Maandelijks archief: mei 2018

geschiedenis als spektakel

gezien op DVD: Les Misérables (2012)

Les MisérablesBij de eerste take van de musicalfilm Les Misérables (2012) wist ik het al. Dit is niet mijn film. Computer generated imagery verdraag ik alleen als deze spaarzaam is toegepast. Maar zodra een virtuele camera een duikvlucht maakt en langs oppervlakten begint te scheren, dan pas ik. Het verschil tussen de fysieke en virtuele camera is niet principieel. In beide gevallen wordt de blik van de kijker een wereld binnengezogen. Maar de fysieke camera is echt en de virtuele camera is nep.

Het fenomenale openingshot van Touch of Evil (1958) van Orson Welles is bijvoorbeeld echt. Drie minuten lang zwenkt de camera behendig door de filmset (een Mexicaans grensstadje) en volgt een staalkaart aan technieken (handheld, kraan- en dollyshot). Vakwerk. CGI is ook vakwerk maar dan via een computer met bovenmenselijke rekenkracht. Het ziet er verbluffend echt uit, maar het gaat meestal te snel en er is vaak een “saus” overheen gekieperd. Films als Moulin Rouge (2001) en Hugo (2011) die zich net als Les Misérables in Parijs afspelen, konden mij om deze reden ook al niet zo boeien.

Ik moet bij deze films denken aan de profetische boodschap van La Société du Spectacle (1967) van Guy Debord. Deze Parijse (alweer) marxistische schrijver en filmmaker voorzag een halve eeuw geleden al in wat voor een wereld we terecht zouden komen: een spektakelmaatschappij waarin we over de toppen van de golven scheren in onze jacht op prikkels. Alle saaie momenten moeten worden omgezet in sensaties. We eten geen pap meer, alleen krenten worden nog geserveerd.

En zo krijg je films die eruit zien als videoclips. De kijker wordt meegesleurd in een stroomversnelling van beelden, krijgt daarna even tijd om op adem te komen, en wordt vervolgens weer meegezogen. De montage is strak en snel. De spektakelmaatschappij is ook strak en snel. Ik verzet me er tegen. Zeker als de geschiedenis, die voor mij juist een reservaat is in deze jachtige wereld, de prooi van de spektakelmaatschappij wordt. De negentiende eeuw gezien door de bril van de eenentwintigste (zoals in Les Misérables of Moulin Rouge) heeft meer met onze tijd te maken dan met het verleden. In de negentiende eeuw kon het publiek vuistdikke boeken lezen. Nu hebben we geen tijd meer om Les Misérables in zijn geheel te lezen. De spektakelmaatschappij maakte er in 1980 daarom een musical van. Als luchtig tussendoortje.

Annus horribilis [ 2 ]

gelezen in Quatrevingt-Treize (1793) van Victor Hugo
in combinatie met de oorspronkelijke illustraties uit 1874 van Émile Bayard

1793Vorige week kreeg ik van Michaela de Nederlandse vertaling van Quatrevingt-treize, de laatste roman van Victor Hugo. Ik had mij voorgenomen in juli op een Franse camping een begin te maken, maar ik kon niet wachten. Ik las het eerste hoofdstuk en het boek had mij te pakken. Het overrompelde mij. De flaptekst had mij hier overigens al voor gewaarschuwd: “Hier wordt geen geschiedenis geschreven, hier wordt de lezer meegetrokken in de chaos van de gebeurtenissen en ondervindt hij aan den lijve wat en wie er allemaal op het spel staat, als in het jaar van de Terreur de contrarevolutie losbreekt onder koningsgezinde boeren in de Vendée.”

1793 is een magistrale roman. Na 141 jaar werd deze eindelijk in het Nederlands vertaald en dat moet een zware klus geweest zijn voor Tatjana Daan. Hugo doorspekte zijn verhaal met details over de Franse Revolutie waarbij de lezer “getrakteerd” wordt met ruim 500 noten. Veel fact- en namedropping dus, en voor de lezer die het verschil niet weet tussen jacobijnen, girondijnen, cordeliers, hébertisten en montagnards zal het verhaal soms stroef lezen. Ook als je redelijke voorkennis hebt, moet je toch steeds bladeren naar de toelichting bij de noten achterin het boek. Maar wat komt de Franse Revolutie dan tot leven!

De vertaalster zal het niet altijd gemakkelijk hebben gehad met het vertalen van tijdgebonden woorden (bijvoorbeeld van kledingstukken) en jargon (zoals scheepstermen en militaire benamingen). Zo kwam ik enkele malen Nederlandse woorden tegen waar ik maar zelden van hoor of die ik nog niet kende. Dat zijn ook de cadeautjes die je krijgt bij het lezen van een historische roman: niet alleen de blik op de geschiedenis maar ook de taal wordt verruimd.

1793
In het Eerste Boek van het Tweede Deel (Cimourdain) schrijft Hugo iets over het omvertrekken van het ruiterstandbeeld van Lodewijk XIV op de Place Vendôme op 12 augustus 1792. Het beeld had er op de dag af 100 jaar gestaan. (illustratie van Émile Bayard)

Ik las de eerste 150 bladzijden in combinatie met de oorspronkelijke illustraties uit 1874 van Émile Bayard die ik vond op gallica.bnf.fr. Émile Bayard is niet zo bekend als zijn tijdgenoot Gustave Doré maar wel wereldberoemd geworden door zijn illustratie van Cosette uit Hugo‘s andere roman Les Misérables uit 1862.

