracht van het ritueel bedoeld. Rituelen stonden centraal in de Vedische godsdienst van de Brahmanen. In de oudste filosofische teksten betekent Brahman zoiets als levensziel van alles, de ziel van de wereld. Het wordt in deze teksten los gezien van Atman. Vrij snel gaat in de Upanishaden het idee ontstaan dat Brahman en Atman een zijn. De individuele ziel is niet anders dan het wereldzelf. Dit idee zal in de Indiase filosofie steeds terug komen, al wordt Brahman vaak door andere woorden vervangen, zoals de goden Vishnu en Shiva. De centrale vraag blijft: wat is het Atman? Hoe krijg te toegang tot het uiteindelijke Zelf? (Bron: katinkahesselink.net)