Categorie archief: 17e eeuw

Theodicee en digitaal leven

maandag was het de 300e sterfdag van Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716)

In juni schreef ik al iets over het Leibnizjaar. Eergisteren was het precies 300 jaar geleden dat de Duitse filosoof en wiskundige Gottfried Wilhelm Leibniz stierf. In Duitsland verscheen geen postzegel, want Leibniz werd in het verleden al vaker met een postzegel geëerd, zowel in het Duitse Rijk, de Bondsrepubliek, de DDR als in het verenigde Duitsland. De laatste keer dat je Leibniz op een brief kon plakken was in 1996, zijn 350e geboortejaar.

Leibniz
Leibniz herdenkingspostzegel, 1996

Op school leerde ik ruim 35 jaar geleden dat Leibniz de vader was van de Theodicee, de idee dat God de beste van alle mogelijke werelden geschapen had. Maar in de eenentwintigste eeuw is Leibniz voor ons toch vooral de oudste vader van de digitale revolutie. Deze kwam pas 250 jaar na zijn dood op gang. Het binaire stelsel dat Leibniz ontwikkeld heeft, kon pas echt goed toegepast worden in 1946 met de ENIAC (Electronic Numerical Integrator and Computer). Sinds het einde van de jaren zestig kunnen we echt spreken van het informatietijdperk en een digitale revolutie. En zo lijkt voor velen Leibniz’ Theodicee te herleven: het digitale leven als het beste, snelste en comfortabele van alle mogelijke levens.

Leibniz
Leibniz postzegels uit 1966 en 1980

The Philosopher Who Helped Create the Information Age [ slate.com ]

de god van Spinoza

gelezen: Hoofdstuk III Het godsbewijs van de atheïst
in De Verlichting als kraamkamer (2013) door Jabik Veenbaas

De Verlichting als kraamkamerPrecies drie jaar geleden verscheen De Verlichting als kraamkamer van Jabik Veenbaas. Tegenover Wim Brands legde Veenbaas in VPRO Boeken uit welk misverstand er volgens hem over de Verlichting bestaat. Als het om de historische Verlichting gaat, een periode die Veenbaas in het laatste kwart van de zeventiende eeuw laat beginnen, werd de rede niet verheerlijkt maar juist ondergraven door het scepticisme. De grote Schotse filosoof David Hume was zeker niet de eerste die twijfelde aan de almacht van de rede. Had de rationalist Descartes het tijdperk van de moderne filosofie niet ingeleid, door de methodische twijfel als grondslag te kiezen? Maar Descartes vond uiteindelijk nog een veilige haven in het christelijke geloof. Honderd jaar later is er van die veilige haven weinig meer over. Traditioneel wordt de rationalist Spinoza aangewezen als de grote opruimer van het oude geloof. De joodse gemeenschap in Amsterdam had Spinoza in 1656 geëxcommuniceerd. Hij werd letterlijk vervloekt en vervolgens verbannen uit Amsterdam. Dit heeft Spinoza de status bezorgd van “martelaar van het vrije denken”.

Spinoza werd letterlijk vervloekt en vervolgens verbannen uit Amsterdam. Dit heeft hem de status bezorgd van “martelaar van het vrije denken”.

In hoofdstuk III Het godsbewijs van de atheïst van zijn boek, verwondert Veenbaas zich erover dat Spinoza nog altijd te boek staat als een atheïst. Je leest telkens weer een “hoe is het mogelijk?!” tussen de regels door. Spinoza‘s filosofische bouwwerk was namelijk gefundeerd in een godsbewijs! Hoe kan juist een denker die, net als de middeleeuwse filosofen, vertrekt bij een ontologisch godsbewijs, voor een godsloochenaar worden uitgemaakt?! Volgens Veenbaas was Spinoza alles behalve een atheïst, hij was zelfs een zuivere christen, al hield hij er onorthodoxe denkbeelden op na.

Natuurlijk staat of valt de juist beantwoording van de vraag “was Spinoza een atheïst?” met ons begrip of beter gezegd onze kennis van God. Spinoza sprak in zijn Tractatus theologico politicus (1670) en in zijn Ethica (1678) veel over god. Maar hij verstond onder god iets anders dan de orthodoxe joden en christenen van zijn tijd. Voor Spinoza viel god samen met de natuur. Hij was dus een pantheïst. In het pantheïsme is geen plaats voor een persoonlijke God die de wereld geschapen heeft. God valt samen met de wereld. Er is dus geen onderscheid tussen Schepper en Schepping.

