Maandelijks archief: augustus 2012

geschiedenis als lied

gelezen in : Duecento (1951) van Hélène Nolthenius

duecentoGisteren las ik na jaren weer eens in Duecento van Hélène Nolthenius. Weer was ik getroffen door haar dichterlijke taalgebruik. Later nam ze afstand van haar boek. Te ‘romantisch’ en ‘onwetenschappelijk’ was haar strenge oordeel. Onmiskenbaar klinken in het voorwoord bij Duecento de eerste regels door van ‘s Levens Felheid uit Hersfttij der Middeleeuwen van haar grote voorbeeld Johan Huizinga:

Dit is het relaas van een tijd die hels en heilig was met een felheid die ouderdom bant. Oude en nieuwe gedachten voeren er verbeten krijg, klare waterspiegels worden tot maalstromen, en eindigen even plotseling in een moeras. Pausen en keizers verheffen zich, steden en staten belangen elkaar. Tyrannen trekken brandschattend van Noord naar Zuid en door het wapengekletter is menig troubadours-snaar gesprongen. Kruisvaarders keren bedelend uit den vreemde weer, melaatsen, geselaars en profeten lopen te jammeren van stad tot stad. Het is een eeuw van verschrikking, maar in de kapellen worden geduldig wonderen aan de wand geschilderd. Bij kaarslicht zingt men er lied na lied en boven alle gewoel waait de glimlach van een straatarme heilige zo bevrijdend als een voorjaarswind.
 
Bron: Proloog uit Duecento (1951)
Bij kaarslicht zingt men er lied na lied en boven alle gewoel waait de glimlach van een straatarme heilige zo bevrijdend als een voorjaarswind.

uit de proloog van Duecento

NoltheniusMaar terwijl Herfsttij der Middeleeuwen leest als een gedetailleerd schilderij, lijkt Duecento meer op de zang van een troubadour. Vreemd is dat niet want Hélène Nolthenius kwam uit een muzikale familie en promoveerde op een proefschrift onder de titel: “De oudste melodie van Italië”. Ze besluit de proloog van Duecento met een lied:

Wij weten dat veel voortreffelijke mannen der wetenschap ons in dit streven zijn voorgegaan, en wij zijn hen dankbaar. Zonder hun verkenningstochten in de vele gewesten der oude cultuur was het nimmer mogelijk geweest het hele land zelfs maar vaag te overzien. Toch is het niet in hun gelederen dat zich de leidsman bevindt die ons door de bedrijven van dit schouwspel is voorgegaan. Ach neen.
 
Zo wij iemand als leidsman erkennen, dan is het de naamloze orgelman geweest die wij eens op het hete middaguur door een stadspoort hebben zien strompelen met zijn schamel muziekje. De burgers lagen te slapen in de smalle schaduwranden van de wallen. Doch toen hij draaide aan zijn rad en een volkslied zong door zijn gedeukte roeper, waren zij aanstonds ontwaakt. Uit alle hoeken en gaten dromden de mensen aan op de muziek, waaruit de verfrissing scheen te waaien: loomheid en witte haren op slag overwonnen. Achter op het orgeltje, waar in zijn kooi een kanarie meehotste over de keien van de straat, kon men een spitse Vesuvius eeuwig zien roken boven een vaal bestoven golf van Napels.
 
Zij trokken weer verder nadien, de man en zijn ezeltje, de berg af en door het dal waar de zonnelucht trilde. Ik zag hen na. En terwijl de tonen zoek raakten in de ruimte, en de middagnevel de arme optocht langzaam aan mijn ogen onttrok, heb ik voor het eerst het heimwee begrepen dat sommige tot zwervers maakt achter de muziek aan, eeuwig op zoek naar de horizon. Toen wist ik dat mijn boek enkel waarachtig zou zijn als het de echo’s borg van het lied dat ik simpel en kleurig hoorde klinken over het wijde Umbrische dal, hoog boven de poort van Assisi.
 
Bron: Proloog uit Duecento (1951)

reservaat

gezien op nostalgienet : Bleeke Bet (1934)

Gisterenavond viel ik met mijn vader (*1930) pardoes in de film Bleeke Bet uit 1934. Een oubollige Nederlandse film van 78 jaar oud is natuurlijk voor de heel taaie oudjes, type Johan Heesters (1903-2011). Deze speelt uiteraard ook een rol (Ko Monje) in Bleeke Bet en zingt O mooie Westertoren terwijl Jans (Jopie Koopman) nog net niet in zwijm uit het raam valt. Bleeke Bet is in navolging van het succes van De Jantjes (1934) een ode aan de Jordaan.

