Maandelijks archief: november 2010

ochlocratie

gelezen in Beweging : Boodschap aan de samenleving
een interview met Bart Jan Spruyt
PlatoIn de vijfde eeuw voor Christus was er in Athene een democratie. Dat was toen al iets bijzonders. Dus er waren filosofen die nadachten over de vraag wat democratie betekent. Het betekent dat het volk regeert, maar waarover? Over zichzelf. Maar kán een volk over zichzelf regeren en zo ja, onder welke voorwaarden? Daar heb ik eens een onderzoekje naar gedaan bij de oude filosofen. Ik vond een aantal centrale voorwaarden waaraan een democratie moet voldoen, wil ze goed functioneren. dat is dat je eerbied hebt voor ouderen, voor wat er aan je is voorafgegaan. Gehoorzaamheid aan de wetten. Respect voor de traditie. Onder traditie werd onder meer verstaan de verering van de goden. Dat is de basis van alles. Als dat besef van het heilige, van het sacramentele weg is, en als daaruit voortvloeiend vrijheid niet langer de betekenis heeft van de ruimte om te doen wat je behoort te doen, dan ontaardt democratie in een ochlocratie. Dan regeert niet de demos, het volk, maar de ochlos, de massamens. De ongevoelige, onopgevoede, slecht opgeleide massamens. Die alleen maar vrijheid wil, mateloosheid, en geen rekening met de ander houdt.
 
Dat staat allemaal in Plato, Polybios en Cicero. Zij zeggen dat als dát gebeurt, je twee dingen kunt krijgen. Of het wordt steeds gekker en je krijgt chaos of anarchie, of mensen gaan denken: dit kan zo niet. Dan gaan mensen zoeken naar een nieuwe orde. Die orde moet worden gebracht door de sterke man of door de sterke staat. Al die boeken zijn 2500 jaar oud, maar het proces dat dar werd beschreven, zien we hier en nu gebeuren.
 
Wat ik hoop is dat als mensen dit doorzien er een bewustwordingsproces op gang komt. Waar is het fout gegaan? Dat is toch doordat we onze kinderen in geestelijke zin te vondeling hebben gelegd. We hebben hun niets meer meegegeven. We hebben niet meer nee durven te zeggen. We hebben geen grenzen meer durven stellen.
 
Bart Jan Spruyt in Beweging, 74e jaargang nummer 3
Als het besef van het heilige, van het sacramentele weg is, en als daaruit voortvloeiend vrijheid niet langer de betekenis heeft van de ruimte om te doen wat je behoort te doen, dan ontaardt democratie in een ochlocratie.

bewegingonline.nl

In Paradisum

zondagmiddag met Michaela geluisterd naar het requiem van Gabriel Fauré
uitgevoerd door de Arnhems Oratoriumkoor De Vrije Stem
Gabriel FauréDe reden waarom Gabriel Fauré het werk heeft gecomponeerd is niet bekend. Een mogelijke aanleiding kan de dood van zijn vader in 1885 zijn, en de dood van zijn moeder twee jaar later op oudejaarsavond 1887. Desalniettemin was Fauré al met het werk begonnen toen zijn moeder overleed. Fauré zei later over de reden tot componeren: “ik heb het nergens voor gecomponeerd gewoon voor het plezier, als u me dat toelaat te zeggen!“ Het eerst geschreven deel is het Libera Me, dat als een losstaand werk werd gecomponeerd in 1877. In het daaropvolgende jaar componeerde hij de eerste versie van het Requiem, welke hij Un Petit Requiem noemde. De eerste versie bestond uit vijf delen (Introitus et Kyrie, Sanctus, Pie Jesu, Agnus Dei en In Paradisum), maar bevatte nog niet het Libera Me. De eerste versie werd op 16 januari 1888 in La Madeleine te Parijs uitgevoerd. Fauré dirigeerde de uitvoering zelf. Het stuk werd opgedragen ter nagedachtenis aan de architect Joseph La Soufaché. In 1889 werd het ‘Hostias toegevoegd aan het Offertorium.
 
Een jaar later werd het Offertorium verder uitgebreid en werd het Libera Me aan het Requiem toegevoegd. Deze tweede versie, voor kamerorkest, ging op 21 januari 1893 in première, ook in de Madeleine in Parijs met Fauré zelf als dirigent. Tussen 1899 en 1900 werd het Requiem bewerkt voor een compleet orkest. Het is niet duidelijk of deze bewerking door Fauré zélf, of door een van zijn leerlingen is gemaakt. Deze derde versie ging op 6 april 1900 in première, waarbij Eugène Ysaÿe dirigeerde.
 
