Wat hebben Brassaï, La Nausée van Sartre en film noir met elkaar gemeen? Ze horen niet alleen thuis in de jaren dertig, maar behoren ook tot de wegbereiders van het naoorlogse existentialisme waarvan Parijs de hoofdstad was. Wanneer ik in La Nausée (Walging) de avondlijke wandelingen van Antoine Roquentin lees, dan zie ik weer de beelden uit Le Quai des brumes. La Nausée en Le Quai des brumes verschenen beide in 1938.
uit: Walging, Zwarte Beertjes 434, (1962)

[Estate Brassaï RMN Grand Palais]
uit: La Naussée (Jean-Paul Sartre)

[Estate Brassaï RMN Grand Palais]
Het verhaal van Sartre speelt zich af in 1932 in het denkbeeldige Bouvines (een havenstad die vaak met Le Havre geassocieerd wordt). Telkens worden de gedachten van meneer Roquentin doorkruist door de harde werkelijkheid van de stad die verzacht wordt met Sartre‘s sfeertekeningen: dampige kaden, verlaten straten en natte trottoirs in het lantaarnlicht. Het is de rauwe romantiek van het straatleven, die je als in een roes kunt ondergaan.
(…) Ik besta. Dat is zacht, zo langzaam. En licht: men zou zeggen, dat het in de lucht hangt. Het zijn vooral kleine aanrakingen die smelten en verkwijnen. Heel zacht, heel zacht. (…) Ik die luister, besta. Alles is vol, overal het bestaan, ondoordringbaar, zwaar en week. Maar aan de andere kant van die waarheid, onbereikbaar, dichtbij en helaas zo ver weg, is die jonge onbarmhartige en heldere noodzakelijkheid.
Dinsdag
Niets. Ik heb bestaan.
uit: Walging, Zwarte Beertjes 434, (1962)














