Maandelijks archief: januari 2011

volg de meester [ 18 ]

kopie van het portret van Carl Friedrich Gauss uit 1840
door Christian Albrecht Jensen (1792-1870)

De meesterhand van Christian Albrecht Jensen volg ik graag. Zijn portret van de Duitse wetenschapper Carl Friedrich Gauss uit 1840 is met een benijdenswaardige handigheid en levendigheid geschilderd. Jensen beheerst zijn spontane ‘reflexen’ een kenmerk van virtuositeit en sprezzatura.

Carl Gauss
portret van Carl Friedrich Gauss uit 1840
Christian Albrecht Jensen

De kopie is in drie stadia geschilderd: eerst een toonschildering in acrylverf op een roodbruine imprematura. Vervolgens een sluierlaag van olieverf en medium (rauwe Sienna en een beetje zinkwit) om optisch grijs (dus ruimte) te scheppen. Tenslotte de a la prima schildering in olieverf. De kopie is uitgevoerd in de volgende kleuren: zinkwit, titaanwit, gebrande sienna, rauwe sienna, oker, karmijn en rauwe omber.

Carl Gauss
kopie naar Christian Albrecht Jensen
Christian Albrecht Jensen was a Danish portrait painter who was active during the Golden Age of Danish Painting in the first half of the 19th century. Painting more than 400 portraits over the course of his career, he depicted most of the leading figures of the Danish Golden Age, including the writer Hans Christian Andersen, the painter Christoffer Wilhelm Eckersberg, the sculptor Bertel Thorvaldsen, the physicist Hans Christian œrsted and the theologian Nikolaj Frederik Severin Grundtvig. Although Jensen experienced considerable commercial success, he received little official appreciation from the artistic establishment of his day. In particular, the art historian and critic Niels Lauritz Hàyen criticized his style, finding his paintings ‘unfinished’.
 
Bron: en.wikipedia.org
Carl Gauss
Carl Gauss op een postzegel uit 1955

Gauss‘ portret is vaak gereproduceerd en verscheen op een postzegel uit 1955 van de Deutsche Bundespost. Maar de wereld raakte pas echt bekend met Jensens portret van Gauss toen het op het biljet van 10 Mark verscheen. Het portret moest wel in spiegelbeeld afgebeeld worden omdat de beeltenis op een bankbiljet naar links moet kijken.

Carl Gauss
Carl Gauss in spiegelbeeld op 10 Mark biljet

volg de meester [ 1-18 ] | van oude meesters en dingen die niet voorbijgaan

modern living [ 2 ]

gezien op DVD: Mon Oncle (1958) van Jacques Tati

mon oncleIn Mon Oncle (1958) had Jacques Tati het thema gevonden dat hij in Play Time (1967) verder zou uitwerken: de invloed van het modernisme op het alledaagse leven. In de jaren vijftig en zestig was ‘de vooruitgang’ overal opgerukt en zichtbaar geworden. Wanneer je erbij wilde horen, was modern het toverwoord. Meewarig keek de moderne mens naar zijn ouderwetse soortgenoot die in het verleden was blijven steken.

mon oncleIn Mon Oncle is Monsieur Hulot een van die ouderwetse sukkels. Zijn zus en rijke zwager wonen in een ultramoderne maar steriele villa. Zelf woont hij in een krakkemikkig maar tot de verbeelding sprekende bovenwoning. In de relatie tussen Monsieur Hulot en zijn zwager Monsieur Arpel botst de ouderwetse gemoedelijkheid met het jachtige en snobbistische moderne leven. Terwijl in Play Time de wereld veranderd is in een futuristisch urbaan landschap, speelt Tati in Mon Oncle met het contrast tussen oud en nieuw. De oude wereld verdwijnt onder de sloophamers terwijl uit de puinhopen een nieuwe wereld van staal, beton en glas verrijst. Telkens keert in de film het beeld terug van de grens tussen beide werelden: een smeedijzeren hek van een gesloopte wijk terwijl daarachter grijze en monotone nieuwbouw is gekomen.

mon oncle
contrast tussen nostalgisch en modern leven
still uit Mon Oncle (1958)

De nostalgie in Mon Oncle opende een barokke variant van de zogenaamde Mid Century Modern. Eind jaren vijftig en begin jaren zestig duikt een stijl op die je Victorian Modern zou kunnen noemen. Als reactie op het strakke en kale functionalisme, zoekt deze stijl juist naar tierlantijnen en overdaad. Het smeedijzeren hek, de lantaarn en het vensterluik uit Mon Oncle zien we bijvoorbeeld terug in Mary Poppins (1964) en The Aristocats (1970).