De derde versie was de meest bekende versie van het Requiem, totdat Fauré’s originele manuscript voor kamerorkest werd ontdekt door John Rutter in de Bibliothèque nationale de France te Parijs in de jaren ’80. In 1924 werd het Requiem op Fauré’s eigen begrafenis gespeeld. Het Requiem bereikte de Verenigde Staten pas in 1931 en het Verenigd Koninkrijk in 1936.
 
Bron: nl.wikipedia.org

1. Introitus et Kyrie (d mineur)
2. Offertorium (b mineur)
3. Sanctus (Es majeur)
4. Pie Jesu (Bes majeur)
5. Agnus Dei en Lux Aeterna (F majeur)
6. Libera Me (d mineur)
7. In Paradisum (D majeur)

arnhemsoratoriumkoor.nl

volg de meester [ 12 ]

kopie van het portret van Gabrielle Cot door William Bouguereau

De laat-negentiende-eeuwse salonschilder William Bouguereau is de held van het reactionaire artrenewal.org een club die de klok in de schilderkunst ruim honderd jaar terug lijkt te willen zetten.

Bouguereau
William Bouguereau 1890
portret van Gabrielle Cot, 38 x 45.5 cm
een negentiende-eeuws meisje (zonder parel)
Collection of Fred and Sherry Ross, US

This magnificent portrait has been judged by a number of top experts and master artists, to be one of the greatest portrait heads ever painted … by any artist … ever. Gabrielle Cot was the daughter of Bouguereau’s most famous student, Pierre August Cot. Bouguereau was planning to use her for one of his major paintings, and so he started this as a study for that painting, but, as he worked, he was so captivated by Gabriel’s beauty, including her intense inner beauty, that he finished it as one of his only un-commissioned portraits. I know of no other work that better exemplifies how this master captured the subtle nuances of personality and mood. Bron: artrenewal.org

Wat is er eigenlijk in de geschiedenis van de schilderkunst gebeurd? Vlak voordat in het eerste decennium van de vorige eeuw het modernisme losbarstte, waren er schilders geweest die qua techniek het uiterste hadden bereikt. Ze maakten technisch perfecte schilderijen en kregen veel waardering. Toch keerde de tijdsgeest zich tegen hen. In het laatste kwart van de negentiende eeuw kwam er namelijk steeds meer waardering voor het persoonlijke handschrift van een schilder. Eigenheid was daarbij belangrijker dan techniek. Technisch gezien zijn schilders als Van Gogh en Cézanne ploeteraars met de vorm en schijnbaar onbeholpen in techniek. Maar vanuit het perspectief van de persoonlijke expressie hebben deze twee vaders van de moderne schilderkunst een nieuwe wereld ontsloten. Daar ging het aan het einde van de negentiende eeuw vooral om. Schilderkunst moest zijn als het leven zélf; een schilderij moest niet het zichtbare weergeven, maar zélf zichtbaar maken, een openbaring van Leven zijn. Dat was het toverwoord aan het einde van de negentiende eeuw. De salonschilders werden kort na 1900 door de modernisten verdrongen. Technische vaardigheid werd aan persoonlijke expressie ondergeschikt gemaakt. En wat deze persoonlijke expressie allemaal kan zijn, laat de moderne schilderkunst ons zien.

Bouguereau
onderschildering in acrylverf op roodbruine imprematura en daarna sluierlaag in olieverf met rauwe Sienna en beetje zinkwit. Hierna wordt verder gediept en gehoogd en tenslotte worden de lokale kleuren aangebracht.

De hoge waardering voor persoonlijke expressie leidde tot minachting voor technische vaardigheid. Na 1920 zou men met de bril van het modernisme op, gaan smalen over de helden van de techniek uit de negentiende eeuw. De schilderijen van de salonschilders zouden zonder persoonlijke uitdrukking zijn en de critici vonden hun werk zelfs zielloos. Tussen 1945 en 1990 bracht het werk van Bouguereau en Alma Tadema werk nauwelijks nog iets op terwijl ze in hun tijd tot de best betaalde kunstenaars ter wereld behoorden. De laatste twintig jaar is er een herwaardering merkbaar voor klassieke schilderkunst. Het Amerikaanse Artrenewal treedt daarbij op als ambassadeur.

van oude meesters en dingen die niet voorbijgaan [ PDF ]