Maandelijks archief: augustus 2012

Dante en het Duecento

gelezen in : Duecento (1951) van Hélène Nolthenius
duecentoDe tortuur is de trouwe dienares van de Italiaanse rechtspleging en men staat ontzet over de variaties in martelingen en martelwerktuigen, die de mensen hebben uitgedacht. Ze worden enkel geëvenaard door de variaties die men kende bij de terechtstellingen zelf. Wat voor breinen zijn dat geweest, die zó toegaven aan sadisme, wat voor ogen hebben de doodstrijd van medemensen zo gretig aangezien?
 
Vraagt het uw kinderen, als zij meikevers vangen en vliegen de poten uitrukken; dan weet gij het. Schavot, galg en rad waren de saaiste methoden; men kon ook in de modder worden verstikt, opengereten, vergiftigd, aan de grond gespiest, gekookt, geroosterd, doodgewaakt, ingemetseld of levend begraven worden, al naar het misdrijf dat moest worden gestraft. Keizer Frederik liet opstandelingen van de rotsen in zee werpen, genaaid in een zak samen met een hond, een aap, een kip en een adder, “opdat ze bij het verdrinken nog levend door de beangste en uitgehongerde dieren zouden worden verscheurd en opgevreten.”
 
Dante Alighieri heeft zijn verschrikkelijke helse straffen zó op de aardse straffen kunnen modelleren, en de uitvoerigheid waarmee hij ze beschrijft, stempelt hem enkel tot kind van zijn tijd.
 
Bron: Hoofdstuk Vier, De Burgers, uit Duecento (1951)

Droom van Italië

van Michaela gekregen: Droom van Italië (2006) van Henk van Os
Droom van ItaliëDroom van Italië gaat over de liefde die West-Europese kunstenaars eeuwenlang voelden voor Italië, het land van licht, warmte, kunst en cultuur. Aan de hand van een kleine vijftig meesterwerken van onder andere Maarten van Heemskerck, Claude Lorrain, Poussin, Corot, Turner en Feuerbach schetst Henk van Os voor het eerst de ontwikkeling die zich in het dromen over Italiëheeft voorgedaan.
 
Het boek begint met de zestiende eeuw, waarin kunstenaars de resten van de antieke beschaving wilden bestuderen en documenteren. Hun zeventiende-eeuwse opvolgers kregen oog voor de schoonheid van het landschap en de gouden gloed van de Italiaanse zon. Met hun geïdealiseerde landschappen zetten zij voor lange tijd de toon. Het schilderen in de buitenlucht ? in zwang geraakt in Rome ? leidde rond 1800 tot nieuwe visies op het land. Ook groeide de aandacht voor de bevolking en haar vanzelfsprekende religieuze besef. Italiëwerd een oord van volmaakte harmonie, waar kunstenaars zich op het eind van de negentiende eeuw ten slotte bewust werden van een verlangen dat even intens als onvervulbaar was.
 
Bron: wbooks.com

kleine Attila

Ezzelino III da Romano (1194-1259)

In het Inferno van la Divina Commedia leidt Vergilius de dichter Dante steeds dieper de hel in. Aangekomen bij De stad van Dis in de zevende kring van de hel ziet Dante welke straf de geweldplegers moeten ondergaan. Deze liggen in een rivier van kokend bloed, de Phlegeton, waar ze door centauren bewaakt worden. In Canto XII (regel 109) spreekt de centaur Nessus tegen Dante en Vergilius: “E quella fronte ch’ha ‘l pel cose nero è Azolino” (“En die kop daar, met die zwarte haren, is van Ezzelino.”)

Ezzelino (letterlijk: “kleine Attila“) da Romano (1194-1259) was zo wreed dat veel van zijn tijdgenoten hem meer vreesden dan de duivel. In Die Kultur der Renaissance in Italien en Duecento van respectievelijk Jacob Burckhardt en Hélène Nolthenius wordt hij in het eerste hoofdstuk al genoemd. Burckhardt schrijft dat niemand van de Italiaanse tirannen in de veertiende en vijftiende eeuw Ezzelino in de omvang van zijn wreedheid heeft geëvenaard, ook Cesare Borgia niet. Was het dan zo erg? In Ducento schrijft Hélène Nolthenius: “Waar Ezzelino vaste voet aan de grond kreeg, werden burgers bij horden onthoofd, verbrand en verminkt. Nooit was de rampzalige markt van Treviso zo ontredderd als toen Ezzelino haar in 1252 brandschatte en geen mens aan zijn razernij ontkwam.” De Duitse schrijver Joseph von Eichendorff schreef in 1828 het toneelstuk Ezzelin von Romano.

Ezzelinos Körper wurde zu Soncino in ungeweihter Erde beigesetzt. Sein Bruder Alberich mußte ein Jahr später, 25. Aug. 1260, durch Hunger gezwungen, sein Schloß San Zeno ohne Bedingung übergeben und wurde, nachdem man seine Söhne und Töchter vor seinen Augen unter gräßlichen Martern getötet hatte, an den Schweif eines Pferdes gebunden und zu Tode geschleift. Mit ihm erlosch das Geschlecht der Romano.
 
Bron: peter-hug.ch

ezzelinodaromano.it