Victorian Modern
still uit Mary Poppins (1964)
en achtergrond uit The Aristocats (1970)
© disney enterprises

De strakke regelmatigheid van het functionalisme straalt doelmatigheid uit, maar verstikt de fantasie. De nostalgische krullen en rondingen van de Victorian Modern geven weer ruimte aan de verbeeldingskracht. In de eerste helft van de jaren zestig zijn Mid Century Modern en Victorian Modern gelijktijdig in de mode.

mon oncle
Monsieur Hulot voor de deur van zijn bovenwoning
Mon oncle is een Franse film van Jacques Tati uit 1958 die de Oscar voor beste buitenlandse film won. Mon oncle is een komedie waarin decadentie, moderniteit, hebzucht en de onschuld van de jeugd centraal staan. De film bevat nauwelijks nog dialoog en het is een observatie van een rijk maar ongelukkig gezin. In de film gaat Monsieur Hulot op bezoek bij zijn kleine neefje die samen met zijn ouders in een hypermodern huis woont. De vader van het gezin bekleedt een hoge functie bij een plasticfabriek. Hulot vindt het helemaal niets in het grote, lege kille huis: de ultrastilistische stoelen zitten niet lekker, de afstandbediening waarmee het elektronisch bestuurde huis bediend wordt, werkt niet. Het huis is kil, koud en onpraktisch. Monsieur Hulot merkt dat zijn neefje ongelukkig is: het kind mag namelijk geen vriendjes meenemen want dan gaat de moderne kunst in het huis kapot, het joch vindt ook geen warmte bij zijn ouders want die zijn altijd aan het werk. Hulot neemt zijn neefje mee naar een nostalgische gezellige woonwijk waar het joch met zijn vriendjes kan spelen. De boodschap is: kille decadentie is maar niets, oude gezelligheid dat is wat een kind nodig heeft. De film eindigt met een scène waarin de oude woonwijk plaats moet maken voor een hypermodern kantorencomplex.
 
Bron: nl.wikipedia.org
mon oncle
het ultramoderne interieur van de Villa Arpel

modern living [ 1 ]| mid century modern uit mon oncle
mon oncle [ lolitasclassics.blogspot.com ]

het uitgeklede bestaan

gezien op DVD: Play Time (1967) van Jacques Tati

TativillePlay Time uit 1967 is een fantastisch kijkavontuur, ook al flopte de film destijds en raakte Jacques Tati daarna zonder werk. Het grote publiek zal in deze film de plot missen en het tempo te traag vinden. Maar juist in een observerende houding en in een bepaalde traagheid, toont Tati als geen ander de magie van het spel van de werkelijkheid. In de interactie tussen de mensen legt hij het omgangsritueel bloot. De inhoud van het gesproken woord is daarbij ondergeschikt gemaakt aan de vorm, het seinen van informatie en de gebaren die daarbij gemaakt worden. Tati houdt de stomme film met zijn theatrale lichaamstaal springlevend. Het zijn de gebaren zélf die een taal spreken, een taal die dieper lijkt te liggen dan het gesproken woord.

TativillePlay Time was een dure productie. Op de filmset aan de rand van Parijs liet Tati met schaalmodellen een futuristische stad bouwen die Tativille gedoopt werd. Toen alles gereed was, begonnen de opnamen die duurden van april 1965 tot oktober 1967. In Tativille is alles ultramodern: strak, koel van kleur en monotoon. We noemen dat futuristisch. Het is een biotoop voor robots, niet voor mensen. Ruim veertig jaar later kennen we de nadelen van de hyperfunctionele omgeving. De meanderende galerijflats in de Bijlmermeer die in de jaren zestig nog verwelkomd werden als een futuristische utopia, zijn inmiddels grotendeels afgebroken en vervangen door traditionele laagbouw. In 2011 zijn we minder futuristisch dan in 1966. Het functionalisme is er voor de mens en niet omgekeerd. Anders dan Charles Chaplin in Modern Times, laat Tati zien hoe de moderniteit op ons inwerkt. De mensen die een steriele omgeving als Tativille bevolken, worden net als hun omgeving ‘uitgekleed’, ze zijn de rol geworden die ze spelen. Een groep reizigers, een verkoper, een stewardess, een portier, allemaal zijn ze hun functie geworden, een geraamte van hun menselijkheid. Net als de architectuur is de mens een functioneel geraamte geworden.