Een paar weken terug citeerde ik een beschrijving van Georges Danton door Jo van Ammers-Küller in De Sans-culotten. Ook Hugo voert Danton in zijn roman op, samen met Robespierre en Marat. Danton was niet moeders mooiste. “Hij heeft een neus als een platgeslagen karbonkel boven een mond, die als een snuit van een dier vooruitsteekt.” schreef Van Ammers-Küller. Hugo deed het op zijn manier:

Le grand, débraillé dans un vaste habit de drap écarlate, le col nu dans une cravate dénouée tombant plus bas que le jabot, la veste ouverte avec des boutons arrachés, était botté de bottes à revers et avait les cheveux tout hérissés, qnoiqu’on y vît un reste de coiffure et d’apprêt; il y avait de la crinière dans sa perruque. Il avait la petite vérole sur la face, une ride de colère entre les sourcils, le pli de la bonté au coin de la bouche, les lèvres épaisses, les dents grandes, un poing de portefaix, l’œil éclatant.
 
Bron: Deuxième Partie: à Paris – Livre Deuxième – Le Cabaret de la Rue du Paon
1793
Danton, Marat en Robespierre in Le Cabaret de la Rue du Paon (illustratie van Émile Bayard)

1793 [ gutenberg.org ]

1799

begonnen aan het laatste deel van de Tavelinck Trilogie
De Getrouwen (1799-1813) van Jo van Ammers-Küller (1938)

De Getrouwen“Zeventienhonderd negenennegentig. De eeuw waarin de Grote Revolutie begon, is ten einde. Tien jaar geleden hebben de eerste stormklokken over Frankrijk geluid, schaarde al wat jong, dapper en idealistisch was zich in de strijd om de rechten van de mens, en van overal, van oost en west, van noord en zuid kwam een weerklank. Nu staat een ring van vijanden om Frankrijk heen, met Engeland en Oostenrijk, met Rusland is het in oorlog, het heeft het koningshuis uitgemoord en duizenden zijner beste burgers naar het schavot gezonden. Het schrijft Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap in zijn vaandel, maar de guillotine verricht nog altijd haar luguber werk, zij kopt nu jakobijnen terwijl ze vroeger aristocraten kopte.” Zo begint De Getrouwen, het laatste deel van de Tavelinck Trilogie. Jo van Ammers-Küller sprak liever van de trilogie “Heren, Knechten en Vrouwen“. In het naschrift spreekt ze van “een gefantaseerd verhaal dat tegen een achtergrond van historische gebeurtenissen is opgebouwd”, en definieert daarmee ook het genre van de historische roman.

Ondanks alle kritiek die er vóór de oorlog op haar schrijverschap was (na de oorlog werd ze vanwege haar connecties met de Kulturkammer verguisd), maakt de Tavelinck Trilogie indruk op mij. Fijne psychologische observaties keren steeds terug en de schrijfster heeft ook het talent om in brede streken het historische decor te schilderen, zoals uit het bovenstaande fragment blijkt. Het “kleine” menselijke drama, in dit geval de lotgevallen van de familie Tavelinck, weet ze te verbinden met de storm die tussen 1778 en 1813 door de wereld trok, de Patriottentijd, de Franse Revolutie en de Napoleontische Tijd tot aan de Restauratie. In deze 35 jaar voltrok zich een paradigmawisseling: vanuit Frankrijk werd de gelijkwaardigheid tussen heren en knechten geforceerd en zette heel Europa op zijn kop.

In De sans-culotten wordt deze omwenteling van heel dichtbij beschreven. Een voorbeeld: de valet César Cornot brengt twee voorname patriotten vanuit Saint-Omer naar Parijs, een afstand van ruim tweehonderd kilometer die in vijf dagen wordt afgelegd. In het noorden van Frankrijk is weinig van de Revolutie te merken, maar hoe dichter het gezelschap bij Parijs komt, hoe concreter de omwenteling wordt: Er wordt algemeen getutoyeerd, iedereen wordt met citoyen aangesproken, ci-devants (voormalige aristocraten) worden vijandig benaderd en aan bomen en lantaarns in Picardië zien de verbijsterde Hollandse patriotten de dode lichamen van aristocraten hangen. De bediende wordt zich er steeds meer van bewust dat zijn slavernij voorbij is. In Saint-Denis hijst een menigte hem in de koets en moeten zijn heren achter op de bok plaatsnemen.

De Grote Omkering werkte zich uit tot in de kleinste details. Een wereld zonder standsverschillen bleek al gauw een utopie en de euforie van Vrijheid, gelijkheid en Broederschap sloeg tijdens de Terreur om in hysterie. Maar alle emancipatiebewegingen in de negentiende en twintigste eeuw tot in onze eeuw zijn echo’s van die ene grote golf aan het einde van de achttiende eeuw, sterk uitgedrukt in de klankuitbarstingen in de muziek van Beethoven.