Johan Heesters zingt O mooie Westertoren (1934) Heesters debuteerde in datzelfde jaar bij de Wiener Volksoper en verhuisde in 1936 naar Berlijn.

De cinematografie van Bleeke Bet is bijna tachtig later niet meer om aan te zien. Er werd nog gefilmd met een statische camera in shots van soms langer dan een minuut. De montage hapert hier en daar en is overal traag. Tussen de scenes door zitten “diavoorstellingen” van pittoreske plekjes in de Jordaan of de bloeiende bollenvelden (een zacht briesje is de enige actie) die voor onze groot- en overgrootouders zonder meer spannend geweest moeten zijn, maar die nu bijna schokkend zijn in hun slaapverwekkendheid. Het jengelende geluid van de smartlappen uit 1934 maakt dit Hollandse drama compleet. Bleeke Bet is definitief opgeborgen in het reservaat dat nostalgienet heet.

March of time : Inside Nazi Germany

gisterenavond gezien op Arte: Innenansichten

InnenansichtenDe beelden die de Amerikaanse journalist Julien Bryan (1899-1974) in de zomer 1937 in Duitsland filmde, geven een open kijk op het dagelijkse leven in het Derde Rijk. Net als bij de beelden die ik laatst zag over de Jamboree van 1937 viel mij op hoe weinig er in 75 jaar eigenlijk veranderd is. Bij één scene betrapte ik in mijzelf de eenentwintigste eeuwer: Als Mussolini in 1937 in Berlijn op bezoek is, staat het publiek rijen dik langs de weg om hem te verwelkomen. Veel toeschouwers die achteraan staan, houden een klein rechthoekig voorwerp boven het hoofd. Een vertrouwd beeld. Maar toen realiseerde ik mij dat het geen mobieltjes of compact camera’s konden zijn. Toen ik beter keek, bleken het spiegeltjes waarmee de toeschouwers helemaal achteraan een glimp van de dictator probeerden op te vangen.

Nazi Germany faces her destiny with one of the great war machines in history. And the inevitable destiny of the great war machines of the past has been to destroy the peace of the world, its people, and the governments of their time.

slotzin uit Inside Nazi Germany, 1938

beelden uit March of Time van Julien Bryans
Nur wenige Minuten des von Julien Bryan außer Landes geschmuggelten Materials wurden 1938 in einer Wochenschau der amerikanischen Gesellschaft “March of Time” verarbeitet – als Anklage gegen das Hitler-Regime. Aber fast alle der in Schwarz-Weiß gedrehten originalen 35-mm-Rollen sind erhalten geblieben und wurden für diese Produktion in High Definition abgetastet. Julien Bryan hat seine Aufnahmen 1938 während einer Vortragsreise an der Columbia Universität in New York City gezeigt. Seine Ausführungen wurden damals mitgeschrieben, Zitate aus dem Text liest der Schauspieler Matthias Brandt. Cutterin Monika Finneisen hat die Szenen aus Nazideutschland zu einem bedrückenden Panorama montiert. Irmin Schmidt, der legendäre Gründer der Kölner Rockband “Can”, ist ein Altmeister der deutschen Filmmusik. Nun hat er nach mehr als 40 Jahren erstmals wieder einen Dokumentarfilm vertont. Für seinen düsteren und vielschichtigen Sound hat der 1937 in Berlin geborene Komponist sich von dem Lied “Es ist ein Schnitter, heißt der Tod” aus dem Dreißigjährigen Krieg inspirieren lassen. Tatsächlich lasten auf Julien Bryans bisweilen harmlos erscheinenden Bildern aus Deutschland die düsteren Vorboten des Zweiten Weltkriegs mit seinen 60 Millionen Toten. So wird der Sensenmann, der gleich zu Beginn der filmischen Reise ins Dritte Reich das Gras an der neuen Autobahn mäht, zum unfreiwilligen Symbol des Grauens, das die Deutschen über die Welt bringen werden.
 
Bron: arte.tv

March of Time: Inside Nazi Germany [ en.wikipedia.org ]