Spinoza werd de hele achttiende eeuw als atheïst beschouwd en spinozisme was een synoniem van atheïsme en pantheïsme. In de eenentwintigste eeuw komt de religieuze beleving van de meeste mensen echter heel dicht bij die van Spinoza. Zeker in de populaire New Age, die de geïnstitutionaliseerde religies achter zich heeft gelaten, is god een energie geworden die in de materie werkzaam is. Het is dus niet verwonderlijk dat Spinoza nu zo actueel is. En het is ook niet vreemd waarom we moeilijk kunnen begrijpen waarom Spinoza als atheïst gezien werd/wordt.

Wanneer je in een persoonlijke God gelooft, dan is al datgene wat daartegenin gaat atheïsme. Niet alleen de substantie (=god) van Spinoza, maar ook de goddelijke energie (=god) uit de New Age en ook de abstracte god van het deïsme. Atheïsme hangt dus af van je eigen godsbegrip. Zo hoeft het meest vage ietsisme, waarin god niet meer is dan “een vermoeden”, zichzelf niet als atheïstisch te beschouwen. Een agnosticus zal tenslotte ook niet van zichzelf durven zeggen dat hij atheïst is.

geschiedenis als toneelstuk

Réception de Condé à Versailles (1878) van Jean-Léon Gérôme

De historische schilderkunst uit de tweede helft van de negentiende eeuw loopt vaak vooruit op de spektakelfilm van de twintigste eeuw. Twee jaar geleden liet ik zien hoe D.W. Griffith zich had laten inspireren door The Babylonian Marriage Market van Edwin Long uit 1875. Voor een van de scenes uit Intolerance (1916) nam hij dat letterlijk over. Hij was niet de eerste filmpionier die dit deed. Een paar jaar voor hem had de Italiaanse regisseur Giovanni Pastrone voor Cabiria (1914) al schilderijen als uitgangspunt genomen voor bepaalde scenes. Pastrone en Griffith maakten hun meesterwerken honderd jaar geleden toen de historieschilderkunst uit de negentiende eeuw nog vers in het geheugen lag.

Tegenwoordig hebben we een andere relatie gekregen met het verleden. De reconstructie van het verleden “wie es eigentlich gewesen ist” was in de negentiende eeuw gebruikelijk. Maar sinds Wahrheit und Methode. Grundzüge einer philosophischen Hermeneutik (1960) van Hans-Georg Gadamer weten we definitief dat een objectieve interpretatie van de geschiedenis een illusie is. Het gaat er niet om het verleden te reconstrueren maar om het te verstaan en in dienst te stellen van het heden. En zo zijn we vertrouwd geraakt met interpretaties van Shakespeare en Sophocles waarbij acteurs optreden in eigentijdse kleding.

Toch is negentiende-eeuwse objectiverende benadering van geschiedenis in de historische film nog springlevend. Art directors en set decorators van kostuumdrama kunnen nog altijd zwaar leunen op de schilderkunst, met name die van de negentiende eeuw. De televisieserie Versailles (2015) brengt het hof van zonnekoning Lodewijk XIV weer tot leven. Dat moet in werkelijkheid ook één groot toneelstuk geweest zijn. Versailles werd eerder bevolkt door acteurs dan door gewone mensen.

Jerome
Réception de Condé à Versailles (1878)

Een schilderij uit de historieschilderkunst dat dit fraai laat zien, is Réception de Condé à Versailles van Jean-Léon Gérôme uit 1878. We zien de entree van het paleis tijdens de ontvangst van de Lodewijk II van Bourbon-Condé door Lodewijk XIV. Het is een icoon van het absolutisme waarbij de zonnekoning de centrale plaats inneemt. De edelen zijn satellieten die om hem draaien en zelfs de machtige Grand Condé moet buigen.

Jerome
detail

Gérôme heeft deze historische gebeurtenis uitgebeeld zoals deze bedoeld was: de ontvangst is een vertoning, een toneelstuk, waarin de spelers rond de zonnekoning tegelijkertijd het publiek zijn. Ze staan als wassen beelden uitgestald op de trap om de Grand Condé te imponeren.

Jerome
detail
De ontvangst is een vertoning, een toneelstuk, waarin de spelers rond de zonnekoning tegelijkertijd het publiek zijn.
The year is 1674, and on the great Escalier des Ambassadeurs, in Versailles, Louis XIV is welcoming the Grand Condé, who has just defeated William of Orange in the battle of Seneffe. This event marked the end of almost fifteen years of exile for the Grand Condé, which had been designed by the king to punish “his cousin” for leading the Fronde against the monarchy. Gérôme concentrated all his passion for historical reconstruction into this modest-sized painting, making use of different iconographic sources to lend the scene more credibility such as engravings of the Château de Versailles and portraits of the various persons represented.The composition is made dynamic by the high-angle view and the off-centring of the large compositional X structure. Gérôme employed a delicate palette in which the overall sense of clarity and the cool tones of the marble are invigorated by the colours of the costumes and flags.
 
Bron: musee-orsay.fr