In een geniale scene in Play Time zien we van buitenaf twee ‘woonkamers’ met mensen die naar de televisie kijken. Het zijn eerder twee hokken met een onzichtbare wand, waardoor alles zichtbaar is voor ons. In de twee kamers zitten men tegenover elkaar terwijl de televisie zich aan dezelfde wand bevindt.

Play Time
scene uit Play Time (1967)

We horen niet wat er gezegd wordt, maar zien aan de gebaren dat men zich amuseert. Terwijl bijna alles met een glazen wand zichtbaar is gemaakt, zijn de mensen in de kamers van elkaar afgesloten. Ze blijken te leven in de kunstmatige ruimte van de televisie, een voorloper van de cyberspace uit het internettijdperk. Terwijl wij vanuit de vierde wand naar hen kijken, worden we ingesloten in hun wereld, die de onze blijkt te zijn.

Tati, een kwestie van kijkenVorig jaar verscheen het boek Jacques Tati, een kwestie van kijken van de Vlaamse filosofe Ann Meskens. Het boek staat nu bovenaan in mijn lijstje van boeken die ik komend jaar wil gaan lezen. Tati nodigt uit om anders naar de werkelijkheid te gaan kijken, om het leven als spel te zien. Drie jaar geleden zag ik in Den Bosch Gerucht van Lotte van de Berg. In een geluidsdichte cabine midden op het stationsplein was een klein zaaltje gebouwd en door een eenzijdig doorschijnende glazen wand kreeg het straatgebeuren plotseling de aura van theater. Je ging anders kijken dan wanneer je op een bankje op het stationsplein had gezeten. Acteurs bewogen zich tussen de voetgangers en het verkeer op straat door, waardoor de grens tussen gespeelde en niet gespeelde werkelijkheid diffuus werd. In dat schemergebied ontstonden spontaan magische momenten, waar Jacques Tati zo van hield. Als je oog krijgt voor het spel van de werkelijkheid, vallen je wonderlijke interferenties op en zijn er momenten waarin mensen de rol van hun leven blijken te spelen.

Play Time
still uit Play Time (1967)

Play Time is tijdloos maar natuurlijk ook gebonden aan de modernistische jaren zestig. Tati tast de oppervlakten af en registreert de koele zakelijkheid van de mid sixties. De leefomgeving is een geraamte geworden, opgevuld met glazen wanden. De geest van het modernisme heeft het leven afgepeld tot haar utilistische kern. Interieurs zijn maximaal uitgekleed en veranderd in kille, transparante hokken. Het is de koele en kunstmatige geest van de vooruitgang die Wim Sonneveld in ‘het dorp’ (1967) bezingt: Want ziet hoe rijk het leven is: ze zien de televisiekwis en wonen in betonnen dozen, met flink veel glas, dan kun je zien hoe of het bankstel staat bij Mien en d„r dressoir met plastic rozen.

Play Time
still uit Play Time (1967)
In zijn films levert Jacques Tati kritiek op de huidige moderne maatschappij. Volgens Tati gingen techniek, decadentie en hebzucht een steeds grotere rol spelen in onze samenleving. De echte menselijke waarden zoals individualiteit, gezelligheid, behulpzaamheid en lichaamsbeweging gaan hierdoor verloren. In alle films van Tati staan mensenmassa’s centraal, maar er is altijd een personage dat zich niet wil aanpassen, maar uiteindelijk toch oplost in de massa. Dit individu, altijd door Tati zelf gespeeld, vecht (vaak onbewust) tegen de moderniteit. Hij begrijpt niets van machines en dat resulteert vaak in hilarische mislukkingen, waarin de moderne techniek vernietigd wordt door de menselijke natuur. In veel van z’n films wordt de goeie oude tijd geplaatst naast de moderne techniek. Nostalgie botst met de fantasieloze, decadente, massale en onpersoonlijke wereld van de moderne tijd.
 
Bron: nl.wikipedia.org

Play Time [ imdb.com ] | Play Time [ ebertfest.com ]