Dromen van Cocagne van Herman Pleij
Prima lectuur voor een luie strandvakantie. Cocagne is het land waar niet gewerkt mag worden, waar beekjes van bier en wijn stromen en worstjes aan de bomen hangen. Cocagne is het luilekkerland uit de middeleeuwen dat inmiddels eigentijdse varianten heeft gekregen in de reis- en filmindustrie.

Hoe lijvig zijn studie ‘Dromen van Cocagne‘ ook is, bijna vijfhonderd bladzijden, men hoeft zich geen ogenblik te vervelen, want er blijken telkens nieuwe, onverwachte kanten te zitten aan Cocagne. De voorstelling van een droomland, een paradijs waar niemand zelfs ook maar iets mag uitvoeren en waar de gebraden duifjes de bewoners vanzelf de geopende mond in vliegen, waar de muren gemaakt zijn van worsten, de huizen bedekt zijn met vlaaien, de rivier van heerlijke wijn is en waar men in een verjongingsbron drieëndertig jaar kan worden – zo’n voorstelling is al oud en heeft een lange orale geschiedenis. Ook in andere landen, zoals Frankrijk, Duitsland, Ierland. Zelfs de antieken hadden vergelijkbare voorstellingen.Eten, of liever gezegd vreten, en luieren, dat zijn de belangrijkste aspecten van Cocagne. Pleij legt overtuigend het verband met de angst van de middeleeuwse boer, want de Cocagne-droom moet in het plattelandsmilieu zijn ontstaan, voor hongersnoden, de vrees voor gebrek aan voedsel. Het zal een ware obsessie in die tijd geweest zijn. De Cocagne-droom heeft aanvankelijk als een soort uitlaatklep gewerkt, waardoor men zich van die angst kon bevrijden. De dagelijkse, harde strijd om het bestaan, het werken om te kunnen eten, de voedselschaarste, dit alles werd opgeheven in de paradijselijke tegenwereld van Cocagne, die een wensdroom is, een compensatie voor het aardse ongemak.
Ton van Deel in Trouw
Wolkenkrabbers horen in de Verenigde Staten, om preciezer te zijn, in Chicago en New York. Daar is het aan het einde van de negentiende eeuw begonnen. Het werden dé proeftuinen waar de skyscraper tot ontwikkeling is gekomen, vanuit Sullivan’s adagium form follows function maar vooral dankzij de stalen constructie. In de beginjaren moest de wolkenkrabber als in een evolutionair proces alle voorgaande stadia passeren. Zo zagen we het duidelijkst in New York in de eclectische periode (1890-1920) neo-barokke, neo-gotische en neo-classicistische hoogbouw verrijzen. Het neo-gothische Woolworth Building is daar het treffendste voorbeeld van. In 1920 brak de klassieke periode aan die tenslotte bekroond werd met het Chrysler Building (1930) en het Empire State Building (1931). Beide zijn in artdeco stijl en dat is in feite ook de klassieke stijl van de wolkenkrabber geworden. Manhattan kende in de jaren twintig een bouwexplosie die schitterende artdeco zakenpaleizen heeft opgeleverd. 
















